RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/333917 / HA ZA 24-373
Vonnis van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. de Rooij te Den Haag,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D.E.J. Maes te Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 8,- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie met de producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 9 tot en met 18,- de brief van 15 januari 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging aanvullende producties, met de producties 5 tot en met 13 van [gedaagde] ,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de pleitaantekening van [gedaagde] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 februari 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] is eigenaar van de woning aan het [adres 1] te Maastricht. [gedaagde] is eigenaresse van de woning aan het [adres 2] te Maastricht. De percelen van partijen grenzen zijdelings aan elkaar.
Partijen hebben de woningen (beiden als eerste eigenaar) na de oplevering in 2006 betrokken. In 2021/2022 is [eiser] verhuisd naar een andere woning en verhuurt hij zijn woning aan het [adres 1] te Maastricht. [gedaagde] woont (nog steeds) in de woning aan het [adres 2] .
[gedaagde] heeft in 2006 in haar achtertuin drie bomen op een rij geplant langs de erfafscheiding met het achtergelegen perceel. De meest linker boom (hierna: “de boom”) staat tevens bij de erfafscheiding met het perceel van [eiser] . De situatie is als volgt:
In 2024 heeft [eiser] per WhatsAppbericht aan [gedaagde] voor het eerst geklaagd over de boom en verzocht om verwijdering.
De erfafscheiding in de achtertuinen tussen de beide percelen van [eiser] en [gedaagde] bestaat uit een hekwerk met klimop.
In de voortuin van [eiser] bevindt zich een taxushaag die grenst aan de oprit van [gedaagde] .
3. Het geschil
In conventie
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] zal veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een nadere door de rechtbank in redelijkheid te bepalen termijn, de (beuken)boom die zich bevindt binnen een afstand van twee meter van de erfgrens met het perceel van [eiser] , te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel deze te verplaatsen op een afstand van (minimaal) twee meter uit de erfgrens tussen beide percelen, dan wel deze in te korten en ingekort te houden op zodanige wijze dat deze niet hoger reikt dan de hoogte van de op de erfgrens aanwezige scheidsmuur, zulks op straffe van een dwangsom ter grootte van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] met de nakoming aan haar verplichtingen uit dit vonnis in gebreken mocht blijven,
2. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder inbegrepen een bedrag voor het salaris van de advocaat van [eiser] en te vermeerderen met de nakosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagde] vordert dat de rechtbank:
1. zal bepalen dat [eiser] zijn medewerking moet verlenen tot het verplaatsen van de erfafscheiding op de kadastrale grens, binnen veertien dagen na een verzoek van [gedaagde] daartoe, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-,
2. zal bepalen dat [eiser] zijn taxushaag binnen twee weken na dit vonnis moet snoeien tot op de erfgrens en gesnoeid moet houden tot op de erfgrens, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-,
3. [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van de gemachtigde (de rechtbank begrijpt: de advocaat) van [gedaagde] daaronder begrepen.
[eiser] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
Afstand van de boom tot de erfgrens
Partijen discussiëren over de aanwezigheid van de boom op het perceel van [gedaagde] .
Volgens [eiser] dient de boom verwijderd, gesnoeid of verplaatst te worden. Hiertoe stelt hij het volgende. De boom bevindt zich binnen de verboden afstand tot de grenslijn gelegen tussen de percelen van beide partijen. Met een hoogte van zes meter is de boom ook te hoog en zorgt de boom voor schaduw in de tuin van [eiser] waardoor het gras in de hoek bij de boom langdurig vochtig en drassig blijft. Daarnaast zorgen de bladeren die van de boom vallen voor overlast in de tuin van [eiser] . Er is sprake van een onrechtmatige situatie, aldus nog steeds [eiser] .
[gedaagde] betwist voornoemde stellingen en voert aan dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de boom zich binnen de verboden zone langs de grenslijn zou bevinden. Daarnaast ontbreekt volgens [gedaagde] het belang van [eiser] bij zijn vorderingen omdat hij zelf niet meer in de woning woont en in de 19 jaar dat de boom er staat nog nooit heeft geklaagd. Tot slot kan [eiser] geen overlast hebben van de boom omdat de boom geen zon of uitzicht wegneemt, aldus [gedaagde] .
In beginsel staat het de eigenaar van een perceel vrij om dit in te richten zoals hij wil, mits dat niet in strijd is met de rechten van anderen en wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. Artikel 5:42 BW vormt een wettelijke begrenzing op dit punt: volgens het eerste lid van dit artikel is het niet geoorloofd om binnen een bepaalde afstand van de grenslijn van een anders erf – onder andere – bomen te hebben staan, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Deze afstand bedraagt volgens artikel 5:42 lid 2 BW voor bomen twee meter vanaf het midden van de voet van de boom, tenzij ingevolge een verordening of plaatselijke gewoonte en kleinere afstand is toegelaten. Een nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van (onder andere) bomen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven (artikel 5:42 lid 3 BW).
