RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/331150 / HA ZA 24-255
Vonnis van 27 augustus 2025
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
UNIVERSITEIT MAASTRICHT,
gevestigd te Maastricht,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. J.A. Bloo,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OBINION B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. F.F.J. Froger.
Partijen zullen hierna Universiteit Maastricht en Obinion genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 mei 2024, met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 15,
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte in het geding brengen producties in conventie, met producties 14 tot en met 16, - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de overgelegde producties 17 en 18 van de Universiteit Maastricht,
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Obinion exploiteert een onderneming die onder meer gespecialiseerd is in het leveren van machines voor de kunststofverwerkende industrie.
De Universiteit Maastricht heeft eind 2021 een aanbesteding uitgeschreven voor de aanschaf van een granulatie-extruder. De granulatie-extruder wordt gebruikt om deeltjes kunststof te verwerken door middel van extrusie (smelten en persen door een matrijsvorm).
De aanbestedingsprocedure is vormgegeven middels een offerteaanvraag. De offerteaanvraag bevatte diverse stukken die gezamenlijk ‘Request of Quotation’ worden genoemd waaronder het zogenaamde ‘Programme of Requirements (hierna: het Programma van Eisen) dat zichtbaar was voor alle inschrijvers via de online omgeving Negrometrix.
In het Programma van Eisen zijn dertien eigenschappen opgenomen die de granulatie-extruder dient te bevatten, waaronder de – in deze zaak van belang zijnde – eigenschap in artikel 1.6.7:
“(…) 1.6.7. The setup is suitable for processing of rigid flakes sized 2-12 mm of these polymers: PP, HDPE, LDPE, PS, ABS, ABS/PC en PC’. (…)”
Obinion heeft op de aanbesteding ingeschreven en een offerte uitgebracht.
De Universiteit Maastricht heeft de opdracht aan Obinion gegund.
Op 9 en 10 december 2021 hebben de Universiteit Maastricht en Obinion een overeenkomst ondertekend (hierna: de koopovereenkomst). De koopovereenkomst had betrekking op de koop van een granulatie-extruder van het merk Polystar (hierna: de machine). In artikel 1.2 van de koopovereenkomst staat (onder andere) het volgende vermeld:
“(…) 1.2 The following documents form part of the Contract. In the event of mutual inconsistencies, a higher ranked document takes precedence over a lower ranked document:
(…)
(…)
3. The Request for Quotation; (…)”
De koopprijs van de machine bedroeg € 129.700,00 (exclusief btw) en zou conform artikel 4.3 van de koopovereenkomst in drie tranches worden voldaan, namelijk 30% bij de bestelling, 60% voorafgaand aan de verzending en 10% na levering en acceptatie.
De machine is op of omstreeks 15 november 2022 bij de Universiteit Maastricht geleverd. De Universiteit Maastricht heeft 30% en 60% van de koopsom betaald.
Bij brief van 15 februari 2023 (productie 4 bij dagvaarding) heeft de Universiteit Maastricht Obinion medegedeeld dat de machine niet aan de gestelde vereisten voldoet.
Obinion heeft bij e-mail van 23 februari 2023 (productie 5 bij dagvaarding) gereageerd door (onder andere) te betwisten dat de machine niet aan de overeenkomst beantwoordt.
De Universiteit Maastricht heeft PILZ GmbH (hierna: PILZ) de opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren naar de eigenschappen van de machine.
Obinion heeft bij e-mail van 29 maart 2023 (productie 7 bij dagvaarding) gereageerd op het rapport van PILZ. Obinion heeft de Universiteit Maastricht (onder andere) medegedeeld dat zij bereid is om bepaalde aanpassingen (zoals vermeld in de bijlage van de e-mail) aan de machine uit te voeren en de Universiteit Maastricht gesommeerd om hierna het resterende bedrag van de koopprijs te voldoen.
