RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/334048 / HA ZA 24-377
Vonnis van 27 augustus 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. N.M. de Houwer-van Wijk,
tegen
1. [gedaagde sub 1] , en2. [gedaagde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 2 april 2025,
- het B8-formulier met productie 20 van [eiser] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2025 met de door
mr. Geertsen overgelegde spreekaantekeningen,
- de brief van mr. De Houwer-Van Wijk van 8 juli 2025 houdende opmerkingen bij het proces-verbaal,
- de brief van mr. Geertsen van 9 juli 2025 houdende opmerkingen bij het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn buren van elkaar.
[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . [gedaagden] zijn eigenaar van de daarnaast gelegen woning aan de [adres 2] te [woonplaats] .
Aan de rechterzijde van het perceel van [eiser] ligt een schuur die grenst aan het perceel van [gedaagden] Tegen de muur van de schuur die grenst aan het perceel van [gedaagden] staat beplanting.
[gedaagden] hebben, evenwijdig aan de schuur van [eiser] in beton gegoten palen geplaatst, waartussen zij prikkeldraad hebben gespannen. Het prikkeldraad is aan de palen bevestigd aan de zijde van het perceel van [eiser] . De afstand tussen de schuur van [eiser] en de door [gedaagden] geplaatste palen bedraagt 41 centimeter.
Op 10 juni 2020 heeft [eiser] een grensconstructie door het kadaster laten uitvoeren.
De afstand tussen de schuur van [eiser] en de erfgrens bedraagt 37 centimeter.
3. Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [gedaagden] het onrechtmatig aangebrachte prikkeldraad en de palen waaraan het prikkeldraad is bevestigd, vanaf het bestaande hekwerk van [gedaagden] evenwijdig lopend aan de muur van de schuur van [eiser] , dienen te verwijderen, alsmede het eventuele aanwezige beton in de grond dat gegoten is om de bepalen te bevestigen in de grond te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede alle aanwezige beplanting langs de muur van de schuur op de strook grond van [eiser] en op die muur, binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom voor iedere dag dat [gedaagden] hier niet aan voldoen en deze dwangsom te bepalen op een bedrag van € 100,00 per dag, alsmede [eiser] bevoegd te verklaren zelf op kosten van [gedaagden] het prikkeldraad, de palen en het eventueel aanwezig beton in de grond en de beplanting langs de muur van de schuur op de strook grond van [eiser] en op die muur te verwijderen dan wel te laten verwijderen,
II. te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
[gedaagden] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Hekwerk met prikkeldraad
[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering tot verwijdering van het hekwerk met prikkeldraad dat [gedaagden] jegens hem onrechtmatig handelen. [eiser] voert aan dat hij door het geplaatste hekwerk met prikkeldraad zijn strook grond naast de schuur niet kan betreden en/of onderhouden, waardoor (onder meer) inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat de onrechtmatige situatie niet zozeer is gelegen in het plaatsen van een hekwerk, maar met name in het daarbij door [gedaagden] gebruikte prikkeldraad, omdat het prikkeldraad ervoor zorgt dat [eiser] niet zonder risico op verwondingen langs de palen kan lopen. [eiser] vordert om die reden dat [gedaagden] worden veroordeeld tot verwijdering en het verwijderd houden van het hekwerk met prikkeldraad.
[gedaagden] betwisten dat de plaatsing van het hekwerk met prikkeldraad onrechtmatig is. Zij betogen dat [eiser] door het hekwerk niet wordt belemmerd in het uitvoeren van werkzaamheden aan zijn perceel. Het betreft immers maar enkele draden prikkeldraad, terwijl het hekwerk bovendien niet over de volledige lengte van de muur van de schuur is geplaatst; het hekwerk is zeven meter lang en de muur van de schuur is zeventien meter lang. [gedaagden] hebben dus de toegang tot en/of het onderhoud van de strook grond niet onmogelijk gemaakt. Dat [eiser] de zijkant van de schuur niet via de achterkant van zijn perceel kan bereiken is aan hemzelf te wijten, nu hij de achterkant zelf heeft afgesloten met een schutting, aldus [gedaagden] . Verder voeren [gedaagden] aan dat zij belang hebben bij het hekwerk met prikkeldraad: na een traumatische ervaring met een inbraak in het verleden is het voor hen belangrijk dat zij hun perceel kunnen afsluiten voor derden. Volgens [gedaagden] moet dit belang zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij verwijdering van het hekwerk.
De rechtbank stelt voorop dat voldoende is komen vast te staan dat de palen van het hekwerk en het daaraan bevestigde prikkeldraad zich op het perceel van [gedaagden] bevinden. Uit metingen tijdens de descente is immers gebleken dat de afstand van de schuur tot de palen circa 41 centimeter bedraagt, terwijl – dit is tussen partijen niet in geschil – de afstand van de schuur tot de kadastrale erfgrens 37 centimeter bedraagt. De rechtbank zal dit dus bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt nemen.
