ECLI:NL:RBLIM:2025:12175

ECLI:NL:RBLIM:2025:12175, Rechtbank Limburg, 10-12-2025, ROE 24/5181

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer ROE 24/5181
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Bestuursdwang. Wegslepen auto in verband met het parkeren op een parkeerplaats ten tijde van een parkeerverbod. Parkeerverbod door verkeersbord voldoende kenbaar en duidelijk. Eiser had zich moeten vergewissen van op de parkeerplaats geldende regels. Het college mocht de auto van eiser wegslepen en de kosten op hem verhalen. Verzoek om schadevergoeding afgewezen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,

Samenvatting

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/5181

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

(gemachtigde: mr. P. Franssen).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om bestuursdwang toe te passen door eisers auto weg te slepen van een parkeerplaats. Eiser is het daar niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college bevoegd was bestuursdwang toe te passen en of het college de kosten daarvan op eiser kon verhalen. Daarnaast oordeelt de rechtbank over eisers verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers auto mocht wegslepen en dat de kosten daarvan in redelijkheid voor rekening van eiser konden komen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eisers verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.

Procesverloop

2. Het college heeft op 28 mei 2024 het besluit genomen om de auto van eiser weg te slepen.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 19 november 2024 (het bestreden besluit) bij het besluit tot toepassen van bestuursdwang gebleven.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van het college heeft zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?

3. Eiser heeft zijn auto op 28 mei 2024 geparkeerd op de parkeerplaats ‘Nieuw Eyckholt’ (de parkeerplaats) te Heerlen. Het college heeft de auto rond 19:30 uur laten wegslepen omdat de parkeerplaats vanaf 18:00 uur vrij moest zijn en blijven voor de voertuigen van kermisexploitanten die ter plaatse kwamen om de voorjaarskermis op te bouwen. Het college heeft de wegsleepkosten bij eiser in rekening gebracht.

Eiser kon zijn auto die avond niet ophalen bij het wegsleepbedrijf. Daardoor heeft eiser extra kosten gemaakt: hij reisde die avond samen met zijn ouders met het openbaar vervoer naar huis, nam de volgende dag een vrije dag en reisde opnieuw met het openbaar vervoer om zijn auto op te halen bij het wegsleepbedrijf. Daarnaast heeft eiser een boete voor foutief parkeren ontvangen.

Eiser stelt dat het college zijn auto niet mocht laten wegslepen omdat het parkeerverbod niet duidelijk was en het wegslepen niet noodzakelijk was. Daarnaast voert hij aan dat de kosten voor het wegslepen van de auto niet op hem verhaald konden worden omdat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het parkeren op de parkeerplaats terwijl dat niet mocht. Tot slot verzoekt hij om vergoeding van de door hem geleden schade.

Mocht het college eisers auto laten wegslepen?

4. Op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) is het college bevoegd om een auto te laten wegslepen indien met die auto een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en het wegslepen bovendien noodzakelijk is in verband met:

5. het belang van de veiligheid op de weg, of

6. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

7. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Het in deze zaak relevante voorschrift staat in artikel 24, eerste lid aanhef en onder d, sub 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Op grond van deze bepaling mag er niet op een parkeergelegenheid worden geparkeerd op dagen of uren waarop dit blijkens een onderbord is verboden.

Was er sprake van een voldoende kenbaar en duidelijk parkeerverbod?

5. Volgens eiser was niet duidelijk dat op de parkeerplaats een parkeerverbod gold. Het verkeersbord met het parkeerverbod was namelijk niet zichtbaar geplaatst. Om de parkeerplaats te bereiken moest eiser eerst een fietspad oversteken, waarbij fietsers van twee kanten kunnen komen. Daarbij was de aandacht uiteraard volledig gericht op het veilig oversteken van het fietspad. Nadat eiser het fietspad was overgestoken, stond zijn auto direct naast het bord met daarop het parkeerverbod en de wegsleepregeling, en de overige borden. Hierdoor was het bord voor eiser niet zichtbaar. Ook was er verder op de parkeerplaats niet te zien dat er iets bijzonders aan de hand was. De door het college overgelegde foto’s tonen slechts aan dat het bord voor voetgangers zichtbaar was. Niet voor automobilisten omdat zij niet in de positie komen om het bord goed te kunnen zien. Bovendien was de tekst op het verkeersbord klein en vanaf de weg niet goed leesbaar.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat er een parkeerverbod van kracht was. Dat heeft eiser ter zitting ook expliciet bevestigd. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij desalniettemin betwist dat het college bevoegd was om de auto weg te slepen omdat het parkeerverbod niet voldoende kenbaar en duidelijk was.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de situatie ter plekke bepalend is voor de vraag of een parkeerverbod van kracht is. Als uitgangspunt geldt dat elke verkeersdeelnemer zich ervan moet vergewissen wat de op die plek geldende verkeersregels zijn en dat – voor zover dat niet direct duidelijk is – zij nader moeten bekijken wat is aangegeven op een zich ter plaatse bevindend verkeersbord. Daarnaast moet een verkeersdeelnemer een verkeersbord dat als zodanig herkenbaar is, in het belang van de rechtszekerheid en verkeersveiligheid opvolgen, ook al is het verkeersbord niet geplaatst met inachtneming van de geldende (beleids)voorschriften.

