RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/321407 / HA ZA 23-370
Vonnis van 9 juli 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.L.M. Martens,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 januari 2025,
- de akte van [gedaagde] van 19 maart 2025 met de producties 4 tot en met 7,
- de akte van [eiseres] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld een precieze(re) berekening over te leggen van Achmea van het door hem tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen en de aanspraak van 50% hierop van [eiseres] .
Vooreerst verzoekt [gedaagde] de rechtbank om terug te komen op haar beslissing dat het pensioen van [gedaagde] voor 50% dient te worden verdeeld, nu over de verdeling, zo hebben partijen in meergenoemd artikel 4 van het convenant afgesproken, nog nadere afspraken moeten worden gemaakt “ten aanzien van de verdere effectuering van de verdeling van het door de man opgebouwde pensioen,” en derhalve ook over het percentage van de verdeling.
Bij akte heeft [eiseres] gereageerd op het verzoek van [gedaagde] en gesteld dat het verdelingspercentage van 50% dat de rechtbank voornemens is toe te passen voortvloeit uit het bepaalde in artikel 3:166 lid 2 BW.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechter kan alleen terugkomen op een bindende eindbeslissing als deze berust op een foutieve juridische of feitelijke grondslag. Van beide gevallen is geen sprake. De rechtbank ontkomt er in dit verband niet aan haar eerdere motivering in het tussenvonnis te herhalen en, waar mogelijk, nader uit te leggen. Zoals overwogen in dat tussenvonnis is een beperkte gemeenschap ontstaan met de afspraak van partijen dat het door [gedaagde] opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk tussen partijen zal worden verdeeld (rov. 2.5 van het tussenvonnis), zijnde een (later) gemaakte uitzondering op de bij huwelijkse voorwaarden gemaakte uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap, hetgeen partijen uiteraard vrij stond en rechtens geoorloofd is. Deze beperkte gemeenschap – het tijdens het huwelijk door [gedaagde] opgebouwde pensioen – dient thans te worden verdeeld. Immers, een deelgenoot kan niet worden gehouden in onverdeeldheid te blijven. Dat die verdeling al heeft plaatsgevonden, zoals bepleit door [gedaagde] , acht de rechtbank onjuist, zo wordt andermaal overwogen. De bewoordingen van het convenant wijzen heel duidelijk in die richting. Daarin staat expliciet en met zoveel woorden dat het pensioen ‘zal worden verdeeld’ en dat de verdeling niet reeds (heeft plaatsgevonden) maar nog moet plaatsvinden. Daarbij komt, zoals ook [eiseres] terecht heeft gesteld in voormelde akte, dat áls de verdeling reeds zou hebben plaatsgevonden, er geen enkel aanknopingspunt is voor de vraag hoe die dan is verdeeld, derhalve welk deel dan aan [eiseres] en welk deel aan [gedaagde] is toegedeeld, hetgeen derhalve niet het geval is geweest. Bovendien geldt het volgende. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 3:166 lid 2 BW ieder der deelgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de gemeenschap heeft, waarbij irrelevant is hoeveel een ieder daaraan heeft bijgedragen, blijft de rechtbank bij haar beslissing dat de aanspraak van [eiseres] hierop 50% is. Dit kan op grond van een rechtshandeling, bijvoorbeeld een (nadere) overeenkomst tussen partijen, anders zijn. Hiervan is echter geenszins gebleken, de intentie van partijen in het convenant ten spijt. Een andere verdeelsleutel is ook niet aan de orde geweest noch (vóór de akte van [gedaagde] ) expliciet aan de orde gesteld door [gedaagde] . Sterker nog, [gedaagde] is zelf ook uitgegaan van een aanspraak van [eiseres] van 50%. Ter zitting merkt de advocaat van [gedaagde] immers op (onderstreping is van de rechtbank):
“Ik merk in aanvulling op mijn zittingsaantekeningen het volgende op. Partijen zijn (in art. 4 van het convenant) afgeweken van het systeem van de Wvps waarin de man en de vrouw over en weer verevenen. Zij hebben het anders geregeld, namelijk in die zin dat er alleen een vorderingsrecht van [eiseres] bestaat op (de helft) van het pensioen van [gedaagde] . (…).”
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van [gedaagde] om terug te komen op de hiervoor besproken eindbeslissing afwijzen.
[gedaagde] heeft aangegeven niet (meer) in staat te zijn een precieze(re) berekening van het door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen te geven. Gelet hierop zal de rechtbank, zoals overwogen in rov. 4.8 van het tussenvonnis, genoegen dienen te nemen met de door Achmea dienaangaande verrichte indicatieve berekening. Een ander aanknopingspunt heeft de rechtbank immers niet. Nu [eiseres] haar vorderingen heeft gebaseerd op de berekeningen van Achmea en [gedaagde] die berekeningen an sich niet heeft bestreden, zijn deze naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing vatbaar, zulks op de hierna in het dictum aangegeven wijze. Wat [gedaagde] voor het overige heeft aangevoerd, te weten dat hij een bruto bedrag van € 106.548,00 van zijn voormalige werkgever (in zijn toenmalige stamrecht BV) heeft ontvangen, werpt hier geen ander licht op. Hetzelfde geldt voor diens stelling dat hij, zo begrijpt de rechtbank, het convenant onder tijdsdruk heeft getekend zonder volledig te begrijpen wat erin stond en zonder de inhoud besproken te hebben met de toenmalige mediator van partijen, mr. Ummelen, omdat dit voor rekening en risico komt van [gedaagde] en hij dit [eiseres] niet kan tegenwerpen.
Partijen zij gewezen echtgenoten van elkaar, reden waarom de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 38.629,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding (10 augustus 2023) tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 501,49 per maand vanaf 1 april 2023, te vermeerderen met de door Achmea per 1 januari van ieder jaar, voor het eerst per 1 januari 2024, betaalbaar te stellen toeslagverlening, zolang partijen in leven zijn;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.