RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11831479 \ CV EXPL 25-3185
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
GEMEENTE MAASTRICHT,
zetelend te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: gemeente Maastricht,
gemachtigde: Haenen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam onderbewindgestelde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] en [naam onderbewindgestelde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord- de conclusie van repliek.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen, waarna het recht daartoe is komen te vervallen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Bij notariële akte van 19 mei 2020 heeft [naam onderbewindgestelde] het door de gemeente in erfpacht uitgegeven appartementsrecht, rechtgevend op het gebruik van de woning met berging plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] , geleverd gekregen. Als erfpachter is [naam onderbewindgestelde] jaarlijks canon verschuldigd, te voldoen voor 1 februari van ieder jaar.
In voormelde akte is bepaald dat op de akte de bepalingen als opgenomen in de akte van transport op 30 januari 1979 van toepassing zijn (hierna te noemen: algemene erfpachtvoorwaarden, overgelegd als productie 2 bij exploot van dagvaarding). Artikel 6 van de algemene erfpachtvoorwaarden luidt voor zover relevant:
“(…) Heeft de betaling één maand na de vervaldatum nog niet plaats gehad, dan zal de erfpachter een boete verschuldigd zijn ten bedrage van vijf procent van de jaarlijkse canon. Deze boete zal voor elke maand vertraging vervolgens met één procent van de jaarlijkse canon worden verhoogd. (…)”
3. Het geschil
Tegen de achtergrond van deze feiten vordert de gemeente Maastricht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.632,57, bestaande uit € 1.950,48 aan achterstallige canon over de jaren 2024 en 2025 (oftewel de periode
1 februari 2024 tot en met 31 januari 2026), € 354,01 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw en € 328,08 aan vervallen boeterente, vermeerderd met de boeterente over € 1.950,48 vanaf 29 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De gemeente Maastricht heeft [gedaagde] meermaals in de gelegenheid gesteld om de canon te betalen, met steeds een redelijke termijn voor betaling. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [gedaagde] canon verschuldigd is en in verzuim verkeert. De vordering wordt niet bestreden, maar betoogd wordt dat er momenteel niet betaald kan worden. Die betalingsonmacht kan echter niet op de gemeente Maastricht afgewenteld worden, maar komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Het vorenstaande brengt mee dat de gevorderde achterstallige canon van € 1.950,48 zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde boeterente wordt opgemerkt dat nog daargelaten of de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten hier van toepassing is, de rechter een boete ingevolge artikel 6:94 BW, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, kan matigen. Hiermee dient terughoudend omgegaan te worden. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007/262 (Intrahof/Bart Smit).
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval onverkorte toepassing van het boetebeding zou leiden tot een onaanvaardbaar en buitensporig resultaat. Dit boetebeding is bedoeld als prikkel voor de erfpachter om de canon op tijd te betalen. Er wordt aanleiding gezien de vervallen boeterente te matigen tot nihil.
De gevorderde boeterente over de periode vanaf 29 juli 2025 wordt afgewezen. Zoals reeds hiervoor is overwogen, is het boetebeding bedoeld als prikkel voor de erfpachter om de canon tijdig te voldoen. Indien [gedaagde] in gebreke blijft met betaling daarvan, kan de gemeente Maastricht dit vonnis door een deurwaarder ten uitvoer laten leggen. Een prikkel in de vorm van een boetebeding acht de kantonrechter om die reden niet nodig.
De gemeente Maastricht maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De gemeente Maastricht heeft voldoende gesteld dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal dan ook worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente Maastricht worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,73
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.172,73
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente Maastricht te betalen een bedrag van € 2.304,49 ten titel van achterstallige canon en vergoeding buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.172,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
CJ