ECLI:NL:RBLIM:2025:12664

ECLI:NL:RBLIM:2025:12664, Rechtbank Limburg, 16-07-2025, C/03/334643 / HA ZA 24-413

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 16-07-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer C/03/334643 / HA ZA 24-413
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Op grond van overeenkomst van aanneming van werk wordt keermuur opgericht die ongeveer zes jaar later omvalt. Aannemer is niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat aan de hand van een deskundigenbericht wordt vastgesteld dat de keermuur is omgevallen als gevolg van aanpassingen aan een belendend perceel in combinatie met keuzes van de opdrachtgever. Niet is gebleken dat de aannemer daarmee rekening moest houden of anderszins verantwoordelijk voor is.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/334643 / HA ZA 24-413

Vonnis van 16 juli 2025

in de zaak van

[eiseres] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.P.C. Hendriks,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. L.E. van Hevele.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de akte overlegging producties van [eiseres] met producties 1 tot en met 9 en 11 tot en met 14, - de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overleggen nadere producties tevens houdende akte vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 15 tot en met 20,

- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Hendriks voorgedragen spreekaantekeningen,

- het namens [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde stuk, zoals nader omschreven in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juni 2025,

- het e-mailbericht van 19 juni 2025 met productie van [eiseres] .

Bij het sluiten van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiseres] voert een onderneming die zich onder andere bezighoudt met grondverzet, groentechniek en loonwerk. [gedaagde] voert een onderneming die zich bezighoudt met het produceren en leveren van bouwmaterialen.

[gedaagde] heeft in 2008 in opdracht van [eiseres] op een perceel van [eiseres] een keermuur opgericht die was gemaakt van betonnen blokken. De keermuur is op of nabij een perceelsgrens geplaatst.

Aan de zijde van het perceel van [eiseres] waarbij de keermuur was geplaatst, grenst dit perceel deels aan het perceel van [naam BV] (hierna: [naam BV] ). In 2013 en/of 2014 heeft [naam BV] werkzaamheden op haar perceel laten uitvoeren, in ieder geval bestaande uit het deels afgraven van het perceel, het aanbrengen van een talud en het plaatsen van een keerwand op eigen perceel, evenwijdig aan het talud.

Op of omstreeks 29 juli 2014 is de keermuur op het perceel van [eiseres] over een lengte van ongeveer 30 meter omgevallen.

In opdracht van [eiseres] , [gedaagde] en [naam BV] en/of hun verzekeraars hebben verschillende deskundigen onderzoek gedaan naar de oorzaak van het omvallen van de keermuur. Deze deskundigen wijzen niet allen dezelfde oorzaak of oorzaken aan.

Op verzoek van [eiseres] heeft deze rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast en A.F. van Weele, verbonden aan IFCO Funderingsexpertise BV, als deskundige benoemd. Deze is – kort gezegd – opdracht gegeven de oorzaak van het omvallen van de keermuur te onderzoeken. Het deskundigenrapport is op 31 augustus 2021 opgemaakt.

3. Het geschil

Na vermeerdering van eis vordert [eiseres] - samengevat – dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van het omgaan van de keermuur wegens een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomst althans wegens een gebrek in de door [gedaagde] gerealiseerde keermuur,

II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 135.835,00 ter vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, te vermeerderen met wettelijke rente,

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.867,15 ter vergoeding van de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een vergoeding in verband met de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toepasselijk recht

De vorderingen van [eiseres] houden grotendeels verband met de tussen partijen gesloten overeenkomst, op basis waarvan [gedaagde] de keermuur heeft geplaatst. Partijen stellen beiden dat op deze overeenkomst het Belgische recht van toepassing is.

Omdat de overeenkomst is gesloten in 2008, moet het toepasselijke recht worden vastgesteld aan de hand van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 en 2 van dat verdrag en gegeven het feit dat [gedaagde] , die ook toentertijd in België was gevestigd, de kenmerkende prestatie moest verrichten, sluit de rechtbank zich aan bij het standpunt van partijen.

