RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/342544 / HA ZA 25-255
Vonnis in incident van 23 juli 2025
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident]
pro sé en in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. R.A.C. Snel,
tegen
1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] ,
pro sé en in hoedanigheid van executeur-/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.C.A. Geerts,
2. [gedaagde in de hoofdzaak sub 2],
wonende te [woonplaats 3] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
3. [gedaagde in de hoofdzaak sub 3],
wonende te [woonplaats 4] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
4. [gedaagde in de hoofdzaak sub 4],
wonende te [woonplaats 5] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
5. [gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats 6] ,
gedaagde,
niet verschenen,
6. [gedaagde in de hoofdzaak sub 6],
wonende te [woonplaats 7] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] en [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 29,
de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid,
de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat gedaagden hoofdelijk, dan wel gedaagde sub 1 pro sé en in zijn hoedanigheid van executeur, gehouden zijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] te betalen een bedrag van € 323.897,35, althans € 175.122,00, althans € 161.948,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW van de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om na betekening van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,
gedaagden hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, dan wel gedaagde sub 1 pro sé en in zijn hoedanigheid van executeur, veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] , te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] legt daaraan het volgende ten grondslag. [erflater] (hierna: erflater) en [erflaatster] (hierna: erflaatster) hadden een affectieve relatie. Zij woonden samen en voerden een gemeenschappelijke huishouding. Op 21 november 2007 sloten zij een samenlevingsovereenkomst, waarin zij (onder meer) een verblijvingsbeding overeenkwamen. Op grond van dat beding maakten zij bij overlijden van één van hen wederzijds aanspraak op het algehele gemeenschappelijke vermogen. Erflater is de vader van (onder meer) [gedaagden] . Erflaatster is de moeder van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] . Vanaf 2018 ging de (geestelijke) gezondheid van erflater achteruit. Medio 2019 werd daarom – met tussenkomst van de kinderen van erflater – geld (en later is gebleken: het volledige saldo) van de gemeenschappelijke rekening overgeboekt naar een privérekening op naam van erflater. Erflater is op [overlijdensdatum] 2022 overleden. Erflaatster – en na haar overlijden [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] – heeft, tevergeefs, haar deel van het gemeenschappelijke vermogen teruggevorderd. De kinderen van erflater hebben onrechtmatig jegens erflaatster, en dus jegens haar erfgenamen, gehandeld door gelden aan het gemeenschappelijke vermogen te onttrekken. De erfgenamen (gedaagden) hebben daarvan geprofiteerd nu zij, in de wetenschap van de vordering van erflaatster, de nalatenschap van erflater hebben verdeeld.
in het incident
Gedaagde sub 1, [gedaagden] , vordert dat de rechtbank Limburg zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] kennis te nemen en de zaak verwijst naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.
Aan deze vordering legt [gedaagden] ten grondslag dat, behoudens mevrouw [gedaagde in de hoofdzaak sub 6] (gedaagde sub 6), alle gedaagden woonplaats hebben gekozen ten kantore van mr. Geerts te Oirschot, maar dat ook zonder deze woonplaatskeuze de gedaagden allen woonachtig zijn buiten het arrondissement van de rechtbank Limburg. Op grond van artikel 110 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is daarom niet de rechtbank Limburg bevoegd om van de zaak kennis te nemen, maar rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft de incidentele vordering weersproken en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.
3. De beoordeling in het incident
Het verweer dat de rechtbank niet relatief bevoegd is, is vóór alle weren ten gronde en derhalve tijdig gevoerd. De rechtbank overweegt ten aanzien van haar relatieve bevoegdheid als volgt.
In zaken betreffende nalatenschappen is naast de rechter van de woonplaats van (één van) de gedaagde(n) ook de rechter van de laatste woonplaats van de overledene bevoegd, zo volgt uit artikel 104 lid 1 Rv. [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft de vordering in de hoofdzaak ingesteld in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster. Het betreft bovendien een vordering (van de nalatenschap van erflaatster) op de nalatenschap van erflater en zijn gezamenlijke erfgenamen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de hoofdzaak daarom gekwalificeerd moet worden als een zaak betreffende een nalatenschap.
Uit de bij dagvaarding overgelegde stukken volgt dat de laatste woonplaats van erflaatster [woonplaats 8] was (productie 1) en de laatste woonplaats van erflater [woonplaats 9] (productie 7). Deze rechtbank is daarom (mede) bevoegd om van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] kennis te nemen.
[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] worden begroot op € 614,00 (1 punt x tarief II).
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 614,00 aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] ,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 3 september 2025 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op
23 juli 2025.