Partijen hebben op 26 en 28 juni 2023 een document (hierna: de vaststellingsovereenkomst) ondertekend. Daarin staat in artikel 1.1 (onder andere) het volgende:
“(…)
Partijen verschillen van mening over of er sprake is van een tekortkoming in de
nakoming van de overeenkomst, maar in het kader van de Vaststellingsovereenkomst zal Obinion voor haar rekening de navolgende werkzaamheden uitvoeren teneinde de granulatie-extruder aan UM op te leveren:
Obinion zal zorgdragen voor het volledig operationeel maken van de granulatie-extruder van Polystar middels een succesvolle acceptatietest met een representatief recyclaat materiaal, in concreto:
De UM zal het recyclaat materiaal voorzien, in voldoende hoeveelheid (min. 200 kg), geshredde flakes van een gemengd ‘rigid’ polyolefine, representatief voor een drijffractie uit recycling. (…)
Artikel 2 Acceptatie en betaling restant
Na het uitvoeren van de in artikel 1.1 beschreven werkzaamheden en het ordentelijk verlopen van de proef aanvaardt UM de (oplevering van de) granulatie-extruder van Polystar en zal zij de resterende 10% van de koopsom aan Obinion voldoen binnen vijf werkdagen. (…)”
De Universiteit Maastricht heeft bij brief van 10 november 2023 Obinion (onder meer) medegedeeld dat de acceptatietest op 5 september 2023 niet succesvol was, waarbij de Universiteit Maastricht Obinion in de gelegenheid heeft gesteld om nog een acceptatietest uit te voeren.
Obinion heeft bij brief van 22 november 2023 (productie 12 bij dagvaarding) betwist dat geen succesvolle acceptatietest heeft plaatsgevonden en heeft (onder meer) als volgt gereageerd:
“(…) Tevens staat in deze offerte vermeld dat voor de geoffreerde prijs de extruder zal worden geleverd met slechts één matrijs (Engels: cutter plate). De geoffreerde en geleverde cutter plate is geschikt voor de verwerking van PE (polyethyleen). Deze offerte is in februari 2022 punt voor punt besproken met Mevrouw [naam] . Zoals in de offerte staat en aan mevrouw [naam] uitgelegd is, is de geleverde extruder geschikt om alle in de offerte genoemde materialen te verwerken. Dit zijn meer materialen dan in het “programme of requirements” van de latere aanbesteding werden genoemd.
Voor de verwerking van alle in het programme of requirements genoemde materialen zijn echter wel verschillende cutter plates benodigd. Dit is herhaaldelijk aangegeven en bij elke deskundige gebruiker van dit type extruder bekend. Desondanks koos uw cliënte ervoor om geen andere cutter plates aan te vragen of te bestellen. Voor de duidelijkheid merkt OBINION op dat zelfs als uw cliënte meerdere cutter plates had besteld, het nog steeds niet mogelijk zou zijn geweest om een mix van alle in het programme of requirements genoemde materialen gelijktijdig te verwerken. Deze eis is tijdens ons gesprek over de offerte van 24 november 2021 en in de daaropvolgende aanbesteding ook in het geheel niet ter sprake gekomen.
(…)
Uw cliënte is echter na gunning en levering van de geoffreerde en overeengekomen extruder een nieuwe eis gaan stellen. Een nieuwe eis die niet reëel is en die geen onderdeel uitmaakte van de offerte van 24 november 2021 of het programme of requirements van de latere aanbesteding. Met andere woorden, een eis die uw cliënte niet kon of mocht stellen. (…)
Vast staat dus dat bij de geoffreerde en na gunning geleverde extruder alleen een cutter plate zat voor polyethyleen, zoals bij uw cliënte wel bekend. Zoals blijkt uit de offerte en zoals wij uw cliënte ook al meerdere malen hebben medegedeeld en nogmaals tijdens de bespreking van 23 augustus 2023 uitvoerig hebben besproken, is het niet mogelijk om met de Polystar RD-65 een mix van sterk uiteenlopende polymeren te verwerken. De eigenschappen van de verschillende polymeren zijn zo divers dat daarvoor verschillende onderdelen (andere cutter plates) en instellingen van de extruder nodig zijn. Een machine die, met één instelling en dezelfde set onderdelen al deze polymeren kan verwerken tot een homogeen eindresultaat heeft OBINION niet en heeft OBINION ook niet aangeboden. Als uw cliënte in haar programme of requirements deze eis had gesteld, dan het OBINION nooit ingeschreven op deze aanbesteding.