Tussen partijen is niet in geschil dat de boom als ‘boom’ gekwalificeerd dient te worden. Daarnaast staat voldoende vast dat de boom hoger reikt dan de scheidsmuur tussen de erven. Ter zitting heeft [gedaagde] immers verklaard dat de boom reikt tot de dakgoot van de eerste verdieping van de achterburen, hetgeen evident hoger is dan de scheidsmuur. De centrale vraag is echter of de boom te dicht op de grenslijn staat. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat de van toepassing zijnde Bomenverordening van de gemeente Maastricht geen van artikel 5:42 BW afwijkende regels bevat met betrekking tot de afstand van een boom tot de grenslijn. Ook een plaatselijke gewoonte die een kleinere afstand toelaat, is in dit geval niet gebleken. Dit betekent dat de ‘verboden zone’ in dit geval tot twee meter vanaf de erfgrens loopt.
[eiser] heeft middels een foto met daarop afgebeeld een meetlint gemotiveerd gesteld dat het midden van de boom op een afstand van 139 centimeter van de erfgrens staat. [gedaagde] heeft daartegenover enkel als verweer gevoerd dat de kadastrale erfgrens zeven centimeter verder ligt dan de feitelijke erfafscheiding. Echter, zelfs als zou worden aangenomen dat het standpunt van [gedaagde] klopt en de kadastrale erfgrens inderdaad zeven centimeter verder zou liggen, dan staat het midden van de boom op een afstand van 146 centimeter van de erfgrens en daarmee alsnog binnen de verboden zone zoals bedoeld in artikel 5:42 lid 1 BW. De stelling van [eiser] is daarmee door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat de boom zich binnen de verboden zone bevindt. Deze toestand is in beginsel onrechtmatig en [eiser] is bevoegd om opheffing van deze toestand te vorderen. [gedaagde] heeft echter als (meest verstrekkend) verweer hiertegen gevoerd dat sprake is van misbruik van recht ex artikel 3:13 BW. Dit verweer kan eventueel in de weg staan aan een beroep op artikel 5:42 BW. Of dit beroep slaagt zal de rechtbank hierna beoordelen.
Misbruik van recht
Op grond van artikel 3:13 lid 1 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden, of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval iemand, vanwege de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). [gedaagde] stelt dat [eiser] , gelet op een afweging van de wederzijds betrokken belangen, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn recht had kunnen komen. Het is daarbij aan [gedaagde] om voldoende feiten te stellen, en eventueel te bewijzen, op grond waarvan tot een dergelijk misbruik kan worden geconcludeerd. De door partijen naar voren gebrachte belangen zijn als volgt.
[eiser] voert aan dat hij wel degelijk belang heeft bij verwijdering van de boom, omdat de boom zorgt voor schaduw – waardoor het gras in de hoek van de tuin lang vochtig en drassig blijft – en overlast door bladeren in zijn tuin. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] hieraan toegevoegd dat hij ook belang bij verwijdering heeft, omdat in de toekomst mogelijk één van zijn kinderen de woning zal gaan bewonen en dan last zou kunnen hebben van de boom. [eiser] heeft de vordering mede ingesteld om te voorkomen dat de vordering tegen die tijd is verjaard.
Het belang van [gedaagde] bij behoud van de huidige situatie is er in gelegen dat haar privacy door de boom wordt gewaarborgd. Ze stelt hiertoe dat haar achtertuin door de boom wordt afgeschermd tegen inkijk van de achterburen. Daarnaast brengt verwijdering van de boom volgens haar hoge kosten met zich mee en is verplaatsing niet mogelijk omdat de boom dan zal afsterven. Omtrent de vordering van [eiser] tot het snoeien van de boom heeft [gedaagde] gesteld dat de boom jaarlijks al helemaal wordt teruggesnoeid.
Hoewel dit leerstuk terughoudend moet worden toegepast, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in dit geval misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot verwijdering, verplaatsing, dan wel forse inkorting van de boom. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vast staat dat [eiser] de woning momenteel niet zelf bewoont. Door [gedaagde] is ter zitting verklaard dat de huurders aan haar te kennen hebben gegeven geen last te hebben van de boom. [eiser] heeft dit niet weersproken en heeft evenmin zelf een verklaring van de huurders overgelegd waaruit zou blijken dat deze wél overlast zouden ervaren. Daar komt bij dat [eiser] de gestelde bladoverlast onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij al jaren overlast ervaart door de bladeren die volgens hem continu van de boom vallen. Nu [gedaagde] dit gemotiveerd heeft betwist door aan te voeren dat de boom een bladhoudende soort betreft die in maart in een periode van drie weken alle bladeren verliest, had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank merkt daarbij op dat op de foto’s die [eiser] heeft overgelegd geen bladafval te zien is.
