RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/342531 / HA ZA 25-252
Vonnis in incident van 23 juli 2025
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
advocaat mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
1. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
2. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
3. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 3],
wonend te [woonplaats 1] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna te noemen: [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] ,
advocaat mr. M.J.J.E. Stassen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv met producties 1 t/m 13
de incidentele conclusie van antwoord met producties 1 en 2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten voor zover belang in dit incident
Tussen partijen bestaat een geschil over de uitoefening van jachtrechten op een jachtveld, een en ander zoals bedoeld in (een bijlage bij) de Omgevingswet. Kort gezegd zijn partijen het erover oneens of het betreffende jachtveld gesplitst moet worden in een deel voor [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] en een deel voor [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident]
Partijen zijn allen lid van de vereniging WBE (‘wildbeheereenheid’) Savelsbos, hierna: WBE, via welke vereniging (naar de rechtbank begrijpt) de jachtvelden van de leden worden beheerd. In de statuten van de WBE is voorzien in een geschillenregeling. [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] hebben met een beroep op die geschillenregeling het geschil over de splitsing van het jachtveld voorgelegd de Stichting Geschillenafhandeling Landelijke Jagersverenigingen. De geschillencommissie van deze stichting heeft vervolgens op 28 maart 2025 als volgt geoordeeld:
“7. Beslissing:
De Geschillencommissie oordeelt als volgt:
1. Op basis van hetgeen hiervoor is overwegen concludeert de geschillencommissie dat
er geen sprake van een combinatie tussen [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 2] , [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 1] en [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] welke
over en weer verplichtingen jegens elkaar schept. Enkel het feit dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident]
mag jagen binnen het jachtveld 28 betekent niet dat er sprake is van een combinatie.
2. [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] heeft een redelijk belang bij wijzing van de situatie in veld 28 middels
splitsing en vastlegging van de grenzen en om die reden acht de Geschillencommissie
het verzoek toewijsbaar. Daarbij neemt de Geschillencommissie in aanmerking, dat
de WBE heeft aangeven dat het voorstel tot splitsing in haar ogen een voor alle
partijen aanvaardbare oplossing zou kunnen zijn maar dat zij enkel toe overgaat door
beide partijen om deze splitsing verzocht wordt.
3. Gezien het ontbreken van een materieel belang bij [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] dient
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] mee te werken aan een eensluidend bericht aan de WBE Savels bos
om een splitsing van het jachtveld 28 te bewerkstellingen overeenkomstig de door
[gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] hiervoor voorgestelde wijze. Deze splitsing behelst overigens ook niet
meer dan een formele vastlegging van hetgeen wat feitelijk al aanwezig is, namelijk
twee gescheiden jachtvelden. Bij weigering door [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] binnen 14 dagen na een eerste verzoek hiertoe, wordt deze beslissing geacht in de plaats van het verzoek
van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] , strekkende tot splitsing, te gelden.
Deze uitspraak dient tevens als vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 12 van het,
aan partijen verstrekte, “Reglement Bindend Advies”.”
3. 3. Het geschil
in de hoofdzaak
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt dat de geschillencommissie niet bevoegd was om over het geschil te beslissen en dat ook de inhoud van het bindend advies in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde is, zodat gebondenheid aan het advies onaanvaardbaar is. Hij vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. het bindend advies primair nietig zal verklaren, subsidiair zal vernietigen c.q. vernietigd zal verklaren;
2. [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.
in het incident
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] vordert dat de rechtbank – bij wijze van voorlopige voorziening –de tenuitvoerlegging van het bindend advies zal schorsen en [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] zal verbieden het bindend advies ten uitvoer te leggen en zal bevelen om de tenuitvoerlegging van het bindend advies gestaakt te houden en voor zover met de tenuitvoerlegging is begonnen, deze te staken, zulks op straffe van een dwangsom.
De beoordeling van het incident
Ter onderbouwing stelt [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] een dringend belang te hebben bij het schorsen van de tenuitvoerlegging van het bindend advies voor de duur van de (bodem)procedure. Hij stelt daartoe dat hij heeft vernomen dat de WBE op korte termijn verdere actie zal ondernemen met het oog op de splitsing van het jachtveld. Als verdere uitvoering wordt gegeven aan het bindend advies dan moeten de in dat verband getroffen maatregelen ongedaan gemaakt worden, indien [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in het gelijk wordt gesteld in de bodemprocedure. Ter uitvoering van het bindend advies zal de WBE nieuwe ‘toestemmingen buiten gezelschap’ moeten verstrekken, deze moeten dan eventueel later weer worden ingetrokken. Verder stelt [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] dat de WBE voornemens is om het gesplitste jachtveld dat aan [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 1] en [gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 2] is toegewezen, toe te voegen aan een aangrenzend jachtveld. Dit leidt ertoe dat bij het aantasten van het bindend advies (door de nietigheid althans vernietiging) het jachtveld niet meer hersteld kan worden. Dit is volgens [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] onomkeerbaar, aangezien daarvoor de instemming en medewerking nodig is van anderen, die niet bij deze procedure betrokken zijn. Bovendien kan [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in het huidige jachtveld geen schadelijk wild meer bestrijden, hetgeen noodzakelijk is, nu sommige percelen in het gesplitste jachtveld door [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] worden bewerkt ten behoeve van de teelt van biologisch tarwe en andere biologische akkerbouwgewassen.
[gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] voeren verweer. Primair stellen zij dat de tenuitvoerlegging van het bindend advies, te weten de splitsing van het jachtveld, ligt bij de WBE. [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] hebben na het bindend advies een verzoek tot splitsing gedaan bij de WBE. [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft dit niet gedaan, zodat de WBE – conform de inhoud van de uitspraak – de uitspraak mocht beschouwen als een verzoek tot splitsing van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] . Vervolgens heeft de WBE in een bestuursvergadering ingestemd met de splitsing. [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] stellen niet bij machte te zijn het besluit van de WBE eenzijdig terug te draaien of tegen te houden, zodat [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] niet aan de incidentele vordering kunnen voldoen.
Het primaire verweer van [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] slaagt. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een vordering die strekt tot het schorsen van de tenuitvoerlegging van het besluit of bindend advies van de geschillencommissie tegen [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] zou kunnen worden ingesteld en/of dat [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] een rol spelen bij de of enige uitvoering van het besluit/bindend advies. In diens onderbouwing verwijst [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] ook enkel naar beweerdelijke besluiten en vervolgstappen die WBE voornemens is te nemen. De overige verweren van [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] hoeven niet meer te worden besproken
[eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident] tot op heden begroot op € 614,00 te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak op de rol staat van 6 augustus 2025 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.