RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/332824 / HA ZA 24-322
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,
tegen
GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL,
te Valkenburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. G.J. Scholten.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juli 2024 met de producties 1 t/m 9- de conclusie van antwoord met de producties 1 t/m 7- de brief van 15 januari 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2025.
Ten slotte is vonnis bij vervroeging bepaald op heden.
2. De feiten
De Gemeente als verhuurster en [eiser] als huurder hebben op 17 juni 2016 een “Huurovereenkomst woonwagenstandplaats & berging” gesloten (hierna te noemen: de huurovereenkomst) (productie 2 bij dagvaarding). De gehuurde standplaats en berging is gelegen aan het adres [adres] te [plaats] . De huurovereenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd met ingang van 1 juli 2016. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden woonwagenstandplaatsen van 20 januari 2007 van toepassing.
Op 31 juli 2018 is bij een inval door de politie eenheid Limburg in verband met het vermoeden van een overtreding van de Opiumwet, in de berging aan de [adres] , 521 gram gedroogde henneptoppen aangetroffen (bestuurlijke rapportage, productie 1 bij conclusie van antwoord).
Bij brief van 22 augustus 2018 heeft de burgemeester van de Gemeente, onder verwijzing naar de bovenstaande bestuurlijke rapportage, [eiser] op de hoogte gesteld van zijn voornemen tot tijdelijke sluiting van bouwwerken aan de [adres] . [eiser] heeft van de bij die brief geboden gelegenheid om tegen de voorgenomen sluiting zijn zienswijze kenbaar te maken geen gebruik gemaakt.
De burgemeester heeft bij besluit van 18 september 2018, op grond van artikel 13b jo. artikel 3 van de Opiumwet, met ingang van 26 september 2018 voor de duur van zes maanden een sluiting van de bouwwerken gelegen op de [adres] gelast (besluit, productie 6 bij dagvaarding). De burgemeester heeft er tevens op gewezen dat is gebleken dat op de standplaats [adres] een schuur/berging en tuinhuis staan en dat er geen woonwagen staat.
[eiser] heeft tegen het primaire besluit van 18 september 2018 bezwaar gemaakt en een (bestuursrechtelijk) verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 15 oktober 2018 afgewezen wegens gebrek aan belang (Deursen woonde niet op de standplaats). Het bezwaar van [eiser] is bij beslissing van 13 december 2018 ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld.
[eiser] heeft een bijstandsuitkering gehad. Die uitkering is bij besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente van 28 december 2018, met ingang van 25 oktober 2018, ingetrokken vanwege – kort gezegd – het niet wonen door [eiser] op het door hem opgegeven adres (productie 7 bij dagvaarding).
De Gemeente heeft bij brief aan [eiser] van 3 januari 2019 de buitengerechtelijke ontbinding als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW van de in 2.1. vermelde huurovereenkomst ingeroepen (productie 8 bij dagvaarding). Tevens heeft de Gemeente [eiser] gewezen op beweerdelijke tekortkomingen als huurder (artikel 6:265 BW) en hem gesommeerd het gehuurde binnen zeven dagen na dagtekening brief te verlaten en te ontruimen.
Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 februari 2019 is de vordering van de Gemeente jegens [eiser] tot – kort gezegd – ontruiming van de standplaats aan de [adres] te [plaats] toegewezen (productie 2 bij conclusie van antwoord).
De officier van Justitie van het Arrondissementsparket Limburg heeft [eiser] bij kennisgeving sepot van 11 november 2019 meegedeeld dat [eiser] niet verder zal worden vervolgd ter zake van het aanwezig hebben van hasjiesj/hennep, gepleegd op 31 juli 2018 (zie 2.2) (productie 3 bij dagvaarding).
Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bestuursrecht, heeft het beroep van [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van 13 december 2018 (zie 2.5) bij uitspraak van 9 januari 2020 ongegrond verklaard.
3. Het geschil
[eiser] vordert, samengevat:
1. een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen als voormalig verhuurster door, als gevolg van de strafrechtelijke verdenking, over te gaan tot ontbinding van de huurovereenkomst en sluiting van de woning en intrekking van zijn uitkeringsrecht;
2. een verklaring voor recht dat [eiser] als gevolg daarvan materiële en immateriële schade heeft geleden en de Gemeente daarvoor aansprakelijk is;
3. de Gemeente te veroordelen om tot volledige schadevergoeding aan [eiser] over te gaan, op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet;
4. de Gemeente te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] in huur ter beschikking te stellen een standplaats, alsmede een woonwagen of vergelijkbare woonruimte op de woonwagenlocatie aan de [adres] te [plaats] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
5. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.