De gestelde schaduwoverlast is ook betwist door [gedaagde] en niet nader onderbouwd door [eiser] . [gedaagde] heeft in dat verband onbetwist gesteld dat de achtertuinen van de percelen op het zuiden gericht zijn. Mede gelet daarop acht de rechtbank het, voor zover er op de door [eiser] overgelegde foto’s slechte plekken in het gras aanwezig zijn en/of schaduw zichtbaar is – ook gelet op de plaats en vorm van die plekken – met [gedaagde] , aannemelijker dat dit wordt veroorzaakt door andere factoren, zoals de garage van de achterburen van [eiser] of het hek met de klimop tussen de percelen van partijen, dan door de boom.
Bij het voorgaande weegt de rechtbank mee dat niet in geschil is dat [eiser] nooit heeft geklaagd over de boom in de zestien jaar dat hij de woning zelf bewoonde. Aan de niet nader gemotiveerde stelling van [eiser] (desgevraagd ter zitting) dat hij eerder niet over de boom heeft geklaagd om de burenrelatie met [gedaagde] goed te houden, gaat de rechtbank voorbij, nu dit de rechtbank – indien [eiser] daadwerkelijk zoveel last van de boom zou hebben gehad – weinig aannemelijk voorkomt en bovendien enige onderbouwing van die stelling ontbreekt.
Het toekomstige belang dat [eiser] aanvoert, inhoudende dat één van zijn kinderen de woning later eventueel zal gaan bewonen, is naar oordeel van de rechtbank een te ver verwijderd belang. Immers, op dit moment is niet duidelijk of en zo ja wanneer een van de kinderen de woning dan zal gaan bewonen. Hetzelfde geldt voor het – daarmee samenhangende – belang van [eiser] dat hij wil voorkomen dat zijn vorderingsrecht verjaart: het enkele uitoefenen van een vorderingsrecht om deze reden, zonder dat daarbij een concreet materieel belang bestaat, staat niet in evenredig verband tot de belangen van [gedaagde] .
Op grond van het voorgaande moet de conclusie luiden dat enig concreet belang aan de zijde van [eiser] bij zijn vordering – waaronder ook de vordering tot terugsnoeien – ontbreekt. Daar tegenover staat dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verwijdering van de boom als gevolg heeft dat zij inkijk in haar tuin heeft van de achterburen en dat verwijdering van de boom hoge kosten met zich zal brengen. De rechtbank acht het verder – gelet op de door [gedaagde] overgelegde producties 11 en 12 – voldoende aannemelijk dat de boom een verplaatsing niet zal overleven. De blote betwisting van [eiser] doet daar niets aan af.
Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige onevenredigheid tussen het (niet voldoende onderbouwde) belang van [eiser] bij uitoefening van zijn bevoegdheid om beëindiging van de strijdige situatie te vorderen en het belang van [gedaagde] dat daardoor wordt geschaad, dat de door [eiser] ingestelde vordering kwalificeert als misbruik van recht. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde] behoeven geen bespreking meer.
Proceskosten
[eiser] zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten inclusief nakosten. De berekening van de proceskosten en nakosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis.
In reconventie
In reconventie discussiëren partijen over de taxushaag van [eiser] . Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag waar de kadastrale erfgrens tussen beide percelen loopt. Deze punten zullen achtereenvolgens beoordeeld worden.
Taxushaag
[gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld tot het snoeien – en gesnoeid houden – van zijn taxushaag tot op de erfgrens, op straffe van een dwangsom. Hiertoe stelt [gedaagde] dat de haag zorgt voor overlast en onrechtmatige hinder op haar oprit omdat de haag flink (in de breedte) groeit en niet voldoende wordt gesnoeid. De haag verkleint de oprit van [gedaagde] , waardoor het lastig is om met een fiets langs een op de oprit geparkeerde auto te lopen. Daarnaast kan de haag mogelijk schade veroorzaken aan een op de oprit van [gedaagde] geparkeerde auto vanwege de sterke takken, aldus nog steeds [gedaagde] .
[eiser] betwist dat de taxushaag overhangt en dat deze niet gesnoeid zou worden. [eiser] voert aan dat deze minimaal twee keer per jaar wordt gesnoeid en dat het feitelijke belang van [gedaagde] bij deze vordering dus ontbreekt. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] foto’s van de haag als productie 14 in het geding gebracht.