Voor alle duidelijkheid. In punt 1.6.7 van het Programme of Requirements (…) wordt beschreven welke kunststoffen moeten kunnen worden verwerkt en met welke grootte. In dit punt 1.6.7 staat nergens vermeld dat de kunststoffen in een gemengde vorm moeten kunnen worden verwerkt.
(…)”
De Universiteit Maastricht heeft bij brief van 27 december 2023 (productie 13 bij dagvaarding) de overeenkomst ontbonden en Obinion gesommeerd om de betaalde koopsom van € 141.243,30 (inclusief btw) terug te betalen.
3. Het geschil
In conventie
De Universiteit Maastricht vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Obinion veroordeelt tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Universiteit Maastricht te voldoen:
I. een bedrag van € 141.243,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente vanaf 11 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
II. het bedrag van € 1.942,30 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,
III. de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis alsmede de nakosten – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
De Universiteit Maastricht voert ter onderbouwing van haar vordering – samengevat – aan dat de machine non-conform is en daarom Obinion tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst (meer specifiek het Programma van Eisen) en de vaststellingsovereenkomst. De machine bezit niet de eigenschappen die de Universiteit Maastricht op grond van de overeenkomsten mocht verwachten, reden waarom zij de overeenkomsten heeft ontbonden en er over en weer ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan. De Universiteit Maastricht vordert de door haar betaalde koopsom terug.
Obinion betwist het gevorderde en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
Obinion vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, de Universiteit Maastricht veroordeelt tot betaling van een hoofdsom van € 16.734,30 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 november 2022 tot de dag der voldoening en de Universiteit Maastricht wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten.
Obinion voert ter onderbouwing van haar vordering – samengevat – aan dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Volgens Obinion kan de Universiteit Maastricht de overeenkomsten niet ontbinden en daarmee ook niet het reeds betaalde gedeelte van de koopsom terugvorderen. Obinion vordert derhalve nakoming van de koopovereenkomst, meer specifiek vordert Obinion betaling van de laatste factuur van 15 november 2022 ten bedrage van € 16.734,30 (inclusief btw).
De Universiteit Maastricht betwist het gevorderde en concludeert tot afwijzing van de vordering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
De Universiteit Maastricht stelt dat de geleverde machine non-conform is en dat Obinion daarom tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst (meer specifiek het Programma van Eisen) en de vaststellingsovereenkomst. Volgens de Universiteit Maastricht bezit de machine niet de eigenschappen die zij op grond van deze overeenkomsten mocht verwachten, omdat (i) de geleverde machine één matrijs heeft en daardoor alleen zuiver PE-materiaal kan verwerken en niet de in artikel 1.6.7 van het Programma van Eisen genoemde materialen kan verwerken en (ii) de machine niet geschikt is voor het verwerken van gemengd materiaal. Er zijn namelijk volgens de Universiteit Maastricht meerdere matrijzen nodig om de in artikel 1.6.7 van het Programma van Eisen genoemde materialen te kunnen verwerken. Verder voert de Universiteit Maastricht aan dat uit de term “recyclaat” in artikel 1.1 van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de machine gemengd materiaal moet kunnen verwerken en dit is niet het geval. De Universiteit Maastricht stelt dat de tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomsten op grond van artikel 6:265 BW rechtvaardigen, waardoor zij vordert dat Obinion de door haar betaalde koopsom terugbetaald.
Obinion betwist dat de machine niet aan de overeenkomsten beantwoordt. Obinion voert aan dat de machine wel de onder artikel 1.6.7 van het Programma van Eisen genoemde materialen kan verwerken mits de machine meerdere matrijzen heeft. Volgens Obinion heeft zij herhaaldelijk bij de Universiteit Maastricht aangegeven dat de machine geleverd zou worden met één matrijs en dat voor het verwerken van de onder artikel 1.6.7. genoemde materialen van belang is dat de Universiteit Maastricht meerdere matrijzen bestelde. Obinion voert aan dat zij dit ook bij de inschrijving in haar offerte heeft vermeld. Het was aan de Universiteit Maastricht om meerdere matrijzen aan te schaffen, zodat de machine de materialen kan verwerken, aldus Obinion. Obinion voert verder aan dat zij noch uit het Programma van Eisen als uit de vaststellingsovereenkomst diende af te leiden dat de machine gemengde materialen moest kunnen verwerken. “Recyclaat” materiaal kan namelijk ook zuiver materiaal zijn, aldus Obinion.
