RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/333593 / HA ZA 24-354
Vonnis van 20 augustus 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.E.P. van Geelkerken,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
advocaat: mr. M. Beekes,
hierna te noemen: de Staat
gedaagde partijen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1-5,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] met producties 1-3,
- de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1-3,
- de e-mail van de rechtbank van 18 augustus 2025, waarin de rechtbank partijen informeert dat er aanwijzingen zijn dat de kamer voor kantonzaken bevoegd is,
- de e-mailreacties van partijen van 18 augustus 2025.
Ten slotte is ambtshalve vonnis bepaald op 20 augustus 2025.
2. De beoordeling
In het voornoemde e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, gelet op het beloop van de vordering, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter.
Partijen hebben zich bij e-mailberichten van 18 augustus 2025 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, dan wel zich akkoord verklaard met verwijzing van de zaak naar de kantonrechter van deze rechtbank.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat [eiser] zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, op donderdag 21 augustus 2025 om 9:30 uur,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025
CM