RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/343109 / HA ZA 25-282
Vonnis in incident bij vervroeging van 6 augustus 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEINEKEN NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Heineken,
advocaat mr. S.K. Tuithof,
tegen
1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2],
wonend te [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3],
wonend te [woonplaats 2] ,
4. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 4],
wonend te [woonplaats 1] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. J. Engelmann.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 12
de brief van mr. Engelmann van 26 juni 2025
de akte uitlating aan de zijde van Heineken.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] exploiteerde een café genaamd [naam café] .
Tussen Heineken en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] bestond een overeenkomst voor de levering van diverse soorten bier. 2.3. Tussen [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 4] enerzijds en de Europese Financieringsmaatschappij N.V. (hierna: EFM) anderzijds is op 10 februari 2016 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen. Heineken heeft zich door middel van een akte van borgtocht d.d. 12 februari 2016 jegens EFM bereid verklaard om borg te staan voor [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] .
Op 1 april 2016 is een aanvullende akte van borgtocht tot stand gekomen, waarbij [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3] zich als achterborg garant hebben gesteld voor het geval EFM Heineken uit hoofde van de akte van borgtocht van 12 februari 2016 zou moeten aanspreken. 3. Het geschil
in de hoofdzaak 3.1. Heineken vordert van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] een bedrag voor niet betaalde, maar wel geleverde drankartikelen. Heineken stelt verder dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] haar verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst niet is nagekomen, waarop Heineken, als borg, EFM schadeloos heeft gesteld. Heineken vordert in verband daarmee van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] een bedrag. Ook spreekt Heineken [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 4] , [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 3] aan als hoofdelijk aansprakelijke partij respectievelijk als achterborgen.
in het incident
Mr. Engelmann stelt bij brief van 26 juni 2025 namens gedaagden dat de vordering ten aanzien van gedaagden 2 t/m 4 valt binnen de competentie van de sector kanton. Het verweer van alle gedaagden tegen de vorderingen loopt echter door elkaar heen en overlapt elkaar. Gedaagden verzoeken de zaak op basis van artikel 96 Rv in zijn geheel door te verwijzen naar de sector kanton, waarbij zij zich uitdrukkelijk het recht op hoger beroep voorbehouden. Zij wensen, na verwijzing, een reguliere behandeling van de zaak.
De rechtbank heeft de brief van 26 juni 2025 aangemerkt als een incident tot verwijzing ex artikel 96 Rv en Heineken in de gelegenheid gesteld om te reageren. Heineken heeft ingestemd met de verwijzing, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de mogelijkheid van hoger beroep open blijft staan.
4.De beoordeling in het incident
Heineken heeft afzonderlijke vorderingen ingesteld tegen meerdere partijen (subjectieve cumulatie). In dat geval moet per gedaagde beoordeeld worden welke kamer (kamer voor kantonzaken of kamer voor andere zaken dan kantonzaken) bevoegd is.
De kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen die ingesteld zijn tegen gedaagde 1, omdat de vorderingen I en II bij elkaar opgesteld behoren tot de competentie van die kamer. Dat is anders voor vordering II voor zover die ingesteld is tegen gedaagden 2 tot en met 4, omdat die vordering onder de competentiegrens ligt voor de kamer voor andere zaken dan kantonzaken.
Gelet op de verwevenheid van de vorderingen is het procedureel niet handig als de zaken tussen Heineken en gedaagde 1 enerzijds en tussen Heineken en gedaagden 2 tot en met 4 anderzijds gesplitst worden. Partijen hebben als oplossing voorgedragen om de zaak als geheel met toepassing van artikel 96 Rv te laten afdoen door de kantonrechter van deze rechtbank.
Op grond van art. 96 lid 1 Rv kunnen partijen in zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan, zich samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en zijn beslissing inroepen. Beide partijen hebben ingestemd met verwijzing op grond van dit artikel en eensluidend hebben zij verklaard de mogelijkheid van hoger beroep te willen openhouden. De rechtbank zal de zaak daarom verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Het is aan de kantonrechter om de wijze te bepalen waarop partijen moeten procederen in het kader van artikel 96 Rv.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering toe,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, op 20 augustus 2025 voor beraad kantonrechter,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.