Non-conformiteit en ontbinding?
De afgeleverde zaak (de machine) moet op grond van artikel 7:17 lid 1 BW aan de overeenkomst beantwoorden. Lid 2 bepaalt dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Als de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, is er sprake van een tekortkoming. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
In onderhavige procedure, staat de beantwoording van de volgende vragen centraal:
A. Is de machine non-conform
(i) doordat de machine is geleverd met één matrijs en daarom niet de in artikel 1.6.7. in het Programma van Eisen genoemde materialen kan verwerken en/of
(ii) doordat de machine niet geschikt is voor het verwerken van gemengd materiaal,
en indien het antwoord op (tenminste één van) deze vragen ja luidt:
B. rechtvaardigt/rechtvaardigen deze tekortkoming(en) ontbinding van de overeenkomst in de zin van artikel 6:265 BW?
Ad A (i) en B Verwerking van de materialen uit artikel 1.6.7 tekortkoming (van voldoende gewicht)?
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Universiteit Maastricht op grond van artikel 1.6.7. van het Programma van Eisen verwachten dat de machine de materialen PP, HDPE, LDPE, PS, ABS en PC en de mix ABS/PC kan verwerken. Tussen partijen staat vast dat de geleverde machine (met één matrijs) die materialen niet kan verwerken, omdat daar meerdere (verschillende) matrijzen voor nodig zijn. In het midden kan blijven of Obinion meerdere matrijzen had moeten leveren. Als het ontbreken van de andere matrijzen namelijk een tekortkoming zou zijn, is die tekortkoming - gelet op de waarde van de matrijzen in relatie tot de prijs van de machine - onvoldoende om de ontbinding van de overeenkomsten te rechtvaardigen. Obinion heeft de matrijzen tegen inkoopwaarde dan wel kosteloos aan de Universiteit Maastricht aangeboden, maar de Universiteit Maastricht is hier niet op ingegaan vanwege de ongeschiktheid voor het verwerken van gemengd materiaal. Dit mocht de Universiteit Maastricht echter niet verwachten zoals uit de beoordeling ad A (ii) hierna zal blijken. Omdat de Universiteit Maastricht geen vordering tot nakoming heeft ingesteld, beoordeelt de rechtbank niet of de matrijzen wel geleverd hadden moeten worden.
Ad A (ii) en B Ongeschiktheid voor verwerking mix van materialen, anders dan ABS/PC een tekortkoming (van voldoende gewicht)?
De Universiteit Maastricht kan op basis van het Programma van Eisen niet verlangen dat de machine ook andere mix materialen dan de mix ABS/PC moet kunnen verwerken. Dat de machine dit niet kan, is daarom geen tekortkoming. Daartoe is het volgende redengevend.
Vooropgesteld moet worden dat de Universiteit Maastricht de machine heeft aanbesteed, waardoor het aan de Universiteit Maastricht was om de aan de machine gestelde eisen in (onder andere) artikel 1.6.7. van de Programma van Eisen eenduidig te maken. Als het van meet af aan duidelijk was geweest dat alle genoemde materialen in een mix kunnen zitten, had de Universiteit Maastricht dat moeten noemen en niet enkel de mix ABS/PC. De omstandigheid dat Obinion over het Programma van Eisen geen vragen heeft gesteld aan de Universiteit Maastricht doet aan het voorgaande niets af. Uit het voorgaande volgt immers al dat de Universiteit Maastricht haar werkelijke eisen niet duidelijk heeft gemaakt in het Programma van Eisen. Obinion kon de werkelijke eisen niet vermoeden, terwijl de geformuleerde eisen op zichzelf duidelijk zijn. Daarom had Obinion geen aanleiding om vragen te stellen aan de Universiteit Maastricht.
De vaststellingsovereenkomst brengt hier ook geen verandering in. Overeengekomen is dat de machine recyclaat materiaal zou verwerken voor de acceptatietest. Obinion heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat recyclaat ook zuiver materiaal kan zijn. De Universiteit Maastricht heeft daar niets tegenin gebracht. Daarom kan ook op basis van de vaststellingsovereenkomst niet worden vastgesteld dat de machine gemengd materiaal moet kunnen verwerken.
