ECLI:NL:RBLIM:2025:12697

ECLI:NL:RBLIM:2025:12697, Rechtbank Limburg, 27-08-2025, C/03/327562 / HA ZA 24-82

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 27-08-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer C/03/327562 / HA ZA 24-82
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen partijen. Echter, de gelden die vóór 1 januari 2017 zijn uitgeleend zijn verjaard. Voor het overige deel van de vordering wordt eiser in de gelegenheid gesteld een akte te nemen met daarin een overzicht van de uitgeleende bedragen vanaf 1 januari 2017. Vermeerderd met de geldende wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/327562 / HA ZA 24-82

Vonnis van 27 augustus 2025

in de zaak van

1. [eiser sub 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [eiseres sub 2],

te [woonplaats 1] ,

eisende partijen,

hierna te noemen: [eiser sub 1] respectievelijk [eiseres sub 2] dan wel gezamenlijk [eisers] ,

advocaat: mr. P.M.H. Cruts,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A.L. van den Bergh.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald

- de akte inbreng producties van mr. Cruts van 4 december 2024- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 januari 2025

- de akte verjaringsverweer en verduidelijking productie 2 bij dagvaarding van mr. Cruts van 14 februari 2025

- de antwoordakte van mr. Van den Bergh van 19 maart 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] was van 30 augustus 2010 tot 4 juli 2022 gehuwd met [naam dochter eisers] (hierna: [naam dochter eisers] ), de dochter van [eisers] .

[gedaagde] had zijn eigen zelfstandige landbouwbedrijf en verkocht zelf de producten van dit landbouwbedrijf. Los van het bedrijf van [gedaagde] werd een boerderijwinkel opgericht op naam van [naam dochter eisers] . In deze boerderijwinkel werden de producten afkomstig van het landbouwbedrijf van [gedaagde] verkocht.

De administratie van beide bedrijven werd verzorgd door [eiser sub 1] .

In de belastingaangifte over 2019 van het landbouwbedrijf van [gedaagde] bedroeg het geleende kapitaal van derden eind 2019 € 318.375,00.

De advocaat van [eisers] heeft [gedaagde] op 26 oktober 2023 aangeschreven en medegedeeld dat [eisers] een bedrag met verschuldigde rente, in totaal € 379.452,36, opeist.

De advocaat van [gedaagde] heeft op 17 november 2023 gereageerd dat [gedaagde] nooit enige leningsovereenkomst is aangegaan met [eisers] .

3. Het geschil

[eisers] vordert de rechtbank om [gedaagde] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis:

I. te veroordelen tot betaling van € 384.970,24 (inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van betaling een en ander binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans enig ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] als voorschot op de totale vordering te betalen een bedrag ad € 230.000,00, althans enig ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

[eisers] legt aan de vordering ten grondslag dat [eisers] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst hebben gesloten. Bij brief van 26 oktober 2023 hebben [eisers] aan [gedaagde] verzocht om de geleende bedragen inclusief rente terug te betalen. Tot op heden heeft [gedaagde] echter nog niks terugbetaald, terwijl hij daartoe wel verplicht is volgens artikel 7:129e BW, aldus [eisers] . Voor zover partijen geen leningsovereenkomst hebben gesloten, stelt [eisers] zich op het standpunt dat de gelden aan [gedaagde] onverschuldigd zijn betaald en om die reden terugbetaald moeten worden.

[gedaagde] voert primair het verweer dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard. Subsidiair betwist [gedaagde] dat sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen partijen. [eiser sub 1] heeft geschoven met de vermogens van het landbouwbedrijf van [gedaagde] en de boerderijwinkel van [naam dochter eisers] . De administratie van beide bedrijven werd verzorgd door [eiser sub 1] . Vanuit het landbouwbedrijf van [gedaagde] werden ontvangsten en inkomsten overgemaakt naar [eisers] onder meer onder de noemer ‘aflossing lening’, daarna werd het geld weer teruggeboekt naar het landbouwbedrijf van [gedaagde] onder meer met de titel ‘lening’ of ‘hypotheek’. Vervolgens werden deze beweerdelijke ‘lening’ en ‘hypotheek’ afgelost met gelden uit het landbouwbedrijf van [gedaagde] . Gelden van het landbouwbedrijf van [gedaagde] zijn ten goede gekomen aan [eisers] . Er is geen sprake van een geldlening, aldus [gedaagde] .

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vraag die in deze zaak centraal staat is of [gedaagde] verplicht is om een bedrag van € 384.970,24 terug te betalen aan [eisers] .