Tijdens de descente heeft de rechtbank het hekwerk met prikkeldraad waargenomen en geconstateerd dat de toegang tot de strook grond van [eiser] – afgezien van de daar aanwezige beplanting – door het prikkeldraad wordt belemmerd. Hoewel het hekwerk zich bevindt op het perceel van [gedaagden] is de afstand tussen de schuur van [eiser] en het hekwerk dermate smal dat het, door het gebruik van prikkeldraad, naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk is de daar gelegen strook grond zonder (het risico op) beschadiging van kleding of verwondingen te betreden. Dit volgt overigens ook uit de eigen stellingen van [gedaagden] , waarin zij kenbaar maakten dat het nu juist de bedoeling van het prikkeldraad is om derden buiten het perceel te houden. Nu [eiser] door het geplaatste prikkeldraad de strook grond die tot zijn perceel behoort niet kan betreden, wordt inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht en handelen [gedaagden] , ondanks de omstandigheid dat het hekwerk op hun eigen perceel staat, onrechtmatig jegens [eiser] . De stellingen dat het hek niet langs de gehele schuur staat, of dat de muur van de schuur (en de beplanting) tussen het prikkeldraad door nog bereikbaar is vanaf het perceel van [gedaagden] doen aan het voorgaande niet af. Waar het om gaat is dat (een deel van) de strook grond voor [eiser] door het hekwerk met prikkeldraad niet toegankelijk is. Het door [gedaagden] gestelde belang (afsluiting van hun perceel) rechtvaardigt het plaatsen van het hekwerk met prikkeldraad niet, nu dit belang ook op een andere wijze kan worden gediend.
De rechtbank zal gelet op het hiervoor overwogene de vordering van [eiser] om [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering en het verwijderd houden van het prikkeldraad toewijzen.
Dat is anders voor de vordering tot verwijdering van de palen en het beton: naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het plaatsen van de palen of het beton onrechtmatig is. In het voorgaande heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de palen op het eigen perceel van [gedaagden] staan; [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het plaatsen van de palen toch onrechtmatig is. Daarnaast heeft [eiser] , mede gelet op het feit dat de palen circa vier centimeter van de erfgrens zijn geplaatst, onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het beton waarin deze palen zijn geplaatst zich bevindt op zijn perceel. [eiser] suggereert dat onder de palen grote klompen beton zouden moeten zitten, maar onderbouwt dit niet.
De stelling van [eiser] dat de grensconstructie door de landmeter van 10 juni 2020 onvolledig is, omdat de landmeter onvoldoende toegang tot het perceel van [gedaagden] zou hebben gekregen verwerpt de rechtbank. Het relaas van bevindingen van het Kadaster (productie 2 bij dagvaarding) bevat daarvoor geen enkele aanwijzing, terwijl evenmin is gebleken van andere feiten of omstandigheden waaruit dit zou kunnen volgen. De rechtbank zal daarom de vordering van [eiser] om [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de palen en het beton afwijzen.
Dwangsom en machtiging tot verwijdering op kosten [gedaagden]
De rechtbank ziet vanwege de onderlinge verstandhouding tussen partijen aanleiding tot oplegging van een dwangsom, zij het gemaximeerd. De rechtbank zal de vordering toewijzen zoals in de beslissing is vermeld.
De rechtbank acht in dit geval de in de beslissing vermelde dwangsom een voldoende prikkel voor nakoming, waardoor [eiser] geen belang heeft bij de gevorderde machtiging om op kosten van [gedaagden] tot verwijdering over te gaan. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Beplanting
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de beplanting tegen de muur van de schuur door [gedaagden] zijn geplaatst en dat [gedaagden] hierdoor inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiser] . Volgens [eiser] lijdt hij hierdoor schade, omdat (het vocht van) de beplanting de muur van de schuur beschadigt. Daarbij beroept [eiser] zich op omkering van de bewijslast en wijst hij erop dat [gedaagden] van de beplanting plezier hebben, nu zij daarop uitkijken vanuit hun zijtuin, terwijl [eiser] alleen de nadelen heeft in verband met het vocht. [gedaagden] betwisten dat zij de beplanting hebben geplaatst. Zij hebben daarbij geen enkel belang en de strook grond is niet hun eigendom. Volgens [gedaagden] is het goed mogelijk dat de beplanting daar vanzelf is gegroeid of door de voormalige huurster van de woning van [eiser] geplaatst. Zij betwisten zodoende ook dat sprake is van een onrechtmatige daad jegens [eiser] .
De rechtbank stelt voorop dat [eiser] , die zich beroept op het rechtsgevolg van de door hem gestelde onrechtmatige daad, de bewijslast van zijn stellingen draagt. Voor omkering van de bewijslast, hetgeen slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, biedt deze zaak geen aanknopingspunten. Het is dus aan [eiser] om (onder meer) voldoende gemotiveerd te stellen en, indien aan de orde, te bewijzen dat [gedaagden] de beplanting hebben geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] , mede gelet op de betwisting zijdens [gedaagden] , niet aan deze stelplicht voldaan: de stellingen van [eiser] hebben voornamelijk een speculatief karakter en missen feitelijke onderbouwing. De rechtbank zal daarom de vordering tot verwijdering van de beplanting afwijzen.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat [gedaagden] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, het onrechtmatig aangebrachte prikkeldraad, vanaf het bestaande hekwerk van [gedaagden] evenwijdig lopend aan de muur van de schuur van [eiser] , dienen te verwijderen en verwijderd te houden,
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van een dwangsom aan [eiser] van
€ 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagden] geen gevolg geven aan de veroordeling onder 5.1, met een maximum van € 5.000,00,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Hurkens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
type: FL