RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/342165 / HA ZA 25-240
Vonnis (bij vervroeging) van 9 juli 2025
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
beiden wonend te [woonplaats 1] ,
eisers,
advocaat mr. C. Canters,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. S.M.M. Hamers.
Partijen zullen hierna [eisers] . en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de rolbeslissing van 11 juni 2025
de akte uitlaten bevoegdheid van [eisers] .
de akte uitlating van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Bij rolbeslissing van 11 juni 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of sprake is van vorderingen betreffende een consumentenkoopovereenkomst en dus over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
Beide partijen kunnen zich verenigen met het voornemen om de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken.
Nu niet is betwist dat in onderhavige zaak sprake is van een gemengde overeenkomst, zodat de overeenkomst dient te worden aangemerkt als een consumentenkoop, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 93 aanhef en onder c Rv, de zaak in de staat en stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
[gedaagde] heeft verzocht [eisers] . te veroordelen in de proceskosten. Nu de rechtbank de bevoegdheid zelf bij rolbeslissing heeft opgeworpen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
3. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 23 juli 2025 om 10.00 uur voor conclusie van antwoord,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.