Kwalificatie van ‘de overeenkomst’

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen partijen. Bij die beoordeling staat vast dat partijen ten aanzien van deze door [eisers] gestelde lening niets op papier hebben gezet.

De rechtbank oordeelt dat, indien vast komt te staan dat er gelden door [eisers] zijn verstrekt aan [gedaagde] , dit moet worden gekwalificeerd als een geldleningsovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW. Uit de definitie in artikel 7:129 BW volgt dat de geldleningsovereenkomst de kredietovereenkomst is, waarbij de ene partij zich verbindt om gelden uit te lenen en de andere partij verplicht is om die gelden terug te betalen.

Verjaring

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] houdt in dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard. [gedaagde] stelt dat, nu er geen termijn voor nakoming is bepaald, de leningen volgens artikel 6:38 lid 1 BW direct opeisbaar zijn. Vanaf dat moment geldt een verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:307 lid 1 BW. Dit betekent dat de vorderingen zijn verjaard, aldus [gedaagde] .

[eisers] betwist dat de vorderingen zijn verjaard. Volgens [eisers] geldt dat, nu er geen termijn voor nakoming is bepaald, sprake is van een geldlening voor onbepaalde tijd. De verjaringstermijn begint in dat geval pas te lopen nadat de schuldeiser mededeling heeft gedaan aan de schuldenaar dat hij de geldlening opeist. Er geldt dan een verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:307 lid 1 BW. Deze mededeling is aan [gedaagde] gedaan bij brief van 26 oktober 2023. Er is daarom geen sprake van verjaring, aldus [eisers] .

Het bovenstaande betekent dat partijen niet twisten over de lengte van de verjaringstermijn. Partijen zijn het er ook over eens dat deze termijn begint te lopen op het moment van opeisbaarheid van de geldleningen. Partijen twisten wel over de vraag wanneer de vordering opeisbaar is geworden.

Per 1 januari 2017 is titel 2c van boek 7 BW in werking getreden. Deze titel bevat bepalingen over de geldleningsovereenkomst. Echter, deze bepalingen zijn alleen van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten na 1 januari 2017. Voor oudere overeenkomsten geldt volgens artikel 68a lid 2 Overgangswet NBW dat de bepalingen van titel 7A.14 (oud) van toepassing blijven.

Naar oud recht gold dat het geleende bedrag terugbetaald dient te worden op het overeengekomen tijdstip of binnen de overeengekomen termijn (artikel 7:1796 en 7A:1800 BW oud). Tussen partijen staat vast dat zij geen tijdstip of termijn voor nakoming hebben afgesproken. In dat geval dient, op grond van artikel 7A:1979 BW oud, het geleende bedrag terugbetaald te worden binnen een redelijke termijn. De rechtbank acht in dit geval een termijn van één jaar na het uitlenen redelijk, gelet op de destijds bestaande familiaire band tussen partijen, de hoogte van de uitgeleende bedragen en het feit dat partijen op voorhand geen nadere afspraken over terugbetaling hebben gemaakt. Dit betekent dat de geldleningen een jaar na het uitlenen opeisbaar zijn geworden. Op dat moment is de verjaringstermijn van vijf jaren beginnen te lopen volgens artikel 3:307 lid 1 BW. De eerste brief van [eisers] dateert van 26 oktober 2023. De rechtbank oordeelt dat de consequentie van het bovenstaande is dat de vordering, voor zover die ziet op de terugbetaling van bedragen die door [eisers] aan [gedaagde] zijn uitgeleend voor 1 januari 2017, is verjaard.

Voor de gelden die zijn uitgeleend na 1 januari 2017 geldt titel 2c van boek 7 BW. Op grond van artikel 7:129e BW is het uitgeleende bedrag opeisbaar zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Op 26 oktober 2023 heeft [eisers] per brief medegedeeld dat hij tot opeising van de geldleningen overgaat. Dat betekent dat de geldleningen op 30 november 2023 opeisbaar zijn geworden. Op dat moment is de verjaringstermijn van vijf jaren beginnen te lopen volgens artikel 3:307 lid 1 BW. De rechtbank oordeelt dat de vordering, voor zover die ziet op de terugbetaling van gelden die zijn uitgeleend na 1 januari 2017, niet is verjaard.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [eisers] , voor zover die ziet op bedragen die zijn uitgeleend voor 1 januari 2017 aan [gedaagde] , zal worden afgewezen.

Geldleningsovereenkomst

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of en tot welk bedrag [eisers] vanaf 2017 gelden aan [gedaagde] heeft uitgeleend.

