RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/340587 / HA ZA 25-144
Vonnis in incident van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ,
wonende te [woonplaats ] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. R.L.H. Hambuckers,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] , handelend onder de naam
[handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats ] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. B.H.A. Augustin.
Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 21,
de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot opheffing conservatoir beslag,
de conclusie van antwoord in het incident met productie 22.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De relevante feiten in het incident
Partijen hebben een (mondelinge) overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met betrekking tot de renovatie van het woonhuis van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] aan de [adres] te [woonplaats ] .
Bij brief van 23 augustus 2024 heeft [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in gebreke gesteld en verzocht c.q. gesommeerd om de overeengekomen werkzaamheden deugdelijk uit te voeren en op te leveren.
Bij brief van 26 september 2024 heeft [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] de aanneemovereenkomst ontbonden.
Tot zekerheid van zijn vordering(en) heeft [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] - na een daartoe op 20 februari 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verkregen verlof - op 12 maart 2025 conservatoir beslag gelegd op diverse bankrekeningen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] , alsook op roerende zaken (gereedschappen) van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] welke zich op moment van beslaglegging in de woning van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] bevonden en welke [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] bij [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft achtergelaten.
3. Het geschil in het incident
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
het conservatoir beslag op de zaken als beschreven onder randnummer 6 van zijn conclusie van antwoord/eis in het incident opheft, en
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] beveelt om binnen twee dagen na het vonnis in incident de voormelde zaken af te geven aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] , op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 30.000,00,
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] te veroordelen in de kosten van het incident.
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft zijn incidentele vordering ingesteld als (het treffen van) een voorlopige voorziening. Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding en moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Verder moet [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] voldoende belang hebben bij de voorlopige voorziening, in die zin dat niet van hem gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gevorderde voorziening samenhangt met de vordering(en) in de hoofdzaak, waarin [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] onder meer heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst(en) is of zijn ontbonden en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] te veroordelen € 51.499,63 aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] te betalen.
Ter onderbouwing van zijn vordering tot (in ieder geval) opheffing van het beslag verwijst [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] naar het beslagverbod zoals opgenomen in artikel 447 lid 1 onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welke bepaling volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] (in dit geval) analoog zou moeten worden toegepast op het conservatoir beslag. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] kan daarin niet worden gevolgd, alleen al omdat deze bepaling ziet op hetgeen zich bevindt in de woonruimte van de beslagene terwijl de roerende zaken waarop het beslag is gelegd zich bevinden bij [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] .
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft niet gesteld dat een van de (niet-limitatieve) gronden voor opheffing van het beslag zoals genoemd in artikel 705 lid 2 Rv zich voordoet, zodat ook dat niet kan leiden tot toewijzing van de vordering. Verder geldt dat de vordering in het incident kennelijk is ingesteld met de afgifte van de thans nog in de woning van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] aanwezige gereedschappen aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] tot doel. De zaken bevinden zich echter niet bij [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] als gevolg van het beslag zodat opheffing van het beslag op zichzelf dus niet zou leiden tot afgifte. De, overigens door [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] betwiste, stelling van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] dat hij de zaken nodig heeft voor zijn werk kan om die reden niet dienen ter onderbouwing van de vordering tot opheffing van het beslag. Een andere (al dan niet impliciete) onderbouwing van de vordering die strekt tot opheffing van het beslag ontbreekt.
De vordering tot afgifte van de zaken is niet anders onderbouwd dan met de stellingen die zien op opheffing van het beslag en moet om die reden worden afgewezen. Voor zover [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] toch bedoeld heeft op een andere grond de afgifte te vorderen, heeft te gelden dat hij dat niet heeft uitgewerkt zodat hij zijn vordering ook in dat geval onvoldoende heeft onderbouwd. Dit vanwege het feit dat [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] klaarblijkelijk met een beroep op het retentierecht de zaken onder zich houdt en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] niet heeft gesteld waarom daaraan voorbij zou moeten worden gegaan.
De rechtbank zal vanwege het voorgaande de vorderingen afwijzen. Omdat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in het ongelijk wordt gesteld, zal de rechtbank [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] veroordelen tot betaling van de proceskosten van het incident.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 614,00 aan salaris advocaat,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2025 voor opgave verhinderdata partijen over de maanden oktober tot en met december 2025,
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op
2 juli 2025.