Soort overeenkomst

[eiseres] heeft in de dagvaarding gesteld dat [gedaagde] zich middels de met [eiseres] gesloten overeenkomst heeft verbonden tot het plaatsen van een keermuur. [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord gesteld dat de overeenkomst (primair) te kwalificeren is als een overeenkomst van aanneming van werk. Tijdens de mondeling behandeling is namens [gedaagde] geopperd dat er geen overeenkomst van aanneming van werk maar een overeenkomst tot (alleen) het leveren van betonblokken is gesloten. In reactie daarop is namens [eiseres] aangevoerd dat in de offerte, op basis waarvan de overeenkomst is uitgevoerd, melding wordt gemaakt van het realiseren van een keermuur.

[gedaagde] heeft niet betwist dat de overeenkomst met [eiseres] is uitgevoerd op basis van de door haar uitgebrachte offerte en dat daarin is vervat dat [gedaagde] de keermuur zou realiseren. Ook staat vast dat [gedaagde] niet alleen de betonnen blokken heeft bezorgd bij [eiseres] maar daarmee ook ter plaatse de keermuur heeft gemaakt. Verder gegeven het feit dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord ook zelf uitgaat van een overeenkomst van aanneming van werk, concludeert de rechtbank dat de tijdens de mondelinge behandeling namens [gedaagde] opgeworpen suggestie van (alleen) een koopovereenkomst moet worden gepasseerd. De daarbij aangehaalde omstandigheden – dat [eiseres] zelf voor een fundering moest zorgen, dat [eiseres] zelf opdracht hebben gegeven voor (kort gezegd) een constructieberekening en dat [eiseres] een keuze hebben gemaakt ten aanzien van de plaatsing van de steunberen – maken dat niet anders. Deze omstandigheden zijn op zichzelf niet in tegenspraak met een door partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk en doen er in het bijzonder niet aan af dat [gedaagde] ter plaatse een muur heeft gemaakt zoals tevoren ook geoffreerd en niet enkel betonnen blokken (of een kant-en-klare muur) heeft geleverd.

De rechtbank neemt dus als vaststaand aan de tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten. Deze zal hierna kortweg ‘de overeenkomst’ worden genoemd.

Tekortkoming?

[eiseres] baseert haar vordering op de stelling dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Deze tekortkoming zou volgens [eiseres] hebben geleid tot het omvallen van de keermuur.

Concrete stellingen over tekortkoming

In de dagvaarding concretiseert [eiseres] haar standpunt aan de hand van de volgende stellingen:

a. a) [gedaagde] heeft geen ontwerpberekening gemaakt voorafgaand aan de realisatie van de keermuur

b) hierdoor is bij het plaatsen van de keermuur onvoldoende rekening gehouden met de samenstelling van de ondergrond

c) hierdoor is bij het plaatsen van de keermuur onvoldoende rekening gehouden met (zak)water

d) de keermuur voldoet- mede gelet op het voorgaande – niet aan de relevante (standaard)norm NEN 9997-1

[gedaagde] stelt dat [eiseres] met haar stellingen verwijst naar verplichtingen die geen onderdeel uitmaakten van de aan [gedaagde] verleende opdracht. Ten aanzien van punt a heeft [gedaagde] er meer specifiek op gewezen dat een door [eiseres] ingeschakelde adviseur ( [naam adviseur] ) voorafgaand aan het plaatsen van de keermuur een ontwerpberekening heeft gemaakt en aangevoerd dat het maken van een (dergelijke) berekening (dan ook) niet behoorde tot de verplichtingen van [gedaagde] .

