RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/341629 / HA RK 25-68
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
mr. W.P.R. Peeters
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. S.S. Vijn, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1. De procedure
Ter zitting van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 heeft verzoeker mondeling een wrakingsverzoek gedaan, welk verzoek op de griffie ontvangen is op 13 mei 2025. Het verzoek ziet op de behandeling van de zaak door de rechter op de zitting van 8 mei 2025 van de enkelvoudige kamer, waarin verzoeker als gemachtigde optrad van [eiseres] in [zaaknummer] tegen de minister van Asiel en Migratie.
De rechter heeft per brief van 15 mei 2025 laten weten niet te berusten in de wraking.
De meervoudige kamer heeft het verzoek vervolgens op 5 juni 2025 ter terechtzitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De rechter is eveneens verschenen.
De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek nader toegelicht en de rechter heeft daarop gereageerd.
De datum van de uitspraak is bepaald op 13 juni 2025.
2. De gronden van het verzoek
Verzoeker heeft aangevoerd dat eiseres op de zitting van 8 mei 2025 onvoldoende gelegenheid heeft gekregen haar standpunten toe te lichten door de beslissing van de rechter verzoeker niet in de gelegenheid te stellen zijn pleidooi af te maken en hem meermalen af te kappen. Als gevolg daarvan is volgens verzoeker eiseres in haar recht geschaad en verweerder in de zaak bevoordeeld.
Ook heeft de rechter de behandeling voortgezet en is zij in discussie gegaan, waar zij terstond na het wrakingsverzoek het onderzoek had moeten schorsen.
Verzoeker heeft tevens naar voren gebracht dat het proces-verbaal van de zitting dat is opgemaakt door de griffier en de rechter onjuistheden bevat. Opgenomen is wat volgens verzoeker niet gezegd is en niet opgenomen is wat wel gezegd is. Ook de volgorde van de gang van zaken op de zitting is niet correct weergegeven.
3. Standpunt van de rechter
De rechter heeft te kennen gegeven niet te berusten in de wraking. De rechter ziet geen grond voor twijfel aan haar onpartijdigheid.
4. De beoordeling
Juridisch kader
Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Een processuele beslissing waarin een procesdeelnemer zich niet kan vinden, is op zichzelf geen grond om een wrakingsverzoek toe te wijzen en te oordelen dat deze beslissing de onpartijdigheid van de rechter raakt. Ook de motivering van die beslissing wordt gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in beginsel niet op juistheid of begrijpelijkheid beoordeeld door de wrakingskamer, tenzij de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
De beoordeling van de wrakingskamer
De wrakingskamer ziet geen aanleiding de klacht van verzoeker over de inhoud van het proces-verbaal van de zitting als een omstandigheid te beschouwen die blijk geeft van vooringenomenheid dan wel als een omstandigheid die de vrees voor vooringenomenheid objectief rechtvaardigt. Een proces-verbaal bevat immers een zakelijke weergave van hetgeen gezegd is en wat zich heeft voorgedaan. De gronden van verzoeker zijn in dit proces-verbaal opgetekend. Deze komen op hoofdlijnen overeen met hetgeen verzoeker op5 juni 2025 naar voren heeft gebracht, te weten:
Naar het oordeel van de wrakingskamer betreft de eerste grond geen specifieke procedurele beslissing, maar betreft het de orde van en de regie op de zitting, waaronder het bepalen van de volgorde van het aan de orde stellen van onderwerpen valt. Daarover had de rechter in casu de leiding en zij heeft ter zitting toegelicht wat haar werkwijze zou zijn. Net als bij een procedurele beslissing ligt het, zoals hiervoor gememoreerd, niet voor de hand dat er sprake is van (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid aan de kant van de rechter, als de rechter in het kader van hoor en wederhoor de spreektijd beperkt.
Het is aan de rechter om het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen zoals zij gepast acht. Een procedure dient in zijn geheel genomen fair te zijn verlopen. In zoverre is het wrakingsverzoek als prematuur aan te merken, nu uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, hetgeen door verzoeker ook als juist bevestigd is op de zitting van 5 juni 2025, dat de rechter heeft aangegeven verzoeker nog de gelegenheid te zullen geven het woord te voeren, nadat zij de gemachtigde van verweerder vragen zou hebben gesteld.
Ten aanzien van het moment waarop de rechter het onderzoek heeft geschorst en de manier waarop, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker ten onrechte het standpunt inneemt dat een rechter niet meer praten mag, zodra een partij een wrakingsverzoek doet. Uit het proces-verbaal van de zitting maakt de wrakingskamer op dat de rechter, nadat verzoeker haar gewraakt heeft, tegen de griffier heeft gezegd dat zij de wrakingsgronden gaat vragen en dat de griffier deze kan noteren. Vervolgens is verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn wrakingsgronden op te geven en zijn deze in het proces-verbaal opgenomen. De wrakingskamer ziet hierin geen grond om deze gang van zaken niet correct te achten.
Conclusie
De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden leveren geen uitzonderlijke omstandigheid op waaruit zou moeten volgen dat de rechter vooringenomenheid koestert of dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt. Evenmin kunnen de aangevoerde feiten en omstandigheden enige vrees voor vooringenomenheid objectief rechtvaardigen. De slotsom is dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.
5. De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is op 13 juni 2025 gegeven door mr. H.E.G. Peters, voorzitter,
mr. M.T.A.C. Russel, mr. J.M.E. Derks, bijgestaan door mr. A.P. Jansen, als griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier.