RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/316389 / HA ZA 23-157
Vonnis van 27 augustus 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] (of [eiser] ),
advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te ’s-Gravenhage,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
in hoedanigheid van erfgenaam en (voormalig) executeur in de nalatenschap van [erflater]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] (of [gedaagde sub 1] ),
advocaat: mr. M.J.A. Gaber te Heerlen,
2. 2. [gedaagde sub 2] ,
in hoedanigheid van erfgenaam (bij plaatsvervulling) in de nalatenschap van [erflater]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.H.J.G. Borger,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] (of [gedaagde sub 2] ).
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025,- de akte van [eiser] van 12 februari 2025 conform rov. 3.9. van het voornoemde tussenvonnis,
- de akte van [gedaagde sub 2] van 12 februari 2025 conform rov. 3.9. van het voornoemde tussenvonnis,
- het B16-formulier niet geregeld verzoek van [gedaagde sub 2] , waarbij zij bezwaar maakt tegen de akte van [eiser] van 12 februari 2025,
- het B16-formulier niet geregeld verzoek van [gedaagde sub 1] , waarbij zij bezwaar maakt tegen de akte van [eiser] van 12 februari 2025,
- het B16-formulier niet geregeld verzoek van [eiser] inhoudende zijn reactie op het bezwaar van gedaagden,
- de rolbeslissing van 19 februari 2025, waarbij de bezwaren van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ongegrond zijn verklaard.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de feiten, overwegingen en beslissingen in de vonnissen van 12 juli 2023, 10 januari 2024 en 15 januari 2025.
In conventie
De nadere verdeling
In het tussenvonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat bepaalde goederen bij de verdeling van de nalatenschap op 30 maart 2022 zijn overgeslagen en nader verdeeld dienen te worden tussen partijen op grond van artikel 3:179 lid 2 BW. Bij de nadere verdeling dient per post te worden beoordeeld of de bedragen – zoals door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerd – behoren tot de nalatenschapskosten of voor eigen rekening van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] dienen te komen, zoals [eiser] stelt. Dit zal hierna achtereenvolgens worden beoordeeld.
Het zij daarbij herhaald dat voor ogen moet worden gehouden dat de rechter die de verdeling vaststelt, daarin enige mate van vrijheid geniet, in die zin dat hij niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
1. Opnamen en overboekingen aan/ten behoeve van [gedaagde sub 1] privé ad € 69.270,95
Vooropgesteld wordt dat [eiser] deze post tijdens de mondelinge behandeling van 7 oktober 2024 heeft verminderd van € 70.364,59 tot een bedrag van € 69.270,95, aangezien de taxatiekosten ad € 1.093,61 volgens [eiser] bij nader inzien behoren tot de executeurskosten (randnummer 17 spreekaantekeningen [eiser] ).
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] specifieke bedragen heeft gepind en overboekingen heeft gedaan voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de nalatenschap.
[gedaagde sub 1] heeft meer in het algemeen aangevoerd dat de pinopnamen en overboekingen allemaal kosten van de nalatenschap betreffen en heeft ter zitting een aantal bedragen specifiek betwist en toegelicht.
Aangezien de raadsvrouw van [gedaagde sub 1] ter zitting met een grote hoeveelheid nieuwe informatie is gekomen – [gedaagde sub 1] zelf was niet aanwezig ter zitting – zijn [eiser] en [gedaagde sub 2] in de gelegenheid gesteld bij akte van 12 februari 2025 te reageren op deze posten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] het verweer van [gedaagde sub 1] inzake de pinopnamen en overboekingen hierin voldoende gemotiveerd weersproken, behoudens de hierna te noemen overboeking van € 30.000,- in het jaar 2019 (zie hierna rov. 2.6.5.). [gedaagde sub 1] heeft kort gezegd onvoldoende gemotiveerd betwist dat de pinopnamen en overboekingen ten behoeve van de nalatenschap zijn gedaan. Ter illustratie en bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op de volgende gevallen.
Ten eerste de reis- en verblijfkosten in 2012. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsvrouw van [gedaagde sub 1] toegelicht dat die kosten door [gedaagde sub 1] zijn gemaakt in het
kader van de uitoefening van haar taak als executeur. Omdat [gedaagde sub 1] in [woonplaats 2] woonde (en nog steeds woont), moest zij geregeld naar Nederland komen om executeurstaken te verrichten volgens de raadsvrouw. [eiser] en [gedaagde sub 2] hebben in reactie hierop beiden het standpunt ingenomen dat het aan [gedaagde sub 1] is om aan te tonen welke reis- en verblijfkosten daadwerkelijk te maken hadden met de rol van [gedaagde sub 1] als executeur, hetgeen zij volgens [eiser] en [gedaagde sub 2] onvoldoende heeft gedaan. [gedaagde sub 2] meent dat [gedaagde sub 1] vanaf 2012 reiskosten voor zichzelf heeft gemaakt om zittingen en dergelijke bij te wonen in het kader van de door haar aanhangig gemaakte verdelingsprocedure. Dit valt volgens [gedaagde sub 2] niet onder de kosten van de nalatenschap. De rechtbank onderschrijft dit. De hierop volgende betwisting van [gedaagde sub 1] is immers (te) algemeen, (te) weinig specifiek en niet nader onderbouwd met stukken, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, gelet op de gemotiveerde stellingen van [eiser] en [gedaagde sub 2] . De rechtbank concludeert dan ook dat niet is gebleken dat de reis- en verblijfkosten in 2012 behoren tot kosten van de nalatenschap.
Ten tweede het volgende. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de kosten van de vertaling van de VVE over het jaar 2012 kosten zijn van de beëdigde vertaling van de verklaring van executele. Derhalve zijn dit, aldus [gedaagde sub 1] , kosten van de nalatenschap. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagde sub 1] dan tenminste een factuur hiervan in het geding had kunnen brengen. Zij heeft derhalve, aldus [eiser] , nagelaten haar verweer te onderbouwen met stukken. De rechtbank onderschrijft dit en vindt dat het op de weg van [gedaagde sub 1] ligt om naar specifieke producties te verwijzen, dan wel nadere producties in te brengen, waaruit zou blijken dat dit executeurskosten betreffen. Nu zij dit heeft nagelaten, is onvoldoende komen vast te staan dat dit kosten van de nalatenschap zijn.
Ten derde de kopieerkosten en de kosten van [naam 1] en [naam 2] in 2022 ten bedrage van € 764,37. Vooropgesteld zij dat partijen bij het overleggen van producties een wegwijsplicht hebben en dat het de rechtbank niet vrij staat in producties van partijen een zoektocht te ondernemen. Ook hier had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om naar specifieke producties te verwijzen dan wel nadere producties in te brengen, waaruit zou blijken dat het hier om executeurskosten gaat. Nu [gedaagde sub 1] dit niet heeft gedaan, kan de rechtbank gezien het door [eiser] gevoerde verweer niet aannemen dat dit executeurskosten betreffen.
Voorts wijst de rechtbank op de diverse kosten die [gedaagde sub 1] stelt te hebben gemaakt in 2020. [gedaagde sub 1] voert aan dat dit executeurskosten zijn en dat de bonnen erbij zitten. Zowel [eiser] als [gedaagde sub 2] hebben het standpunt ingenomen dat niet duidelijk uit het boedelrapport volgt om welke kosten het gaat. Ook is volgens [gedaagde sub 2] niet duidelijk dat deze kosten noodzakelijk waren om als executeur te maken. Nu [gedaagde sub 1] ook op dit punt vervolgens het spreekwoordelijke mes in het varken heeft laten steken, is onvoldoende aangetoond dat dit noodzakelijke kosten betroffen die zijn gemaakt ten behoeve van de nalatenschap.
Wat betreft de overboeking van het bedrag van € 30.000,- in 2019 die als ‘erratum’ in het boedelrapport is vermeld, heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat zij dit bedrag op een later moment heeft teruggestort op de ervenrekening. Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] ook hier weer nagelaten deze gang van zaken nader te onderbouwen, terwijl dit wél op haar weg had gelegen op grond van haar wegwijsplicht in de overgelegde producties, maar nu [gedaagde sub 2] dienaangaande heeft verwezen naar productie 15K8 van de zijde van [eiser] , kan hieruit voldoende worden afgeleid dat genoemd bedrag door [gedaagde sub 1] is teruggestort op de ervenrekening op 4 augustus 2020. Nadere verdeling hiervan is daarom niet meer aan de orde.
Al met al komt de rechtbank wat betreft dit onderdeel tot de conclusie dat een bedrag van € 39.270,95 (€ 69.270,95 - € 30.000,00) niet als kosten van de nalatenschap kunnen worden aangemerkt, zodat dit bedrag nader verdeeld moet worden.
2. Overboekingen aan [naam advocaten] en andere adviseurs van [gedaagde sub 1] ad € 178.787,15
Deze post ad € 176.718,36 is eveneens als overgeslagen goed betiteld en dient nader te worden verdeeld. De rechtbank ziet zich hierbij wederom voor de vraag gesteld of deze kosten behoren tot de kosten van de nalatenschap zoals [gedaagde sub 1] aanvoert.
Bij akte van 12 februari 2024 heeft [eiser] deze post vermeerderd met een bedrag van € 2.068,79 dat volgens [eiser] zou zien op een factuur van 19 augustus 2020 die hij per abuis niet had meegenomen in zijn berekeningen. De post bedraagt door deze vermeerdering
€ 178.787,15.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank in de vorige procedure een oordeel heeft gegeven inzake de kosten van rechtsbijstand. Daarin bepaalde de rechtbank als volgt:
“(…)
De kosten rechtsbijstand betreffen niet een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 BW) of door de deelgenoten gezamenlijk te dragen uitgaven ten behoeve van de gemeenschap (artt. 3:172 jo 3:170 BW) noch kosten die om een andere reden mede voor rekening van [eiser] en/of [naam 3] moeten komen. Er zijn dan ook geen, in elk geval niet voldoende termen aanwezig om de kosten rechtsbijstand van [gedaagde sub 1] te laste van de banksaldi te brengen. Elke partij dient in beginsel zelf de rekening van de eigen advocaat te betalen. In dit verband merkt de rechtbank op dat het op dit moment ook het meest in de rede ligt om de kosten van dit geding aldus te compenseren dat elke partij haar eigen kosten zal dienen te dragen. Het salaris als executeur van [gedaagde sub 1] zal, bij gebreke van gemotiveerde tegenspraak, worden vastgesteld op € 15.000,-.
(…)”
[eiser] heeft gesteld dat de gemaakte rechtsbijstand- en advieskosten niet voor rekening van de nalatenschap komen, omdat het gaat om kosten van de eigen advocaat van [gedaagde sub 1] en haar eigen adviseurs. [eiser] meent dat [gedaagde sub 1] niet heeft aangetoond dat deze kosten zijn gemaakt in het belang van de nalatenschap en slechts het individuele belang van [gedaagde sub 1] dienen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] verwezen naar specifieke overboekingen/betalingen gedurende de jaren 2010 t/m 2020. [eiser] verwijst onder andere naar de betalingen aan mr. [naam advocaat] van [naam advocaten] . Volgens [eiser] heeft mr. [naam advocaat] [gedaagde sub 1] enkel privé bijgestaan in de verdelingsprocedure en niet in haar hoedanigheid van executeur, over welk punt de rechtbank al duidelijk is geweest in 2018. Dat mr. [naam advocaat] haar in beide hoedanigheden zou hebben bijgestaan volgt volgens [eiser] namelijk niet uit de facturen.
[gedaagde sub 2] is het eens met de stelling van [eiser] dat de kosten van rechtsbijstand en advies van [gedaagde sub 1] niet voor rekening van de nalatenschap mogen komen. Verder stelt [gedaagde sub 2] zich op het standpunt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de advieskosten ten behoeve van [gedaagde sub 1] zelf en de advieskosten ten behoeve van de nalatenschap. [gedaagde sub 2] acht het in dat licht aannemelijk dat [gedaagde sub 1] beperkt kosten heeft moeten maken als executeur wegens het inwinnen van advies over de mogelijkheid van splitsing van de woning in [plaats 1] op grond van het vonnis van 12 september 2018. In rov. 6.3. van dat vonnis heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
“(…)
stelt [gedaagde sub 1] als executeur in staat om ten behoeve van de gemeenschap en op kosten van de gemeenschap bij de desbetreffende autoriteit een verklaring te vragen inhoudende dat het pand [adres 1] te [plaats 1] zonder vergunning kan worden gesplist in zelfstandige woonruimtes A en B, hetzij om een splitsingsvergunning van dit pand [adres 1] in zelfstandige woonruimtes A en B aan te vragen;
(…)”
[gedaagde sub 2] verwijst op pagina 3 van haar akte van 12 februari 2025 naar een aantal facturen en producties die in totaal € 10.609,72 bedragen en volgens haar betrekking hebben op het voornoemde advies. Daarnaast benoemt [gedaagde sub 2] dat ze zich kan voorstellen dat [gedaagde sub 1] tot het begin van de verdelingsprocedure in 2012 advieskosten heeft moeten maken als executeur ten bedrag van € 36.358,65. Hierbij verwijst [gedaagde sub 2] naar de producties 15a en b van de zijde van [eiser] . Wat betreft het verweer van [gedaagde sub 2] begrijpt de rechtbank dus dat [gedaagde sub 2] voor het overige aansluit bij de stellingen van [eiser] en dus betwist dat het restantbedrag
(€ 176.718,36 [de aanvankelijke nog niet door [eiser] vermeerderde post aan overboekingen aan [naam advocaten] ] - € 10.609,72 - € 36.358,65 = € 129.749,99) kosten van de nalatenschap zijn.
[gedaagde sub 1] heeft meer in het algemeen volstaan met het verweer dat alle kosten zijn gemaakt in het kader van de uitoefening van haar taak als executeur en dus voor rekening van de nalatenschap dienen te komen. Ze voert verder aan dat de gemaakte kosten noodzakelijk waren omdat de nalatenschap omvangrijk en ingewikkeld was. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] als betwisting voor de jaren 2010 en 2011 aangevoerd dat de betalingen aan [naam 4] zien op het boedelrapport van 2009. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] wat betreft de kosten van mr. [naam advocaat] verklaard dat hij [gedaagde sub 1] ook heeft bijgestaan in haar hoedanigheid van executeur.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd gesteld dat de (meeste) kosten die [gedaagde sub 1] heeft gemaakt voor rechtsbijstand en advies geen kosten van de nalatenschap betreffen. Hier geldt voor [gedaagde sub 1] wederom een wegwijsplicht ten aanzien van de producties. Nu [gedaagde sub 1] heeft nagelaten te verwijzen naar specifieke producties waaruit kan worden opgemaakt dat de gemaakte kosten nalatenschapskosten betreffen, kan haar betwisting niet tot het door haar gewenste doel leiden. Wat betreft de betalingen die [eiser] heeft opgeworpen over de jaren 2013 tot en met 2019 heeft [gedaagde sub 1] ook dienaangaande nagelaten deze gemotiveerd te betwisten. De rechtbank weegt daarnaast mee dat uit de door [eiser] benoemde overgelegde facturen van [naam advocaten] niet blijkt van een onderscheid tussen werkzaamheden voor de boedel en werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] . Zie bijvoorbeeld productie 15.c.6. van de zijde van [eiser] en productie 4 van de zijde van [gedaagde sub 1] waarbij zij het boedelrapport over 2012 heeft ingebracht met onder andere de factuur van [naam advocaten] ten bedrage van € 1.157.03 die is betaald op 4 april 2012. Uit die factuur volgt niet duidelijk dat de kosten zijn gemaakt ten behoeve van alle erfgenamen en dus de nalatenschap.
De rechtbank ziet wel aanleiding om [gedaagde sub 2] te volgen in haar standpunt dat [gedaagde sub 1] kosten ten bedrage van € 10.609,72 heeft gemaakt in haar hoedanigheid van executeur, nu zulks voldoende blijkt uit de door [gedaagde sub 2] in haar akte van 12 februari 2025 genoemde producties. Aan de aanname van [gedaagde sub 2] dat ook een bedrag van € 36.358,65 onder de executeurskosten valt gaat de rechtbank echter voorbij. Dit is verder niet onderbouwd en de rechtbank kan niet opmaken uit de afschriften of deze kosten betrekking hebben op de executeurstaak of op [gedaagde sub 1] zelf. Aan de stelling van [eiser] dat het salaris van [gedaagde sub 1] moet worden verminderd gaat de rechtbank voorbij. Het salaris is immers vastgesteld op grond van het totale vermogen op de sterfdag van erflater en dat is onveranderd gebleven.
Gelet op het voorgaande is voldoende vast komen te staan dat een bedrag van
€ 10.609,72 voor rekening van de nalatenschap komt. Er resteert derhalve een bedrag van
€ 168.177,43 ( € 178.787,15 - € 10.609,72) dat niet voor rekening van de nalatenschap komt en dus nader verdeeld dient te worden.
3. Extra voorschotten aan [naam 3] ad € 1.095,71
Een bedrag van € 1.095,71 is bij tussenvonnis als overgeslagen goed betiteld. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat deze kosten niet zien op kosten van de nalatenschap. Op die voet dient het bedrag aldus nader te worden verdeeld.
4. Ten behoeve van [naam 3] betaalde kosten ad € 69.844,40
Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] een bedrag van € 69.844,40 ten behoeve van [naam 3] betaald voor de kosten van de woning in [plaats 2] , terwijl [naam 3] dit zelf had moeten betalen omdat hij vanaf 2009 de woning bewoonde. [gedaagde sub 1] heeft dit betwist en voert aan dat het niet van belang is of [naam 3] toentertijd wel of niet in de woning woonde omdat de woning in [plaats 2] pas in 2022 aan [naam 3] is toebedeeld. Om die reden was [gedaagde sub 1] naar eigen zeggen genoodzaakt de kosten van de woning ten behoeve van de nalatenschap te voldoen. Daarnaast voert zij aan dat de kosten van de woning in [plaats 1] allemaal ten laste van de nalatenschap zijn gekomen, waardoor [eiser] voordeel heeft genoten omdat hij die woning bewoonde. [eiser] kan volgens [gedaagde sub 1] daarom niet vorderen dat [naam 3] zijn eigen woonlasten voldoet.
Ook [gedaagde sub 2] betwist het standpunt van [eiser] . Ze maakt in dit kader een onderscheid tussen de vaste lasten en de gebruikerslasten en neemt primair het standpunt in dat de kosten wel degelijk tot de nalatenschap behoren omdat het pand in [plaats 2] tot de nalatenschap behoort en in de voornoemde periode nog niet verdeeld was. Subsidiair voert [gedaagde sub 2] aan dat [naam 3] in ieder geval niet de vaste lasten voor eigen rekening hoeft te nemen. Daarnaast voert [gedaagde sub 2] aan dat de kosten van het pand in [plaats 1] ook vanuit de nalatenschap werden betaald, terwijl [eiser] het pand bewoonde.
[eiser] heeft naar oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij – anders dan [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd – zelf de vaste lasten en gebruikerslasten betaalde voor het pand in [plaats 1] en tevens huur betaalde. Hij heeft daartoe rekeningafschriften overgelegd, maar ook onbetwist gesteld dat uit de boedelrapporten en bankafschriften van [gedaagde sub 1] niet blijkt van kosten die ten behoeve van het pand in [plaats 1] zijn gemaakt. De rechtbank acht om die reden aannemelijk dat [eiser] deze zelf betaalde. [eiser] heeft daarnaast onbetwist gesteld dat [naam 3] geen huur of andere gebruiksvergoeding betaalde. Nu [eiser] de kosten van het pand in [plaats 1] zelf voldeed – nog voordat het pand aan hem was toebedeeld – acht de rechtbank het redelijk dat hetzelfde dient te gelden voor [naam 3] aangezien hij in een soortgelijke situatie zat waarbij hij in [plaats 2] verbleef terwijl het pand nog niet aan hem was toebedeeld. Zowel het primaire als subsidiaire verweer van [gedaagde sub 2] slagen in dit kader daarom niet.
Tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] speelt tevens de discussie vanaf welk moment [naam 3] het pand in [plaats 2] is gaan bewonen. Het antwoord op deze vraag is relevant voor enerzijds de omvang van de kosten die behoren tot de nalatenschap en anderzijds de omvang van de kosten die voor rekening van [gedaagde sub 2] komen.
Volgens [eiser] heeft [naam 3] reeds in 2009 zijn intrek in de woning genomen na het overlijden van erflater. Dit heeft hij onderbouwd aan de hand van foto’s in de woning, een factuur van Ad Hoc Leegstandsbeheer en twee verklaringen van derden die verklaren dat [naam 3] de woning na het overlijden van erflater bewoonde. [gedaagde sub 2] heeft dit betwist en voert aan dat [naam 3] pas vanaf begin 2015 zijn intrek heeft genomen in de woning nadat hij jarenlang in [plaats 3] had gewoond. Tevens voert [gedaagde sub 2] aan dat [gedaagde sub 1] bevestigt dat [naam 3] pas in 2015 in [plaats 2] is gaan wonen.
De rechtbank is van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat [naam 3] pas begin 2015 zijn intrek heeft genomen in de woning in [plaats 2] . [eiser] heeft weliswaar gesteld dat [naam 3] sinds 2009 in [plaats 2] woonde, maar dit is door [gedaagde sub 2] op gemotiveerde wijze betwist. [gedaagde sub 2] heeft onder andere een opgaaf van Ad Hoc Leegstandsbeheer in het geding gebracht waaruit volgt dat [naam 3] tot en met augustus 2014 in [plaats 3] woonde. Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] toegelicht waar [naam 3] in de maanden daarna verbleef totdat hij naar [plaats 2] verhuisde begin 2015. Tenslotte heeft [gedaagde sub 2] erop gewezen dat [naam 3] in de voorgaande procedures werd gedagvaard te [plaats 3] . Ze heeft in dit kader tevens een bewijsaanbod gedaan. De stelling van [eiser] is hiermee naar oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist, zodat voldoende vast is komen te staan dat [naam 3] vanaf begin 2015 (de rechtbank begrijpt januari 2015) in [plaats 2] is gaan wonen. Dit betekent dat de financiële lasten van het pand vanaf januari 2015 tot en met 2022 niet tot de nalatenschap behoren en voor rekening van [gedaagde sub 2] komen. De lasten van het pand over de periode vóór 2015 behoren wel tot de nalatenschap. Voor de vordering van [eiser] betekent dit dat het bedrag van € 69.844,40 zal moeten worden verminderd, aangezien die vordering ziet op de periode vanaf 2009. De rechtbank kan op basis van de stukken niet uitrekenen welk bedrag precies ziet op de periode vanaf 2015 en daarom zal de rechtbank het bedrag ex aequo et bono schatten (in dit verband zij verwezen naar rov. 2.3, waarin is overwogen dat de rechter die de verdeling vaststelt daarin enige mate van vrijheid geniet). De rechtbank overweegt dat de gemiddelde maandelijkse kosten over de periode maart 2009 tot en met maart 2022 € 444,87 bedragen
(€ 69.844,40 : 157 maanden). De rechtbank zal het bedrag dat voor rekening van [gedaagde sub 2] komt schatten op € 38.703,69 (€ 69.844,40 : 157 maanden x 87 maanden), aldus zijnde kosten die zien op de periode januari 2015 tot en met maart 2022 en niet ten laste van de nalatenschap komen.
Slaagt het beroep op artikel 3:194 lid 2 BW?
De rechtbank heeft in kaart gebracht welke bedragen nader dienen te worden verdeeld tussen partijen. Voor de vraag hoe de overgeslagen goederen verdeeld moeten worden tussen partijen is van belang of – zoals [eiser] stelt – [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] haar/hun aandeel in de overgeslagen goederen verbeuren op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. In dat geval delen [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] namelijk niet meer mee in die goederen.
[eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] en/of [naam 3] – nu zij destijds wisten dat de goederen tot de gemeenschap behoorden – de vorderingen die de nalatenschap op haar/hem/hen had opzettelijk hebben verzwegen en zelfs bij navraag hebben ontkend. Beiden hadden hiervan melding moeten maken, aldus [eiser] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is en betwisten bovendien dat goederen van de gemeenschap opzettelijk zijn verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden.
Het juridisch kader van artikel 3:194 lid 2 BW is door de rechtbank reeds geschetst in het tussenvonnis van 15 januari 2025. De rechtbank herhaalt dat opzet niet kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. Indien de deelgenoot echter wist dat hij een tot de gemeenschap behorend goed verzweeg, zoek maakte of verborgen hield, kan opzet worden aangenomen. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting op een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW op degene die zich op deze bepaling beroept, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de hoofdregel van artikel 150 Rv. Het is dus aan [eiser] om te stellen en te bewijzen dat sprake is van opzettelijke verzwijging in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW.