Naar aanleiding van het verweer van [eiseres] ten aanzien van punt a heeft [eiseres] herhaald dat zij vindt dat [gedaagde] een ontwerpberekening had moeten maken, maar niet nader toegelicht op grond waarvan moet worden aangenomen dat de overeenkomst [gedaagde] daartoe verplichtte. Gezien het gemotiveerde verweer van [gedaagde] , heeft [eiseres] haar standpunt dus in zoverre onvoldoende onderbouwd. Dat [gedaagde] in een offerte nadat de keermuur was omgevallen, het maken van een constructieberekening opneemt doet daar niet aan af. Die offerte is uitgebracht nadat en met de wetenschap dat de keermuur is omgevallen en verwijst naar ‘de zwaardere belasting van de muren vanwege de veranderende (sic) situatie’ en naar een berekening van een door [gedaagde] ingeschakelde deskundige die in het bijbehorende rapport als volgt concludeert: ‘In hoofdstuk 4 is de oude en de gewijzigde situatie beschreven. Daarbij wordt een plausibele verklaring gegeven, dat door de gewijzigde situatie het regenwater zich heeft verzameld achter de onlangs bezweken keerwand. Uit de controle berekening in hoofdstuk 5 blijkt dat de krachten die daarbij optreden veel te groot zijn en dat de wand rekenkundig niet voldoet. De wand is bezweken als direct gevolg van de horizontale waterdruk.’ Deze deskundige heeft dus geconcludeerd dat de wijziging in de situatie als gevolg van de werkzaamheden op het perceel van [naam BV] heeft geleid tot het omvallen van de muur. Gegeven die informatie is te verklaren dat [gedaagde] daarmee in haar offerte rekening houdt, wat op zichzelf niets zegt over de inhoud van hetgeen in 2008 tussen partijen is overeengekomen.

De tussenconclusie is dat het in de dagvaarding onder a gemaakte verwijt niet opgaat, in die zin dat niet kan worden vastgesteld dat is overeengekomen dat [gedaagde] een ontwerpberekening zou maken of dat [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] dat zou doen.

De punten onder b, c en d betreffen geen aparte verwijten maar conclusies die [eiseres] verbindt aan punt a, zodat deze in zoverre zelfstandige betekenis missen. Wel begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiseres] aldus dat zij (ook) meer in het algemeen stelt dat [gedaagde] in 2008 geen deugdelijke keermuur heeft geplaatst waardoor deze in 2014 is omgevallen en dat zij dat (mede) betoogt aan de hand van de middels punten b, c en d aan de orde gestelde kwesties en onder verwijzing naar het voorlopig deskundigenbericht (waarin deze punten ook aan de orde komen). De rechtbank zal op deze stellingname hierna ingaan.

Deugdelijke keermuur?

Bij de verdere beoordeling wordt voorop gesteld dat geen van partijen (gemotiveerd) heeft betoogd dat het voorlopig deskundigenbericht geheel of deels niet zou mogen worden gevolgd. Omdat het rapport, naar het oordeel van de rechtbank, logisch en begrijpelijk is, wordt daarbij aangesloten.

Aan de deskundige is onder meer de vraag voorgelegd naar – kort gezegd – de oorzaak van het omvallen van de keermuur en daarbij ‘een onderscheid te maken tussen oorzaken die zijn gelegen in eventuele gebreken aan de fundering van de keermuur en fouten en/of onjuistheden in de statische berekening van [naam adviseur] van 1 september 2018 enerzijds en eventuele gebreken aan de keermuur zelf anderzijds.’ Ten aanzien van de – door een ander dan [gedaagde] gemaakte – fundering van de keermuur concludeert de deskundige dat deze voldeed en dus geen rol heeft gespeeld bij het omvallen van de muur. Volgens de deskundige is keermuur omgevallen onder invloed van verschillende factoren.

De deskundige noemt als een oorzaak dat er een grotere grondkerende hoogte bestond dan in de berekeningen aangenomen. Daarmee bedoelt de deskundige dat de tegen de muur gelegen grond hoger kwam dan in de berekening van (onder andere) [naam adviseur] voorzien was. Hoe hoger deze grondkerende hoogte, des te geringer de stabiliteit, aldus de deskundige.

Een tweede oorzaak vindt de deskundige in het feit dat er (door [eiseres] ) een waterdichte folie aan de achterzijde van de keermuur is aangebracht. Daardoor heeft zich over de volledige hoogte van de keermuur waterdruk kunnen opbouwen.

Als derde oorzaak noemt de deskundige de omstandigheid dat de (door of in opdracht van [eiseres] gemaakte) drain aan de achterzijde van de keermuur, onjuist is aangelegd. Omdat deze drain is aangebracht in de van nature aanwezig leemlaag en leem een slecht waterdoorlatende grondsoort is, kon water dat zich achter de keermuur verzamelde de drain niet (voldoende snel) bereiken. Ook plaatst de deskundige vraagtekens bij de capaciteit van de drain.

Tot slot noemt de deskundige in antwoord op voormelde vraag het geaccidenteerde terrein. Daardoor konden in relatief korte tijd grote hoeveelheden neerslag toestromen. De deskundige refereert eraan dat er ten tijde van het omvallen van de keermuur (29 juli 2014) sprake was van ernstige wateroverlast, waardoor het akkerland achter de keermuur blank heeft gestaan. Als gevolg daarvan kon zich (grond)waterdruk over de volledige hoogte van de keermuur ontwikkelen. Door het blank staan van het akkerland achter de keermuur, werd er een grotere horizontale kracht door het water op de bovenzijde van de keermuur uitgeoefend. Een tweede effect was, aldus de deskundige, dat als gevolg van de regenval het leem verzadigd raakte en daardoor plastischer werd, waardoor ook de gronddruk op de keermuur werd verhoogd. Als gevolg daarvan zal de keermuur iets zijn gaan wijken. De spleet die daardoor ontstond tussen de keermuur en de grond, werd direct opgevuld met het oppervlaktewater waardoor de horizontale belasting op de bovenzijde verder werd vergroot, wat weer leidde tot een grotere vervorming (vooroverbuigen) van de keermuur en het verder naar beneden doorlopen van de spleet etc.

Gevraagd of er nog andere oorzaken aan te wijzen dan die zijn genoemd in de eerdere vraagstelling, geeft de deskundige het volgende aan:

‘Indien voorkomen had kunnen worden dat het akkerland achter de keermuur blank kwam te staan c.q. indien voorkomen had kunnen worden dat de (grond)waterdruk achter de keermuur zich volledig kon ontwikkelen, zou de keermuur (hoogstwaarschijnlijk) niet zijn omgevallen. Dit is de belangrijkste oorzaak (>75%).

Hetzelfde kan natuurlijk gezegd worden met betrekking tot het ontwerp van de keermuur. Indien bij het ontwerp van de keermuur rekening was gehouden met de volledige waterdruk tegen de achterzijde van de keermuur, dan zou deze (aanzienlijk) steviger zijn ontworpen en had de keermuur de waterdruk (en gronddruk) kunnen weerstaan.’

De deskundige is verder gevraagd of de keermuur voorafgaand aan de aanpassingen op het perceel van [naam BV] stabiel was. Hij antwoordt als volgt:

‘Nee, omdat in het ontwerp van de keermuur niet / onvoldoende rekening is gehouden met de opbouw van waterdruk tegen de achterzijde van de keermuur.

Voordat de aarde (sic) wal aan de zijde van [naam BV] was aangebracht, kon het oppervlaktewater afstromen in de richting van het (huidige) perceel van [naam BV] . Hierdoor werd voorkomen dat het akkerland blank kwam te staan en dat daardoor in de periode 2008 – 2014 kennelijk zich niet een situatie voordeed waarbij de (grond)waterdruk achter de keermuur zich kon opbouwen.