De grondslag van de vordering van [gedaagde] is onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. In dat artikel is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een andere wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaren van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Voorts dient onder meer rekening te worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Bij de vaststelling of sprake is van onrechtmatige hinder gaat het om objectieve gegevens en niet om wat in de subjectieve beleving van de betrokkenen als hinder kan worden ervaren.
Naar het oordeel van de rechtbank is, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] , door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van overhangende takken die zodanige hinder en/of schade opleveren dat sprake is van een onrechtmatige situatie in de zin van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 5:37 BW, die door [eiser] als eigenaar van de haag zou moeten worden opgeheven. Op basis van de door beide partijen overgelegde foto’s is dit niet aannemelijk geworden. De rechtbank benadrukt daarbij dat buren over en weer – binnen zekere grenzen – enige hinder van elkaar hebben te dulden. De rechtbank zal deze vordering van [gedaagde] onder 2. dan ook afwijzen.
Erfgrens
[gedaagde] stelt dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen in de achtertuin niet gelijk is aan de feitelijke erfafscheiding en dat om die reden de feitelijke erfafscheiding (een hekwerk met klimop) moet worden verplaatst. Daarbij voert zij aan dat de kadastrale erfgrens direct in het verlengde van de punt van haar garage loopt, maar dat het hekwerk uit praktische overwegingen niet aan dat puntje van de garage is bevestigd, maar een stukje ‘naar binnen’ (de rechtbank begrijpt: op haar perceel). Hierdoor staat de erfafscheiding niet op de kadastrale grens, maar op haar perceel. Het verschil is circa zeven centimeter, aldus [gedaagde] .
[eiser] betwist dit standpunt onder verwijzing naar een plattegrond van de verkoopbrochure van de woningen en een luchtfoto. Volgens [eiser] is het hekwerk precies op de kadastrale erfgrens geplaatst. [eiser] doet tevens een beroep op artikel 5:36 BW. Voor zover de erfafscheiding zich niet op de kadastrale erfgrens zou bevinden en [gedaagde] toch zou persisteren in haar verzoek tot verplaatsing terwijl geen sprake is van een significante overschrijding, is er volgens [eiser] sprake van misbruik van bevoegdheid.
Op grond van artikel 5:36 BW geldt het wettelijk vermoeden dat het midden van een hek dat als afscheiding van twee erven dient, de grens tussen die twee erven vormt. Het midden van het hekwerk wordt dus vermoed de grens tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde] te vormen, behoudens tegenbewijs. Dit wettelijk vermoeden is naar oordeel van de rechtbank voldoende door [gedaagde] ontzenuwd, omdat zij heeft aangevoerd dat de kadastrale erfgrens in het verlengde van de punt van haar garage loopt, terwijl de erfafscheiding op circa zeven centimeter van die hoek aan haar garage is bevestigd. Voorshands is niet aannemelijk dat de kadastrale erfgrens door de garage van [gedaagde] heen zou lopen. Daarmee staat echter nog niet vast waar de kadastrale erfgrens dan wel loopt. Uit de door partijen overgelegde stukken kan de rechtbank dit niet opmaken. De rechtbank acht het voor de beoordeling van de vordering in reconventie onder 1. daarom geraden dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen van partijen wordt gereconstrueerd door het Kadaster.
De rechtbank is in dat verband voornemens een landmeter, specialist grensreconstructie bij het Kadaster, als deskundige te benoemen en aan deze de volgende vraagstelling voor te leggen:
1. Waar loopt de kadastrale grens in de achtertuinen tussen het perceel gelegen aan het [adres 2] te [woonplaats] (nr. [kadasternummer 1] ) en het perceel gelegen aan het [adres 1] te [woonplaats] (nr. [kadasternummer 2] )? Gelieve dit voor partijen zichtbaar te maken in de tuin(en) en hiervan (zoals gebruikelijk) door middel van een grensreconstructie/meetschets verslag te doen;
2. Hoe verhoudt de feitelijke erfafscheiding (het hekwerk) zich tot de gereconstrueerde kadastrale grens? Op welk perceel bevindt zich deze afscheiding en wat is de afstand tot de kadastrale grens? Gelieve de beantwoording van deze vragen ook schriftelijk vast te leggen (al dan niet in voornoemde meetschets).
Het voorschot voor de kosten van deze grensreconstructie zal bij [gedaagde] in rekening worden gebracht, nu de inbreng van de deskundige ten dienste staat van de grondslag van haar vordering in reconventie. De rechtbank zal bij het Kadaster navraag doen omtrent de hoogte van dit voorschot en partijen hierover nader berichten.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de voorgenomen benoeming van een deskundige en de voorgestelde vraagstelling. De zaak zal daartoe op de rol van 16 juli 2025 worden geplaatst.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 16 juli 2025 voor uitlating van partijen met betrekking tot de voorgenomen benoeming van een deskundige en de voorgestelde opdracht,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
DS