RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/342543 / HA ZA 25-254
Vonnis in incident van 20 augustus 2025
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. G.A.M.F. Spera en mr. N.A.M. Peters,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident,
advocaat mr. M.C.G. Nijssen.
Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 22 juncto 162 juncto 195 Rv strekkende tot afgifte van financiële bescheiden met producties 1 t/m 27,
de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] hebben van 1 februari 2015 tot en met 16 december 2022 samen een vennootschap onder firma gedreven onder de naam [naam VOF] . [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] is per 16 december 2022 uitgetreden, waarna [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] [handelsnaam] heeft voortgezet als eenmanszaak.
Op 29 juni 2023 heeft [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] het document ‘de vaststellingsovereenkomst eindafrekening [naam VOF] ’ ondertekend (productie 15 dagvaarding).
3. Het geschil
in de hoofdzaak
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] , die de (financiële) administratie van de VOF verzorgde, gedurende de periode dat partijen tezamen de VOF dreven aan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] te weinig winst heeft uitgekeerd. Zodoende heeft [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] in strijd gehandeld met het VOF-contract (productie 3 dagvaarding). [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft ook nimmer een rentevergoeding ontvangen over zijn kapitaalrekening. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt daarom (primair) dat hij nog een vordering heeft op [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] uit hoofde van het VOF-contract, welke vordering hij (voorlopig) begroot op € 213.315,00. Subsidiair stelt [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] dat [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door willens en wetens te weinig winst aan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] uit te keren. De tussen partijen gesloten ‘vaststellingsovereenkomst’ is volgens [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] nietig of vernietigbaar.
in het incident
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft enkel de beschikking over de jaarrekeningen over de boekjaren 2015 tot en met 2022. Op basis van die stukken heeft hij een voorlopige berekening gemaakt van het winstaandeel dat hem nog toekomt. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt recht en belang te hebben bij inzage in de financiële (grootboek)administratie van de VOF teneinde zijn vordering definitief te kunnen begroten.
[gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
In artikel 195 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van a) bepaalde gegevens toe aan b) een partij bij een rechtsbetrekking, als zij c) daarbij voldoende belang heeft en d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikt. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet zijn belang daarbij duidelijk omschrijven en zo nodig onderbouwen.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het vereiste van het zijn van “een partij bij een rechtsbetrekking” nu partijen in het verleden een VOF-overeenkomst met elkaar zijn aangegaan, waarin zij de tussen hen geldende rechten en verplichtingen ter zake van het drijven van de VOF hebben neergelegd. Dat deze overeenkomst en ook de VOF thans zijn beëindigd doet daar niet aan af. Daaruit kunnen immers ook op een later moment nog rechten en/of verplichtingen voor de betrokken partijen voortvloeien en dus ook (rechts)vorderingen. Het begrip ‘rechtsbetrekking’ moet bovendien ruim worden opgevat. Daarbij hoeft het bestaan van de rechtsbetrekking nog niet in rechte vast te staan. Anders dan [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] stelt, hoeft daarom niet eerst over het geschil in de hoofdzaak te worden beslist. Een partij kan aanspraak maken op bepaalde gegevens waarover zij zelf niet beschikt teneinde meer duidelijkheid over het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking te verkrijgen.
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft voldoende belang bij zijn verzoek, aangezien inzage essentieel is om de exacte hoogte van het hem (mogelijk nog) toekomende winstaandeel te kunnen bepalen. De ter beschikking staande jaarrekeningen zijn daarvoor kennelijk niet voldoende.
[gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] heeft niet betwist dat hij beschikt over de stukken waarvan inzage wordt gevraagd, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.
Voor zover [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] met zijn vordering heeft bedoeld inzage te verkrijgen in de volledige financiële administratie van de VOF (waaronder ook de grootboekadministratie), stelt [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] terecht dat aan de voorwaarde dat het moet gaan om ‘bepaalde bescheiden’ niet is voldaan. Het vorderen van inzage in de gehele financiële administratie is namelijk te onbepaald en moet daarom worden afgewezen. Wel wijst de rechtbank toe de gevorderde inzage in de financiële grootboekadministratie van de VOF, omdat voldoende duidelijk is om welke bescheiden het concreet gaat.
De slotsom is dat de incidentele vordering van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] – voor zover deze betrekking heeft op de grootboekadministratie van de VOF – zal worden toegewezen. De rechtbank wijst volledigheidshalve op het bepaalde in artikel 194 lid 1, tweede zin: “De partij die om inzage, afschrift of uittrekstel van bepaalde gegevens verzoekt, draagt de kosten die voor de verstrekking daarvan moeten worden gemaakt.”
De rechtbank ziet geen aanleiding een oordeel over de proceskosten in het incident aan te houden totdat in de hoofdzaak is beslist. [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] worden begroot op:
salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II)
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 792,00.
5. De beslissing
in het incident
beveelt [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] inzage te verstrekken in de volledige financiële grootboekadministratie van de voormalige, tussen partijen gedreven, vennootschap onder firma [naam VOF] ,
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 1 oktober 2025 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.