RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/337664 / HA ZA 25-11
Vonnis in incident van 9 juli 2025
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie in de hoofdzaak, eisers in het incident,
hierna te noemen: [eisers]
advocaat mr. P.J.H.C. Glenz,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
3. [gedaagde sub 3],
4. [gedaagde sub 4],
allen wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie in de hoofdzaak, eisers in reconventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagden sub 1 t/m 4] (dan wel ieder afzonderlijk: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] ),
advocaat mr. K. Hoeveler,
5. [gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,
advocaat mr. D.G.A. Rossi.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 20,
de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 5] ,
de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie van [gedaagden sub 1 t/m 4] met producties 1 t/m 17,
de conclusie van antwoord ex artikel 118 Rv van [eisers] (de rechtbank begrijpt: de incidentele conclusie ex artikel 118 Rv).
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De relevante feiten in het incident
Gedaagden sub 1 tot en met 4 ( [gedaagden sub 1 t/m 4] ) en eisers ( [eisers] ) zijn buren. Zij wonen allen aan de [straatnaam] te [woonplaats] ; gedaagden sub 1 en 2 op nummer [nummer 1] , gedaagden sub 3 en 4 op nummer [nummer 2] en eisers op nummer [nummer 3] . Gedaagde sub 5, [gedaagde sub 5] , woont aan de [adres] te [woonplaats] .
3. Het geschil
In de hoofdzaak
in conventie
[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
gedaagden sub 1 t/m 5 hoofdelijk beveelt dat zij het erf van eisers niet meer betreden en berijden voor zover de betreding en het berijden niet noodzakelijk is in verband met de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid ter plaatse ( [straatnaam] [nummer 4] t/m [nummer 1] te [woonplaats] ), zulks binnen twee dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00, voor iedere dag dat gedaagden hoofdelijk niet aan het vonnis voldoen;
voor recht verklaart dat eisers gerechtigd zijn om hun erf en de ter plaatse geldende erfdienstbaarheid af te bakenen met het plaatsen van een erfafscheiding vanaf hun woning aan beide zijden ten opzichte in rechte lijn van de woningen [nummer 2] en [nummer 1] , waardoor de oppervlakte welke alsdan wordt afgebakend 53 m2 bedraagt;
gedaagden sub 3 en 4 veroordeelt tot het verwijderen van de klimop op de scheidingsmuur welke eigendom is van eisers en de witte beschildering op de mandelige muur van eisers en gedaagden sub 3 en 4, zulks binnen twee weken na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00, voor iedere dag dat gedaagden sub 3 en 4 hoofdelijk niet aan het vonnis voldoen,
gedaagden veroordeelt in de proceskosten.
Gedaagden voeren verweer. [gedaagden sub 1 t/m 4] concluderen daarbij tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] nu zij hebben nagelaten de heer [naam eigenaar] , eigenaar van perceel [straatnaam] [nummer 4] , in de procedure te betrekken. De tussen [eisers] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] geldende rechtsverhouding is immers processueel ondeelbaar, reden waarom het noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, aldus [gedaagden sub 1 t/m 4]
in reconventie
[gedaagden sub 1 t/m 4] vorderen – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair
[eisers] , hoofdelijk, gelast c.q. veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd te houden van camera’s, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
Subsidiair
[eisers] , hoofdelijk, gelast c.q. veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, over te gaan tot het vergrendelen en afschermen en vergrendeld en afgeschermd te houden van vier camera’s, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
II. Primair
[eisers] , hoofdelijk, veroordeelt tot het binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, de voortuin te ontruimen, althans het verwijderen en verwijderd houden van alle roerende zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
Subsidiair
[eisers] , hoofdelijk, gelast c.q. veroordeelt tot het binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak, terugbrengen van de voorzijde van hun woning in de staat van oprit, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
III. [eisers] , hoofdelijk, gebiedt om [gedaagden sub 1 t/m 4] en eenieder die [gedaagden sub 1 t/m 4] toegang tot zijn eigendom wenst te verlenen, onbeperkt, onvoorwaardelijk en zonder belemmeringen gebruik te laten maken van de oprit van [eisers] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,
IV. [eisers] hoofdelijk, dat als de een betaalt de ander daarvan is bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak aan [gedaagde sub 1] betaalt de buiteengerechtelijke kosten van € 1.119,25 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V. [eisers] hoofdelijk, dat als de een betaalt de ander daarvan is bevrijd, veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
In het incident
[eisers] vorderen om op grond van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hen toe te staan om de heer [naam eigenaar] , wonende aan de [straatnaam] [nummer 4] te [woonplaats] , in het geding te betrekken en op te roepen tegen een door de rechtbank te bepalen terechtzitting, teneinde als partij aan de procedure deel te nemen. [eisers] hebben nagelaten om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding op te roepen en verzoeken daarom de rechter hen de gelegenheid te geven daar alsnog toe over te gaan binnen een door de rechter te stellen termijn.
4. De beoordeling in het incident
Een beroep op de exceptio plurium litis consortium, oftewel een processueel ondeelbare rechtsverhouding, kan slechts slagen als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten opzichte van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen hetzelfde luidt. Daarbij gaat het erom of een niet tussen alle betrokkenen bij die rechtsverhouding gewezen uitspraak een ‘rechtens in beginsel onhanteerbare situatie’ veroorzaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier aan de orde. Het onderhavige geschil ziet op de rechtsverhouding tussen alle bewoners van de onroerende zaken staande en gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats] nummers [nummer 4] tot en met [nummer 1] . In de als productie 18 bij dagvaarding overgelegde akte van levering is daarover het volgende opgenomen.
“ OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN EN/OF BIJZONDERE VERPLICHTINGEN
Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar voormelde akte van verkrijging door verkoper in welke akte ondermeer de navolgende bepalingen werden opgenomen en de navolgende erfdienstbaarheden werden gevestigd, woordelijk luidende als volgt:
(…)
8. Voorzover de bij deze akte geconstateerde overdracht betrekking heeft op de in het Uitbreidingsplan “Haanrade” begrepen en aan de [straatnaam] te [woonplaats] gelegen kavel nummers [nummer 4] tot en met [nummer 1] , wordt bij deze ten behoeve van deze kavels als heersende erven en ten laste van de stroken grond gelegen voor de op deze kavels te bouwen woningen of anderszins, een en ander zoals op de aan deze akte gehechte tekening in rode kleur is aangegeven, als lijdende erven, over en weer gevestigd de erfdienstbaarheid van oprit van en naar de [straatnaam] te [woonplaats] .(…)”
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een erfdienstbaarheid van oprit waarbij de percelen [straatnaam] [nummer 4] tot en met [nummer 1] over en weer als heersende en lijdende erven hebben te gelden. De vorderingen van [eisers] in conventie kunnen daarom ook het perceel [straatnaam] [nummer 4] betreffen, reden waarom [eisers] in de gelegen gesteld zullen worden de eigenaar van perceel nummer [nummer 4] op de voet van artikel 118 Rv door oproeping in de procedure te betrekken.
5. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2025 en geeft [eisers] de gelegenheid om de eigenaar van het perceel [straatnaam] [nummer 4] te [woonplaats] tegen die roldatum in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv,
bepaalt dat de zaak vervolgens zal worden verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord waarin de eigenaar van het onder 5.1 van dit vonnis genoemde perceel zijn standpunt kenbaar kan maken,
verwijst de zaak naar de rol van 20 augustus 2025 voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eisers] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.