Gevraagd naar de invloed van de werkzaamheden op het perceel van [naam BV] op de stabiliteit van de keermuur, antwoord de deskundige als volgt:

‘De door [naam BV] uitgevoerde werkzaamheden hebben uitsluitend indirect invloed gehad op de horizontale druk die op de keermuur werd uitgeoefend. Door het aanbrengen van de ca. 0,5 m hoge aardewal (het talud, opmerking rechtbank), kon de neerslag niet wegvloeien en kwam het akkerland aan de achterzijde van de keermuur blank te staan. Als gevolg hiervan kon de (grond)waterdruk op de keermuur zich volledig ontwikkelen met het omvallen van de keermuur tot gevolg.

Echter, had men bij het ontwerp van de keermuur rekening gehouden met de (volledige) opbouw van de waterdruk aan de achterzijde van de keermuur of had met een juiste drainage aan de achterzijde van de keermuur aangebracht, dan zou de keermuur – zelf bij een ondergelopen akkerland – stabiel zijn gebleven.’

Uit de toelichtingen van de deskundige, in onderling verband gelezen, leidt de rechtbank het volgende af voor wat betreft de oorzaak van het omvallen van de keermuur.

De keermuur is omgevallen als gevolg van de waterdruk die zich aan de achterzijde ervan heeft opgebouwd. Dat kon gebeuren doordat, als gevolg van de aanpassingen op het perceel van [naam BV] , het regenwater, anders dan voorheen, niet kon wegvloeien. Bovendien was er geen adequate drainage gerealiseerd. De aangebrachte plastic folie heeft ervoor gezorgd dat de waterdruk zich over de volledige hoogte van de keermuur kon opbouwen.

In het antwoord op de hiervoor als eerste besproken vraag, heeft de deskundige ook een grotere grondkerende hoogte benoemd, maar dat blijkt volgens zijn toelichting (elders) in het rapport niet doorslaggevend te zijn geweest. Daarin staat immers dat de keermuur niet zou zijn omgevallen zonder de aanpassingen bij [naam BV] en de verhoogde waterdruk die daarvan – in combinatie met de aangebrachte plastic folie en gebrekkige drainage – het gevolg. De keermuur zou dus niet als gevolg van enkel de verhoogde gronddruk door de hogere grondkerende hoogte zijn omgevallen.

De rechtbank merkt nog op dat sommige opmerkingen van de deskundige aanleiding zouden kunnen geven om aan te nemen dat hij het aandeel van de aanpassingen bij [naam BV] in de oorzaak van het omvallen van de keermuur relativeert. Hij antwoordt (letterlijk gelezen) namelijk dat de keermuur ook al voorafgaand aan de aanpassingen bij [naam BV] niet voldoende stabiel was en dat die werkzaamheden ‘uitsluitend indirect invloed’ hebben gehad op het omvallen van de muur. Uit de daarbij gegeven toelichting en uitleg blijkt echter dat de deskundige bedoelt dat de keermuur niet (mede) is omgevallen door de aanpassingen bij [naam BV] op zichzelf, maar (wel) door de gevolgen van die aanpassingen voor de waterdruk op de keermuur. Daartegen was de gerealiseerde keermuur niet bestand.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens [eiseres] verklaard dat een medewerker van ingenieursbureau [naam ingenieursbureau] heeft gezegd dat de keermuur op enig moment sowieso zou zijn omgevallen. Dat staat echter niet in het rapport van dat bureau en blijkt ook niet uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige, terwijl evenmin bekend is wat de medewerker van [naam ingenieursbureau] precies en in welke context heeft gezegd. Aan die opmerking namens [eiseres] moet de rechtbank dan ook voorbij gaan.

