RECHTBANK LIMBURG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
16 december 2025 in de zaken tussen
25 2753: [naam] , te Heel, verzoeker 1,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/2753 en 25/2755
(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils), en
25/2755: [naam], verzoeker 2, gezamenlijk te noemen: verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw en Roerdalen, verweerder,
(gemachtigde: K. Rocha Brás).
Procesverloop
Bij besluiten van 20 oktober 2025 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd.
Verzoekers hebben tegen de aan hen gerichte primaire besluiten bezwaar gemaakt bij verweerder. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Verzoeker 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoekers hebben hierover aangevoerd dat de bedrijfsactiviteiten die verzoeker 2 uitvoert, op grond van het geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ zijn toegestaan. Er is voor afloop van de begunstigingstermijn aan de lasten gevolg gegeven en de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt maar dat is alleen om te voorkomen dat verzoekers ieder een dwangsom van € 7.500,00 verbeuren. Omdat de opgelegde lasten volgens verzoekers onrechtmatig zijn en een beslissing op hun bezwaren niet op korte termijn wordt verwacht, stellen zij zich op het standpunt dat zij een spoedeisend belang hebben bij een (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel van de voorzieningenrechter.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een spoedeisend belang ontbreekt. De beslissingen op bezwaar zijn eind februari 2026 te verwachten.
4. Bij een geschil waar het in de kern gaat om financiële belangen aan de kant van verzoekers, zoals hier aan de orde, is niet snel reden een voorlopige voorziening te treffen. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald of kan schade als gevolg van de (onrechtmatige) besluitvorming worden vergoed, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. De beoordeling kan anders komen te liggen als het besluit een onomkeerbare situatie tot gevolg heeft of kan hebben, bijvoorbeeld een faillissement of als sprake is van acute financiële nood.
5. Dat van onomkeerbare gevolgen sprake zal zijn, is niet gebleken. Door verzoeker 1 is buiten de mogelijkheid van het verbeuren van de dwangsom geen ander financieel belang gesteld. Hij stelt het terrein, waarop verzoeker 2 zijn activiteiten uitvoert, aan verzoeker 2 om niet ter beschikking. Er is geen aanleiding om een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aan te nemen. Voor verzoeker 2 geldt dat niet alleen een dwangsom van € 7.500,00 wordt verbeurd als hij de bedrijfsactiviteiten hervat maar dat tevens aannemelijk is dat hij schade lijdt c.q. inkomsten derft als de bedrijfsactiviteiten hangende de bezwaarprocedure gestaakt moeten blijven. Door verzoeker 2 is geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Onduidelijk is gebleven welke financiële consequenties het staken van de bedrijfsactiviteiten voor hem heeft. Omdat verzoeker 2 niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd dat het verbeuren van de dwangsom en gestaakt moeten houden van zijn bedrijfsactiviteiten tot een acute financiële noodsituatie/faillissement zal leiden, bestaat ook bij hem onvoldoende grond om een spoedeisend belang aan te nemen. Verzoeker 2 is de bedrijfsactiviteiten gestart in de veronderstelling dat dat mocht zonder vooraf daarover contact op te nemen met verweerder. Er is in dit geval in beginsel geen reden een voorlopige voorziening te treffen.
6. Ondanks het voorgaande kan toch reden bestaan een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van evidente onrechtmatigheid van de bestreden besluiten. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken (geen) aanleiding om te oordelen dat de bestreden besluiten evident onrechtmatig zijn. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen.
7. Partijen verschillen met name van mening over de vraag of de bedrijfsactiviteiten van verzoeker 2 aangemerkt kunnen worden als ‘overige groothandel in afval en schroot: b.p. < 1000 m²’ (SBI code 4677) als vermeld in de bij het geldend bestemmingsplan/tijdelijk deel omgevingsplan behorende lijst van (toegestane) bedrijfsactiviteiten. Gebleken is dat ter plaatse demontage en andere bewerking (strippen) van machines en objecten uit metaal plaatsvindt. Niet gezegd kan worden dat verweerders standpunt dat die bedrijfsactiviteiten niet onder genoemde code vallen, evident onjuist is. Dat geldt ook voor verweerders standpunt om, gelet op de klachten over overlast van de bedrijfsactiviteiten en de vastgestelde omgevingsvisie, geen medewerking te willen verlenen aan een binnenplanse afwijking ter legalisatie van de bedrijfsactiviteiten. Een aanvraag daartoe is overigens niet gedaan. Voor zover verzoeker 2 aanvoert dat de last niet helemaal duidelijk is omdat ook ‘sorteren’ wordt verboden en dit tot op zekere hoogte inherent is aan ter plaatse wel toegestane bedrijfsactiviteiten, kan verweerder dat in de te nemen beslissing op bezwaar verder verduidelijken. Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter daarom tot het oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, die gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure vereist.
8. Omdat de verzoeken worden afgewezen, bestaat voor een proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A. Timmers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 18 december 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.