[eisers] heeft gesteld dat zij gelden hebben uitgeleend aan [gedaagde] ten behoeve van de aankoop van landerijen en verbouwingen van zijn boerderij, terwijl [gedaagde] dit betwist. Dit betekent dat [eisers] op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Rv voldoende feiten moeten stellen waaruit blijkt dat zij gelden hebben uitgeleend en zo nodig, bij voldoende gemotiveerde betwisting, deze feiten moeten bewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [eisers] gelden heeft uitgeleend aan [gedaagde] . [eisers] heeft zijn stelling namelijk onderbouwd met een overzicht van de banktransacties tussen de rekening van het landbouwbedrijf van [gedaagde] en de rekeningen van [eisers] . Uit dit overzicht, in samenhang met de onderliggende bankafschriften die ook door [eisers] zijn overgelegd, is af te leiden dat er gelden vanuit de rekeningen van [eisers] zijn overgemaakt naar de rekening van het landbouwbedrijf van [gedaagde] die veelvuldig omschreven worden met “lening” en bovendien dat er gelden vanuit de rekening van het landbouwbedrijf van [gedaagde] zijn overgemaakt naar de rekeningen van [eisers] die veelvuldig omschreven worden met “aflossing lening”. Dat sprake is van verschuiving van vermogens waardoor, zoals [gedaagde] stelt, juist [eisers] is verrijkt ten koste van het landbouwbedrijf van [gedaagde] , is onvoldoende onderbouwd. De bedragen in de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften komen immers overeen met het overzicht van [eisers] , terwijl [eisers] in dat overzicht al rekening gehouden heeft met de gelden die over en weer overgemaakt werden. Dit betekent dat de rechtbank aan de betwisting van [gedaagde] als onvoldoende gemotiveerd voorbij gaat.

Nu vaststaat dat er gelden zijn uitgeleend door [eisers] aan [gedaagde] , staat daarmee volgens rechtsoverweging 4.3 ook vast dat sprake is van een geldleningsovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW. Omdat de gelden zijn uitgeleend aan het landbouwbedrijf van [gedaagde] , geldt volgens artikel 7:129c lid 2 BW dat [gedaagde] verplicht is om over de geleende som rente te betalen, tenzij uit de overeenkomst voortvloeit dat geen rente verschuldigd is. Partijen hebben geen schriftelijke afspraken gemaakt over de inhoud van de geldleningsovereenkomst en daarmee ook niet over het rentepercentage. [gedaagde] is daarom gehouden tot betaling van rente. De verplichting tot het betalen van deze rente ontstaat vanaf het moment waarop de hoofdsom wordt verstrekt. De rechtbank zal voor wat betreft de hoogte van het rentepercentage aansluiting zoeken bij de wettelijke rente, zoals die gold ten tijde van het uitlenen van de hoofdsom.

Vervolg

4.15.. [eisers] heeft in zijn overzicht gerekend met een contractuele rente van 4% en 8,8%, terwijl dat percentage niet overeengekomen is. [eisers] heeft voorts ten onrechte de uitgeleende bedragen vóór 2017 in het overzicht betrokken en hij heeft ten slotte onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de aflossingen door [gedaagde] , gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW, zijn toegerekend op de rente, de kosten en/of de hoofdsom. Gelet daarop kan de rechtbank de precieze omvang van de vordering niet vaststellen. De rechtbank stelt [eisers] daarom in de gelegenheid een akte te nemen met daarin een overzicht van de uitgeleende bedragen vanaf 1 januari 2017 aan [gedaagde] , vermeerderd met de geldende wettelijke rente vanaf het uitlenen van de hoofdsom t en een toelichting van de wijze waarop de aflossingen toegerekend dienen te worden aan de rente, de kosten en de hoofdsom. [gedaagde] krijgt de mogelijkheid om hierop te reageren bij akte.

De rechtbank wenst partijen voorts opmerkzaam te maken op het navolgende. De rechter die dit vonnis heeft gewezen zal per 1 oktober 2025 het team burgerlijk recht verlaten. Dit betekent dat zij niet in staat is om het volgende vonnis in deze procedure te wijzen. Het is de bedoeling dat dit volgende vonnis door Mr. V.E.J. Noelmans zal worden gewezen. Aangezien mr. Noelmans aanwezig was bij de mondelinge behandeling op 16 januari 2025, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om een nieuwe mondelinge behandeling in te plannen. Indien partijen daar wel aanleiding voor zouden zien, dienen zij dit kenbaar te maken in hun akte.

5. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 10 september 2025 voor het nemen van een akte door [eisers] als bedoeld in rechtsoverweging 4.15;

verwijst de zaak vervolgens naar de rol van 24 september 2025 voor het nemen van een akte door [gedaagde] met daarin een reactie op de akte van [eisers] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. Steijvers en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?