De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat tegen het besluit van de burgemeester tot sluiting van de opstallen aan de [adres] van 18 september 2018 een bestuursrechtelijke weg heeft opengestaan, welke tot in laatste instantie (beroep) is gevolgd door [eiser] . Het beroep van [eiser] is bij uitspraak van 9 januari 2020 ongegrond verklaard en tegen het besluit tot sluiting staat geen civielrechtelijke weg open. Ook de omstandigheid dat de officier van justitie de strafrechtelijke vervolging van [eiser] heeft geseponeerd (zie rov. 2.9) tast de formele rechtskracht van de uitspraak van 9 januari 2020 niet aan. Het burgemeestersbesluit tot sluiting is in rechte onaantastbaar geworden en van de rechtmatigheid van het besluit tot sluiting moet ook hierna worden uitgegaan.
In het licht van de bovenstaande feiten heeft de Gemeente op 3 januari 2019 op grond van artikel 7:231 lid 2 BW bevoegd de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst ingeroepen (productie 8 bij dagvaarding). Die wettelijke regeling biedt de Gemeente immers de bevoegdheid om als verhuurster de huurovereenkomst te ontbinden indien op de standplaats van [eiser] in strijd is gehandeld met artikel 3 Opiumwet en de opstallen op die standplaats om die reden op grond van artikel 13b Opiumwet door de burgemeester zijn gesloten (vgl. bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDA:2018:823). Voor die ontbinding is niet vereist dat [eiser] als huurder (ook) tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst.
[eiser] heeft onvoldoende gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt waarom de Gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik zou hebben mogen maken van haar ontbindingsbevoegdheid zoals hiervoor geoordeeld. [eiser] , die stelt dat sprake is van een onrechtmatige derving van zijn woongenot, heeft immers niet aangetoond dat van een dergelijk genot (belang) sprake is geweest. Zoals eerder door de kantonrechter van deze rechtbank op 28 februari 2019 is overwogen, en ook in deze zaak gemotiveerd door de Gemeente is aangevoerd, en vervolgens onvoldoende door [eiser] is betwist, woonde [eiser] niet op de standplaats, er was zelfs geen woonwagen op de standplaats van [eiser] . Daarbij is relevant dat [eiser] , om te kunnen voldoen aan het bij huurovereenkomst overeengekomen gebruik (bewoning in een woonwagen) zelf moest zorgen voor de plaatsing van zijn/een woonwagen op de door hem van de Gemeente gehuurde standplaats. Niet is aangetoond dat [eiser] het gehuurde in de periode van 1 juli 2016 tot de buitengerechtelijke ontbinding in gebruik had zoals bij huurovereenkomst door partijen over en weer was overeengekomen, namelijk het gebruik van het gehuurde ter bewoning in een woonwagen door [eiser] en zijn gezinsleden. Het gestelde belang woongenot speelde dan ook niet en kan daarom geen rol spelen bij een belangenafweging. Andere mogelijk zwaarwegende belangen aan de zijde van [eiser] zijn niet gesteld en ook is daarvan niet gebleken.
In het verlengde van al het vorenoverwogene ontbeert de stelling van [eiser] dat de Gemeente (toch) onrechtmatig jegens hem zou hebben gehandeld een voldoende onderbouwing. De Gemeente heeft de huurovereenkomst – waaraan [eiser] overigens feitelijk geen uitvoering gaf – bevoegd (op grond van de wet en rechtens relevante feiten) ontbonden en zij hoefde daarop niet terug te komen, ook niet na het sepot op 11 november 2019 van de strafrechtelijke zaak jegens [eiser] . De burgemeesterssluiting is een onaantastbaar en rechtmatig besluit en alleen al op grond daarvan mocht de Gemeente handelen zoals zij in deze zaak heeft gedaan.
Ook de beëindiging van de uitkering van [eiser] kan niet op goede grond aan de Gemeente als verhuurster worden tegengeworpen. Hiertoe wordt overwogen dat de Gemeente bij conclusie van antwoord (nr. 27, tweede alinea) en op de mondelinge behandeling van 25 maart 2025 (proces-verbaal, pagina 2) gemotiveerd heeft aangevoerd dat de uitkering van [eiser] niet is beëindigd als gevolg van de ontbinding van de huurovereenkomst, maar als gevolg van het feit dat [eiser] aan de betreffende gemeentelijke (uitkerende) instantie onjuiste gegevens had verstrekt over zijn woon- of verblijfplaats. De uitkering van [eiser] is stopgezet omdat hij niet verbleef op zijn eigen standplaats, maar woonde bij zijn vrouw op een andere standplaats, aldus de Gemeente. [eiser] heeft dit niet bestreden. De blote stelling van [eiser] dat de Gemeente debet is aan de intrekking van zijn uitkeringsrecht en daardoor onrechtmatig jegens hem zou hebben gehandeld, wordt derhalve verworpen.
Van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de Gemeente in haar handelwijze jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld is derhalve niet gebleken.
Gelet op al het vorenoverwogene moeten de vorderingen 1 tot en met 3 worden afgewezen. Vordering 4 bouwt daar kennelijk op voort en moet om die reden ook worden afgewezen, nog los van het feit dat er geen grondslag voor is gesteld en die ook niet is gebleken.
Doordat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen moet [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.094,00
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.
CM