In het licht van alle feiten en omstandigheden moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat [gedaagde sub 1] wist dat zij de hiervoor besproken goederen, voor zover relevant in die zin dat daarover is geoordeeld dat bepaalde bedragen niet ten laste va de nalatenschap hadden mogen komen en daardoor buiten de verdeling zijn gehouden, heeft verzwegen. De rechtbank neemt hierbij ten eerste in aanmerking dat [gedaagde sub 1] executeur is en vanuit die taak het beheer voert, een duidelijke maar ook veelomvattende taak. Gelet hierop moet worden aangenomen dat zij op de hoogte was – en dus wist – van de samenstelling en de omvang van de nalatenschap. Dit klemt temeer, nu – zo overweegt de rechtbank ten tweede – bij meergenoemd eindvonnis van 30 maart 2022 is geoordeeld dat [gedaagde sub 1] goederen heeft verzwegen. Dit maakt dat zij – na datum uitspraak – extra alert had moeten zijn op het belang van het in volledige transparantie vermelden van alle goederen van de boedel, in casu van de litigieuze overgeslagen goederen. Meer in het bijzonder met betrekking tot de advocaatkosten (post 2) zij erop gewezen dat in de eerdere procedure was vastgesteld dat de eigen advocaat- en advieskosten niet ten laste van de nalatenschap kunnen komen. Desondanks heeft [gedaagde sub 1] daarin geen actie ondernomen. Sterker nog, zij heeft eerst gedraald met het gevolg geven aan de veroordeling van het vonnis van 30 maart 2022 en vervolgens, nadat [eiser] na kennisneming van een deel van de uit hoofde hiervan door [gedaagde sub 1] verstrekte stukken tot de conclusie was gekomen dat bepaalde bedragen niet ten laste van de nalatenschap hadden mogen komen, pas in de onderhavige procedure – op aandringen van [eiser] over de boeg van artikel 843a Rv– mondjesmaat verdere benodigde stukken verstrekt, in welk verband de rechtbank verwijst naar hetgeen zij dienaangaande heeft overwogen in het tussenvonnis van (onder meer) het vonnis in incident van 10 januari 2024. [gedaagde sub 1] wist er dus van, maar handelde er niet naar. Gezien al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] de betreffende goederen opzettelijk heeft verzwegen. De consequentie hiervan is dat zij haar aandeel in die goederen heeft verbeurd op de voet van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW (zie hierna). De vorderingen onder III., IV. en V. liggen aldus voor toewijzing gereed, behoudens de bedragen die hierna opnieuw berekend zullen worden.
Het voorgaande geldt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de posten 3 en 4. Zoals gezegd dient sprake te zijn van opzet om een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW te kunnen honoreren. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde sub 1] wellicht behoren te weten dat de aan [naam 3] betaalde gelden niet als nalatenschapskosten kunnen worden aangemerkt – hetgeen op zich al onvoldoende is om opzet aan te nemen – maar valt gezien de stellingen die partijen dienaangaande over en weer hebben ingenomen ook nog wel te verdedigen dat de betreffende betalingen zijn gedaan vanuit een bepaalde – achteraf gebleken rechtens onjuiste – visie van [gedaagde sub 1] in deze. Gelet hierop verbeurt [gedaagde sub 1] haar aandeel niet in de goederen waar de posten 3 en 4 op zien.
Wat betreft [naam 3] is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat hij opzettelijk gelden heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen. [gedaagde sub 2] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 3] geen administratie bijhield wat betreft de gelden die hij uit de nalatenschap van [gedaagde sub 1] ontving en hij evenmin beschikte over alle boedelrapporten/bankafschriften. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1] soms geldbedragen overboekte naar derden ten behoeve van [naam 3] , omdat [naam 3] in een bepaalde periode geen eigen bankrekening had. Ook hier kan naar het oordeel van de rechtbank worden bepleit dat [naam 3] beter had moeten weten, dat wil zeggen had moeten weten dat geldbedragen tot de nalatenschap behoorden, maar nu voor opzettelijk handelen van [naam 3] in deze onvoldoende aanknopingspunten in het dossier voorhanden zijn, is diens opzet niet vast komen te staan. Om die reden verbeurt [gedaagde sub 2] haar aandeel in de overgeslagen goederen niet. Dit betekent dat de vorderingen onder XXIII., XXV. en XXVI. deels voor toewijzing gereedliggen, behoudens de bedragen die hierna opnieuw berekend zullen worden.
Berekening
De breukdelen zijn reeds bij vonnis van 30 maart 2022 door de rechtbank vastgesteld en bedragen voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] 23/64e deel en voor [eiser] 9/32e deel. Dit is tevens conform de vordering van [eiser] onder XXIX.
De rechtbank zal de hiervoor vastgestelde bedragen die niet tot de nalatenschap horen in kaart brengen en verdelen.
- Kosten opnamen en overboekingen ad € 39.270,95
[gedaagde sub 1] heeft haar aandeel in deze kosten verbeurd, hetgeen betekent dat het bedrag tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] verdeeld moet worden. Het aandeel van [gedaagde sub 2] in de nalatenschap is 23/64e en het aandeel van [eiser] 9/32e oftewel 18/64e. De onderlinge verhouding tussen [gedaagde sub 2] en [eiser] is dus 23 : 18 en in breuken is dat 23/41e en 18/41e. Van de verbeurde inbreng ontvangt [gedaagde sub 2] € 22.030,05 (23/41e x € 39.270,95) en [eiser] € 17.240,90 (18/41e x € 39.270,95).
- Kosten adviseurs en advocaten € 168.177,43
Zoals de rechtbank heeft geoordeeld heeft [gedaagde sub 1] haar aandeel in dit bedrag verbeurd. Dit betekent dat het bedrag verdeeld moet tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] , waarbij geldt dat aan [eiser] een bedrag van € 73.833,99 (18/41e x € 168.177,43) toekomt en aan [gedaagde sub 2] een bedrag van
€ 94.343,44 (23/41e x € 168.177,43).
- Het aan [naam 3] betaalde voorschot ad € 1.095,71
Vast is komen te staan dat [naam 3] zijn aandeel hierin niet heeft verbeurd en [gedaagde sub 1] haar aandeel ook niet. Van dit bedrag komt dus aan zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] € 393,77 (23/64e x € 1.095,71) toe en aan [eiser] € 308,17 (9/32e x € 1.095,71).
- De voor [naam 3] betaalde kosten ad € 38.703,69
Zowel [naam 3] als [gedaagde sub 1] hebben hun aandeel hierin niet verbeurd, zodat het bedrag onderling als volgt wordt verdeeld. Aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] komt toe ieder een bedrag toe van € 13.909,14 (23/64e x € 38.703,69) en aan [eiser] een bedrag van € 10.885,41 (9/32e x € 38.703,69).
Concluderend komt in totaal toe aan:
[gedaagde sub 1] een bedrag van € 14.302,91;
[gedaagde sub 2] een bedrag van € 130.676,41;
[eiser] een bedrag van € 102.268,47.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over het bedrag waarvan hij bij dagvaarding betaling heeft gevorderd is mede bij gebrek aan een daarop toegesneden betwisting door [gedaagde sub 1] in beginsel voor toewijzing vatbaar. In beginsel, nu hiervoor alleen in aanmerking komen de gelden waarvan de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat [gedaagde sub 1] deze heeft verzwegen, en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, zijnde, voor zover het gaat om [eiser] aandeel, (€ 17.240,90 + € 73.833,99 =) € 91.074,89. Gezien het feit dat de wettelijke rente bij e-mail van 5 december 2022 is aangezegd, zal deze over genoemd bedrag worden toegewezen per 22 december 2022, zijnde de dag waarop [eiser] [gedaagde sub 1] andermaal heeft aangeschreven tot betaling van de onrechtmatig onttrokken gelden.