Ten tijde van het parkeren door eiser en het wegslepen van zijn auto stond er aan het begin van de parkeerplaats voor het verkeersbord E04, een verkeersbord met de tekst:

“verboden te parkeren i.v.m. Evenement

van: 28-05-2024 18:00u

tot: 06-06-2024 23:00u

uitgezonderd kermisexploitanten

afsleepregeling van kracht”

Dit verkeersbord stond zo goed als haaks ten opzichte van de wegas en bezien vanuit de geldende rijrichting aan de voorkant van de parkeerplaats. De rechtbank overweegt dat verkeersborden in de regel gelden voor het gebied ná het bord, bezien vanuit de richting van waaruit het bord zichtbaar is (de rijrichting). Dat betekent dat het bord met het parkeerverbod gold voor de parkeerplaats die daarachter was gelegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het bord met het parkeerverbod niet juist was geplaatst, ook omdat het direct voor het verkeersbord E04 stond waaraan eiser normaliter had kunnen aflezen dat hij een parkeerplaats op reed. Met het bord op de juiste en gebruikelijke plek is duidelijk gemaakt dat er een tijdelijk parkeerverbod van kracht was. Dat er een fietspad moet worden overgestoken voor het oprijden van de parkeerplaats maakt dat niet anders. Voor zover eiser het verkeersbord over het hoofd zou hebben gezien omdat hij op overstekende fietsers moest letten, was het volgens de hiervoor genoemde rechtspraak aan eiser om zich ervan te vergewissen dat hij mocht parkeren. Eiser had dan dus kunnen teruglopen om de bebording te controleren. Dat eiser daartoe geen aanleiding zag omdat hij vaker op de parkeerplaats had geparkeerd en verder niets bijzonders zag, maakt niet dat het verkeersbord met parkeerverbod onduidelijk of onvoldoende zichtbaar was. Deze beroepsgrond slaagt niet. Er was sprake van een voldoende kenbaar en duidelijk parkeerverbod.

Was het wegslepen noodzakelijk?

7. Eiser stelt dat er nog voldoende ruimte op de parkeerplaats beschikbaar was en dat er bovendien een verkeersregelaar aanwezig was die alles in goede banen kon leiden. De kermis werd niet op de parkeerplaats opgebouwd, maar op een andere locatie. Er was dus geen sprake van een hinderlijke situatie of van onveiligheid. Het direct wegslepen van eisers auto was daarom niet noodzakelijk en het college had kunnen wachten tot eiser weer terug was bij de parkeerplaats.

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Er gold op de parkeerplaats een parkeerverbod omdat de parkeerplaats moest worden vrijgehouden voor het parkeren van de (grote) voertuigen van de kermisexploitanten. De aanwezigheid van de auto van eiser zorgde daarbij (potentieel) voor hinder. Dat blijkt ook uit de overgelegde foto’s waarop is te zien dat er links en rechts van de auto van eiser inmiddels grote voertuigen (marktkramen) stonden. Dat er verder nog voldoende ruimte op de parkeerplaats was op het moment van wegslepen doet daar niks aan af, nu juist die ruimte nog nodig was voor het parkeren van de voertuigen van de kermisexploitanten. Ook het feit dat er een verkeersregelaar aanwezig was maakt dit niet anders. De taak van de verkeersregelaar was namelijk om het parkeren van de kermisexploitanten in goede banen te leiden en niet om een hinderlijke situatie rondom de auto van eiser te voorkomen. Het college heeft voor het wegslepen van de auto nog onderzocht of er een telefoonnummer van eiser bekend was, maar dat bleek niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het noodzakelijk was de auto van eiser te laten wegslepen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beginselplicht tot handhaving

9. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden, is de rechtbank niet gebleken.

Mocht het college de kosten van het wegslepen van de auto op eiser verhalen?

10. Eiser heeft bij het ophalen van zijn auto bij het wegsleepbedrijf de kosten van het wegslepen moeten betalen. Daar is hij het niet mee eens.

11. In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb, staat dat de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. Voor het maken van een uitzondering kan onder meer aanleiding bestaan als de overtreder geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten van de bestuursdwang niet geheel voor rekening van eiser mocht laten komen op de grond dat eiser geen of een minder verwijt valt te maken. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat van een onduidelijke situatie op de parkeerplaats geen sprake was. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk behoorde af te zien van kostenverhaal. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding

13. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit de gemaakte reiskosten, kosten voor opgenomen verlof en de kosten van een proces-verbaal wegens foutief parkeren, tot een totaalbedrag van € 613,85.

14. Op grond van artikel 8:88 van de Awb kan de bestuursrechter een schadevergoeding toekennen indien de schade het gevolg is van een onrechtmatig besluit. In dit geval is daarvan geen sprake. Hiervoor heeft de rechtbank immers al geoordeeld dat het besluit om eisers auto weg te slepen niet onrechtmatig is. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de auto van eiser weggesleept mocht worden en dat eiser daarvoor kosten verschuldigd was. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af.

16. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; en

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025. .

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 december 2025.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Artikel 8:88

1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;(…)

Wegenverkeerswet

Artikel 170

1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

a. het belang van de veiligheid op de weg, of

b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

(…)

Artikel 172

1. Tot de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, worden gerekend:

a. de kosten die verband houden met de overbrenging en bewaring;

b. de kosten die verband houden met de bekendmaking van de beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en

c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging.

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 Artikel 24

1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

(…)

d. op een parkeergelegenheid;

(…)

3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden; (…)

Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens Paragraaf 2. Algemene bepalingen ten aanzien van plaatsing van verkeersborden

6. De waarneembaarheid van verkeersborden moet dag en nacht verzekerd zijn.

7. Borden worden zodanig geplaatst dat zij het zicht op het verkeer of op verkeerstekens niet belemmeren.

8. Borden worden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas geplaatst.

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?