Het moet er dus voor worden gehouden dat de keermuur is omgevallen als gevolg van de aanpassingen op het perceel van [naam BV] in combinatie met de keuzes van [eiseres] over het aanbrengen van de plastic folie en de wijze waarop een drainage is aangebracht. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de prestatie van [gedaagde] daarom als ondeugdelijk zou moeten worden beschouwd. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] de veranderingen op het perceel van [naam BV] en de gevolgen daarvan had moeten voorzien. Niet is gesteld dat [gedaagde] enige betrokkenheid heeft gehad bij de keuzes ten aanzien van de plastic folie en de drainage of daar anderszins verantwoordelijkheid voor heeft te nemen. Voor zover de grondkerende hoogte toch een factor van belang zou zijn, heeft te gelden dat [eiseres] niet heeft gesteld dat [gedaagde] rekening moest houden met een hogeren grondkerende hoogte of om een andere reden verantwoordelijk is voor de mogelijke gevolgen daarvan.

De enkele omstandigheid dat, zoals de deskundige vaststelt, het mogelijk was om een keermuur te maken die de later verhoogde waterdruk had kunnen weerstaan, maakt ook niet dat [gedaagde] tekort is geschoten. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde] zich heeft verplicht een muur op te richten die (iedere) op het moment van plaatsen niet bekende of voorzienbare verhoging van waterdruk zou moeten kunnen weerstaan. Dat de aanpassingen van [naam BV] en de gevolgen daarvan bekend of voorzienbaar waren, is evenmin gesteld.

De slotsom is dat [eiseres] niet wordt gevolgd in haar stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

Namens [eiseres] is tijdens de mondelinge behandeling aanvullend het verwijt naar voren gebracht dat de steunberen van de keerwand (conform verzoek van [eiseres] ) aan de binnenzijde van de keerwand zijn geplaatst en niet aan de buitenzijde of aan beide zijden. Ook hier verwijst [eiseres] naar de offerte die [gedaagde] uitbracht na het omvallen van de keerwand, stellende dat die offerte voorziet in steunberen aan beide zijden. Zoals hiervoor al is overwogen ten aanzien van de ontwerpberekening, geldt echter dat uit het enkele feit dat de offerte van na het omvallen van de keermuur bepaalde werkzaamheden of specificaties vermeldt die geen onderdeel uitmaakten van de uitvoering van de opdracht in 2008, niet kan worden afgeleid dat die werkzaamheden of specificaties deel uitmaakten van de opdracht die in 2008 aan [gedaagde] is verstrekt. Bovendien heeft de deskundige de plaatsing van de steunberen niet als een van de oorzaken voor het omvallen van de keermuur geduid. De aanvullende stelling van [eiseres] leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

De rechtbank merkt tot slot op dat [eiseres] niet heeft uitgelegd op welk gebrek in de keermuur zij doelt in het tweede deel van de middels vordering I gevorderde verklaring voor recht (‘althans wegens een gebrek in de door [gedaagde] gerealiseerde keermuur’) en ook niet waarom een aansprakelijkheid van [gedaagde] daarvoor anders dan op grond van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst kan worden gebaseerd. Ook is niet gesteld dat wordt gedoeld op een ander gebrek dan gesteld ter onderbouwing op het beroep op tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Dit deel van de vordering heeft dus geen zelfstandige betekenis, althans daarover is onvoldoende gesteld.

Slotoverwegingen

De vorderingen I en II van [eiseres] zijn niet toewijsbaar, in ieder geval omdat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank heeft er niet voor gekozen het meer verstrekkende verjaringsverweer voorop te stellen omdat voor de beoordeling van dat verweer een nader onderzoek naar de toepasselijke Belgische regels noodzakelijk zou zijn, terwijl dat dus niet nodig is om tot een eindoordeel te komen.

Met het afwijzen van de hoofdvordering, is er ook geen plaats voor het toewijzen van de nevenvordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten (vorderingen III en IV). Ook deze vorderingen worden dus afgewezen.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

6.617,00

- salaris advocaat

3.858,00

(2 punten × € 1.929,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.653,00

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 10.653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op

16 juli 2025.

BdB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?