Aangezien de rechtbank heeft vastgesteld dat [naam 3] niets heeft verzwegen, betekent dit dat [gedaagde sub 2] geen wettelijke rente verschuldigd is; van onrechtmatig handelen van zijn zijde is immers geen sprake.
De door [eiser] in XII. gevorderde medewerking van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij het overboeken van bedragen (na verrekening) zal worden toegewezen. In het verlengde daarvan zal het verzoek dat dit vonnis in de plaats van genoemde medewerking zal treden op grond van artikel 3:300 BW eveneens worden toegewezen., gezien de gebrouilleerde verhoudingen tussen de drie erfgenamen, op grond waarvan de gerechtvaardigde vrees bestaat dat met de voldoening van de betreffende bedragen zal worden gedraald of deze zal worden gedwarsboomd.
Verdeling (toename) banksaldi
De gevorderde verklaring voor recht onder II. ligt voor toewijzing gereed nu deze verdeling conform de eerder bij vonnis van 30 maart 2022 vastgestelde breukdelen van partijen is berekend en zal worden toegewezen zoals in het dictum is bepaald. In het verlengde hiervan is de vordering onder XXVII. eveneens toewijsbaar.
Woning in [plaats 1]
[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt tot het meewerken aan de levering van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] aan [eiser] . Bij gebreke van die medewerking vordert [eiser] dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW dezelfde kracht zal hebben als de in de wettelijke vorm opgemaakte leveringsakte en in de plaats zal treden van genoemde leveringsakte. Gelet op de gekozen bewoordingen begrijpt de rechtbank dat [eiser] niet specifiek lid 1 of (het verder gaande) lid 2 van genoemde bepaling op het oog heeft.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat ze de levering van de woning aan [eiser] niet in de weg staat en dat [eiser] conform het vonnis van de rechtbank van 30 maart 2022 tijdig zekerheid heeft gesteld. [gedaagde sub 1] heeft bovendien conform het vonnis in incident van 10 januari 2024 reeds de sleutels van de woning aan [eiser] afgegeven. [gedaagde sub 2] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd.
Verder overweegt de rechtbank dat de woning aan [eiser] moet worden geleverd nu is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in rov. 2.17.1. van het vonnis van 30 maart 2022. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij tijdig zekerheid heeft gesteld bij de notaris. Voor zover bekend heeft [eiser] enkel beslag gelegd op de ervenrekeningen en niet op de woningen, zodat het gelegde beslag tevens niet aan de levering van de woning aan [eiser] in de weg kan staan.
Wat betreft de zekerheid die [eiser] heeft gesteld voor de levering van de woning in [plaats 1] , vordert hij onder I. een verklaring voor recht. Deze vordering ligt voor toewijzing gereed, met de kanttekening dat hetgeen de rechtbank bij vonnis van 30 maart 2022 in rov. 3.4. van haar beslissing heeft overwogen met betrekking tot kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de in rov. 3.1. van dat vonnis geformuleerde verdeling in acht genomen moeten worden.
De vordering onder XXVIII. ligt derhalve voor toewijzing gereed. Gezien de slechte verhoudingen tussen partijen, geculmineerd in de diverse door hen gevoerde procedures ten overstaan van de rechtbank, acht de rechtbank toepassing van artikel 3:300 BW geïndiceerd, met dien verstande dat de rechtbank aan de veroordeling tot medewerking aan de levering van de betreffende woning de bepaling zal verbinden dat indien [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] hun medewerking weigeren aan de levering van de woning, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een daartoe in de wettige vorm opgemaakte akte, op basis waarvan de notaris een leveringsakte kan opstellen en passeren zonder de medewerking van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . De rechtbank ziet deze bepaling echter nadrukkelijk als een ultimum remedium en onderstreept dat zij, gezien het feit dat [gedaagde sub 1] zich in rechte op het standpunt heeft gesteld dat zij levering niet in de weg zal staan en daartoe ook reeds de sleutel van de woning aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld – [gedaagde sub 2] heeft zich op dit punt niet uitgelaten – medewerking van alle partijen in bijzonder sterke mate de voorkeur geniet.
Beslagkosten
[eiser] vordert onder XXX. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten voor de gelegde beslagen ad € 1.899,85 inclusief BTW plus een pro memorie post aan deurwaarderskosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden tot op heden vastgesteld op € 1.899,85 inclusief BTW voor kosten deurwaarder. Voor zover bij de rechtbank bekend is de bij dagvaarding gevorderde pro memorie post aan beslagkosten niet nader ingevuld. Voor zover er meer aan beslagkosten nog gevorderd is, wordt dat derhalve afgewezen.
[eiser] heeft tevens de wettelijke rente over de beslagkosten gevorderd vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daar geen verweer tegen gevoerd. De gevorderde rente over de beslagkosten zal worden toegewezen als gevorderd.
De rechtbank overweegt tot slot nog dat zij verstaat dat [eiser] het op de ervenrekeningen gelegde beslag, voor zover dat hier nog op rust, dient op te heffen met het oog op de betalingen die vanaf die rekeningen dienen te worden verricht uit hoofde van hetgeen in dit vonnis is beslist.
In reconventie
De rechtbank merkt op dat zowel [gedaagde sub 1] als [eiser] geen schriftelijke conclusie van antwoord in reconventie hebben ingediend. De rechtbank begrijpt daarom dat zij uiterlijk ter zitting verweer hebben gevoerd dan wel hadden kunnen voeren tegen de vorderingen in reconventie van [gedaagde sub 2] .
[gedaagde sub 2] vordert in reconventie onder I. een verklaring voor recht en medewerking van [eiser] en [gedaagde sub 1] aan de levering van het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] aan [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] heeft hierover in haar conclusie van antwoord in conventie opgemerkt dat [naam 3] niet tijdig zekerheid heeft gesteld, terwijl hij dat volgens haar wel had moeten doen, en dat daarom het pand verkocht moet worden. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelt voorop dat het vonnis van 30 maart 2022 uitgangspunt is voor de beoordeling van deze vordering. De woning in [plaats 2] is bij voornoemd vonnis aan [naam 3] toegedeeld, met de kanttekening dat indien [naam 3] aan [eiser] en [gedaagde sub 1] een uitkering in verband met overbedeling verschuldigd zou zijn, hij deze uitkering uiterlijk op 30 september 2022 moest hebben voldaan of daartoe genoegzaam zekerheid moest hebben gesteld. Indien [naam 3] het laatstgenoemde zou nalaten, dan zou het pand niet aan hem worden toegedeeld, maar zou het pand worden verkocht aan een derde. De hamvraag in deze is of [naam 3] overbedeeld was. Alhoewel het banksaldo destijds nog niet bekend was, heeft de rechtbank in het vonnis van 30 maart 2022 de volgende berekening gemaakt:
Aandeel [naam 3] € 267.132,42 + 23/64e waarde banksaldo
reeds ontvangen voorschotten € 59.725,00
toedeling huidige inboedel pand [plaats 2] nihil
toedeling pand [plaats 2] € 350.000,00
---------------------
aanspraak na toedeling voormelde activa -/- € 142.592,58 + 23/64e waarde banksaldo
Zowel [eiser] als [gedaagde sub 2] hebben onbetwist gesteld dat het banksaldo per 30 maart 2022 € 567.401,64 bedroeg. Indien de voornoemde berekening wordt gevolgd en [naam 3] 23/64e deel van het banksaldo verkrijgt (= € 203.909,96), dan was [naam 3] niet overbedeeld maar had hij nog een aanspraak van € 61.317,38. Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat [naam 3] ook nog een vordering vanwege de nalatenschap van zijn moeder heeft ad € 200.659,87 conform rov. 2.11 van het vonnis van 30 maart 2022. Daar komt tevens bij dat [gedaagde sub 2] nog een bedrag toekomt van € 130.676,41 zoals hiervoor is vastgesteld. [gedaagde sub 2] beroept zich ook op correspondentie die is gevoerd tussen mr. Borger en de toenmalige advocaat van [gedaagde sub 1] . Gelet op het voorgaande slaagt het verweer van [gedaagde sub 1] niet. [gedaagde sub 1] heeft niet gesteld waaruit zou moeten blijken dat [naam 3] zekerheid had moeten stellen of een uitkering had moeten doen aan de andere deelgenoten. De toedeling van de woning aan [naam 3] ( [gedaagde sub 2] ) blijft dan ook onvoorwaardelijk gehandhaafd. Dat de woning niet in Nederland ligt maakt dit niet anders, aangezien de woning deel uitmaakt van een nalatenschap die naar Nederlands recht dient te worden verdeeld. Dit betekent dat de verklaring voor recht kan worden toegewezen. De vordering van [gedaagde sub 2] onder I. ligt dan ook voor toewijzing gereed.
[gedaagde sub 2] heeft tevens onder II. gevorderd dat [eiser] en [gedaagde sub 1] worden veroordeeld tot het verlenen van hun medewerking aan de levering van de betreffende woning aan haar, waaronder begrepen de voldoening van de daarmee gemoeide kosten van de in te schakelen notaris “of andere betrokken instanties” uit de nalatenschap en verrekening naar rato van ieders aandeel daarin. Gelet op de beslissing van de rechtbank bij vonnis van 30 maart 2022 tot toedeling van de betreffende woning aan [naam 3] en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is deze vordering voor toewijzing vatbaar. De met de levering van de woning gemoeide kosten van de notaris zijn nalatenschapskosten, zodat deze ten laste van de boedel komen. Voor zover het gaat om kosten van de levering van “andere betrokken instanties” is de rechtbank bij gebrek aan nadere specificatie hiervan niet helder op welke instanties [gedaagde sub 2] het oog heeft, reden waarom dat deel wordt afgewezen, mede ter voorkoming van onduidelijkheden die wellicht weer de kiem zouden kunnen vormen voor nieuwe meningsverschillen.
[gedaagde sub 2] heeft onder III. ook gevorderd om, indien [eiser] en/of [gedaagde sub 1] niet meewerken aan de levering, dit vonnis ex artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als de in de wettelijke vorm opgemaakte leveringsakte en dat het vonnis in de plaats van de leveringsakte zal treden. Nu het gaat om een woning in België en een in België opgemaakte akte die door een Belgische notaris zal worden opgemaakt, zal dit deel van de vordering worden afgewezen, nu uitvoering hiervan op, in elk geval, een veelheid aan praktische bezwaren zal stuiten. Hetzelfde geldt voor de door [gedaagde sub 2] gevorderde benoeming van (drie) onzijdige personen op de voet van artikel 3:181 BW. Deze moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een uitwerking voor een bepaald geval van het hiervoor besproken artikel 3:300 BW, zodat hiervoor dezelfde argumenten gelden als gebezigd ten aanzien van [gedaagde sub 2] ’s beroep op artikel 3:300 BW. Niettemin moet voor ogen worden gehouden dat ook hier geldt dat de verhoudingen tussen partijen slecht zijn en rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van tegenwerking aan de levering door de andere erfgenamen. In het licht hiervan ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de door [gedaagde sub 2] gevorderde veroordeling tot betaling van een dwangsom, indien medewerking door [eiser] en/of [gedaagde sub 1] aan de levering van de woning aan [gedaagde sub 2] uitblijft. De hierop toegesneden vordering zal de rechtbank daarom toewijzen, waarbij de dwangsom zal worden bepaald op een bedrag van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 250.000,00, op de hierna in het dictum geformuleerde wijze.
In conventie en in reconventie
Proceskosten
Gelet op de bloedverwantschap van partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
In conventie
verklaart voor recht dat op het door [eiser] (na levering van het pand aan de [adres 1] in [plaats 1] aan [eiser] en de overige activa zoals vermeld in het vonnis van 30 maart 2022 van de rechtbank Limburg) te betalen bedrag van €427.193,98 in mindering strekt een bedrag van € 159.581,71 (zijn aandeel in de banksaldi per 30 maart 2022) en in mindering strekt € 154.475,76 (zijn overbedelingsvordering in de nalatenschap van moeder), zodat door [eiser] (na toedeling van het pand in [plaats 1] en de overige activa zoals vermeld in het vonnis van 30 maart 2022) bij levering van de woning aan de [adres 1] nog een totaalbedrag van € 113.136,51 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verschuldigd is, derhalve aan [gedaagde sub 1] een bedrag van € 56.568,25 en aan [gedaagde sub 2] eveneens een bedrag van € 56.568,25, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank bij vonnis van 30 maart 2022 in rov. 3.4. van haar beslissing heeft overwogen met betrekking tot de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de onder rov. 3.1 van dat vonnis geformuleerde verdeling;
verklaart voor recht dat van de saldi op de ING betaalrekening [rekeningnummer 1] , de ING profijtrekening (oranje spaarrekening) met nummer [rekeningnummer 2] en de ING betaalrekening [rekeningnummer 3] van in totaal € 567.401,64 per 30 maart 2022, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ieder een aandeel hebben van 23/64e, dus van € 203.909,96, en [eiser] een aandeel heeft van 18/64e, dus van € 159.581,71, een en ander met inachtneming van het hetgeen hierna in rov. 3.7. en 3.8. is beslist;
verklaart voor recht dat de nalatenschap een vordering op [gedaagde sub 1] heeft van
€ 39.270,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 over een bedrag van € 17.240,90 ( [eiser] aandeel) tot aan de dag der algehele voldoening, uit hoofde van door [gedaagde sub 1] van de ervenrekening gepinde/overgeboekte bedragen ten behoeve van privéuitgaven van [gedaagde sub 1] ,
verklaart voor recht dat de nalatenschap een vordering op [gedaagde sub 1] heeft van
€ 168.177,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 over een bedrag van € 73.833,99 ( [eiser] aandeel) tot aan de dag der algehele voldoening, uit hoofde van door [gedaagde sub 1] van de ervenrekening betaalde bedragen aan haar advocaat en adviseurs,
verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] haar aandeel in de vorderingen zoals hiervoor genoemd in rov. 3.3. en 3.4. – van in totaal € 207.448,38 – heeft verbeurd, en dat van dit bedrag aan [eiser] toekomt € 91.074,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, zoals hiervoor beslist in rov. 3.3. en 3.4.;
bepaalt dat [eiser] het door hem aan [gedaagde sub 1] te betalen bedrag van € 56.568,25 (zoals hiervoor vermeld in rov. 3.1.) kan verrekenen met het door [gedaagde sub 1] aan [eiser] te betalen bedrag van € 91.074,89 (zoals hiervoor vermeld onder rov. 3.5.) – voor [gedaagde sub 1] komt die betalingsverplichting aan [eiser] alsdan te vervallen – zodat door [gedaagde sub 1] alsdan aan [eiser] nog resteert te voldoen € 34.506,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat het bedrag van € 91.074,89 (zoals hiervoor vermeld onder rov. 3.6.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, in mindering strekt op het aan [gedaagde sub 1] toekomende aandeel van € 203.909,96 in de banksaldi van de ING-ervenrekeningen zoals genoemd onder rov. 3.2.;
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan overboeking aan [eiser] van genoemd bedrag van € 34.506,64 (na verrekening zoals vermeld onder rov. 3.6.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening uit haar aandeel in de ervenrekeningen bij de ING bank en bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] weigeren hun medewerking te verlenen aan overboeking hiervan aan [eiser] , dit vonnis ex artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als de medewerking van [gedaagde sub 1] en/of [naam 3] aan de overboeking van het aan [eiser] toekomende bedrag en voorts zal bepalen dat het vonnis in de plaats van genoemde medewerking zal treden;
verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap heeft onttrokken een bedrag van in totaal € 39.799,40, bestaande uit € 1.095,71 (uit hoofde van aan [naam 3] van de ervenrekening betaalde voorschotten) en € 38.703,69 (uit hoofde van ten laste van de ervenrekening ten behoeve van [naam 3] betaalde privélasten);
veroordeelt [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap te voldoen een bedrag van € 39.799,40 (zie rov. 3.9.);
bepaalt dat het door [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap te betalen bedrag van € 39.799,40 (zie rov. 3.10.), alsnog verdeeld dienen te worden tussen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [eiser] in de verhouding 23/64e ( [gedaagde sub 1] ): 23/64e ( [gedaagde sub 2] ): 18/64e ( [eiser] ) en bepaalt dat aan [eiser] alsdan nog toekomt een bedrag van € 11.193,58;
bepaalt dat [eiser] het door hem aan [gedaagde sub 2] te betalen bedrag van € 56.568,25 (zoals hiervoor vermeld onder rov. 3.1.) kan verrekenen met het door [gedaagde sub 2] aan [eiser] te betalen bedrag van € 11.193,58 (zoals hiervoor vermeld onder rov. 3.11.) – voor [gedaagde sub 2] komt die betalingsverplichting aan [eiser] alsdan te vervallen – zodat door [eiser] aan [gedaagde sub 2] alsdan nog resteert te voldoen (na verrekening), een bedrag van € 45.374,67;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [plaats 1] aan [eiser] ;
bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] – na de hiervoor in rov. 3.13. gestelde termijn – weigert/weigeren haar/hun medewerking te verlenen aan de levering zoals uitgesproken in rov. 3.13. van genoemde onroerende zaak aan [eiser] , dit vonnis ex artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als een daartoe in wettige vorm opgemaakte akte, op basis waarvan de notaris een leveringsakte kan opstellen en passeren zonder de medewerking van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] ;
bepaalt dat saldi op de ervenrekeningen, zijnde de ING betaalrekening [rekeningnummer 1] , de ING profijtrekening (oranje spaarrekening) met nummer [rekeningnummer 2] en de ING betaalrekening [rekeningnummer 3] voor zover dat meer bedraagt dan het saldo van € 567.401,64 per 30 maart 2022 dienen te worden verdeeld conform de verdeelsleutel 23: 23: 18 tussen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] respectievelijk [eiser] , en veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om twee maanden na betekening van dit vonnis haar/hun medewerking te verlenen aan overboeking van het alsdan nog aan [eiser] toekomende bedrag van de onder rov. 3.2. genoemde ING ervenrekening;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.899,85, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:199 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
verstaat dat [eiser] opheft het op de ervenrekeningen gelegde beslag, voor zover dat hier nog op rust, met het oog op de betalingen die vanaf die rekeningen dienen te worden verricht uit hoofde van hetgeen in dit vonnis is beslist;
verklaart de veroordelingen onder rov. 3.6. t/m 3.8. en rov. 3.10. t/m 3.17. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
verklaart voor recht, dat [gedaagde sub 2] op grond van het vonnis van 30 maart 2022 en gegeven het banksaldo en de vorderingen van [gedaagde sub 2] vanwege de nalatenschap van haar grootmoeder (de moeder van [naam 3] ), voor toedeling van het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] aan haar, niet gehouden was om uiterlijk 30 september 2022 een uitkering overbedeling te doen of om zekerheid te stellen zoals in r.o. 2.17.1 van dat vonnis overwogen is;
veroordeelt [eiser] en [gedaagde sub 1] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis alle benodigde medewerking te verlenen aan levering van de onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats 2] aan [gedaagde sub 2] daaronder begrepen de voldoening van de daarmee gemoeide kosten aan de in te schakelen notaris uit de nalatenschap en verrekening naar rato van ieders aandeel daarin;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en/of [eiser] om aan [gedaagde sub 2] ieder voor zich een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde sub 1] en/of [eiser] weigeren medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] aan [gedaagde sub 2] – na de hiervoor in rov. 3.21. gestelde termijn – niet aan de in rov. 3.21. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt;
verklaart de veroordelingen onder rov. 3.21. en 3.22. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op
27 augustus 2025.
DS