Redelijkheid en billijkheid
Bovendien heeft de Universiteit Maastricht gesteld in (het bij de feiten geciteerde deel van) artikel 1.1. van de vaststellingsovereenkomst te hebben willen verduidelijken wat zij altijd al bedoeld had. Als dat zo evident was geweest, was de vaststellingsovereenkomst niet nodig geweest. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat de Universiteit Maastricht Obinion achteraf heeft willen verbinden aan een resultaat dat (eveneens achteraf) technisch onmogelijk blijkt. Dat Obinion daar pas na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst achter is gekomen, ligt aan de onduidelijkheid die er tot dat moment – ondanks de vaststellingsovereenkomst – over is blijven voortbestaan. Niet weersproken is immers dat Obinion het Programma van Eisen aan leverancier Polystar heeft voorgelegd, dat Polystar akkoord heeft gegeven dat de materialen verwerkt konden worden, op basis waarvan Obinion heeft ingeschreven. Het was voor zowel Polystar als voor Obinion al die tijd onduidelijk dat de machine ook gemengd materiaal (anders dan ABS/PC) moest kunnen verwerken, terwijl Obinion vooraf wel op adequate wijze informatie heeft ingewonnen.
Aan de andere kant heeft de Universiteit Maastricht te gelden als de ter zake deskundige, die voorafgaand aan de aanbesteding marktonderzoek heeft verricht om de eisen voor de aanbesteding duidelijk te krijgen. De Universiteit Maastricht is degene die wist wat mogelijk was en op wiens weg het lag om daar helder over te zijn. Die onduidelijkheid in deze omstandigheden voor rekening van Obinion te laten komen, zou in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn. Ook om die reden kan de Universiteit Maastricht de koop- en/of vaststellingsovereenkomst niet ontbinden.
Zonder ontbinding ontstaat geen ongedaanmakingsverbintenis.
Conclusie
De conclusie luidt dan ook dat de vordering van de Universiteit Maastricht om Obinion te veroordelen tot (terug)betaling van de (betaalde) koopsom van de machine niet slaagt.
Buitengerechtelijke incassokosten
Nu de vorderingen van de Universiteit Maastricht worden afgewezen, wijst de rechtbank ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af.
Proceskosten
De Universiteit Maastricht is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Obinion worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
Totaal
€
10.475,00
In reconventie
Nu de rechtbank in conventie heeft geoordeeld dat de Universiteit Maastricht de koopovereenkomst niet mocht ontbinden, treft de vordering van Obinion tot nakoming van die overeenkomst doel. De Universiteit Maastricht moet dus de laatste factuur van 15 november 2022 ad € 16.734,30 (inclusief btw) voldoen.
De gevorderde wettelijke handelsrente daarover vanaf het verstrijken van de betaaltermijn, 30 november 2022, wordt als niet weersproken toegewezen, evenals de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Proceskosten
De Universiteit Maastricht is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, omdat de reconventie voortvloeit uit de conventie, worden de proceskosten in reconventie gehalveerd. De proceskosten van Obinion worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.929,00
(2 punten × € 1.929,00 × 0,5)
Totaal
€
1.929,00
In conventie en in reconventie
Nakosten
Nu de Universiteit Maastricht in conventie en in reconventie in het ongelijk is gesteld en in de proceskosten van Obinion wordt veroordeeld, zal Universiteit Maastricht ook in de nakosten (behorende tot de proceskosten) worden veroordeeld. De nakosten in conventie en in reconventie worden begroot op een bedrag van in totaal € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie
wijst de vorderingen van de Universiteit Maastricht af,
veroordeelt de Universiteit Maastricht in de proceskosten van € 10.475,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In reconventie
veroordeelt de Universiteit Maastricht tot betaling van € 16.734,30, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 november 2022 tot de dag der voldoening,
veroordeelt de Universiteit Maastricht in de proceskosten van € 1.929,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In conventie en in reconventie
veroordeelt de Universiteit Maastricht in de nakosten, begroot op € 278,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Universiteit Maastricht niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2. tot en met 5.5. uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
type: FL
coll: