ECLI:NL:RBLIM:2025:12772

ECLI:NL:RBLIM:2025:12772, Rechtbank Limburg, 03-09-2025, C/03/332052 / HA ZA 24-291

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 03-09-2025
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer C/03/332052 / HA ZA 24-291
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Vorderingen van faillissementscurator op bestuurders failliete vennootschappen op grond van onttrokken activa en bestuurdersaansprakelijkheid worden afgewezen. De curator heeft zijn vorderingen, in het licht van de verweren, op alle onderdelen onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/332052 / HA ZA 24-291

Vonnis van 3 september 2025

in de zaak van

[eiser] ,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschap [naam BV 1] en de besloten vennootschap [naam BV 2] ,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. A.L. Stegeman,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SANTIFLO B.V.,

gevestigd te Schimmert, gemeente Beekdaelen,2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. H.E.C. Savelkoul.

Partijen zullen hierna de curator, Santiflo en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding, met producties 1 tot en met 45,

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13,

de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

het B8-formulier van 21 mei 2025 van de curator, met producties 46 tot en met 48,

het B8-formulier van 28 mei 2025 van de curator, met productie 49,

het B8-formulier van 28 mei 2025 van Santiflo en [gedaagde sub 2] , met producties 14 tot en met 16,

het B8-formulier van 28 mei 2025 van de curator, met productie 50,

het B8-formulier van 4 juni 2025 van Santiflo en [gedaagde sub 2] , met producties 17 en 18,

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 juni 2025,

de spreekaantekeningen van mr. Stegeman,

de spreekaantekeningen van mr. Savelkoul,

de reactie van de curator op het proces-verbaal bij brief van 18 juni 2025,

de reactie van Santiflo en [gedaagde sub 2] op het proces-verbaal bij e-mail van 24 juni 2025,

de brieven van de griffier aan partijen van 23 en 25 juni 2025.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde sub 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van Santiflo. Santiflo is bestuurder en aandeelhouder van [naam BV 1] (hierna: [naam BV 1] ) en tevens aandeelhouder van [naam BV 2] (hierna: [naam BV 2] ). [naam BV 1] is bestuurder van [naam BV 2] .

[naam BV 1] dreef een onderneming die zich onder meer bezig hield met activiteiten op het gebied van boekingen en het management van artiesten en bands en (muziek) consultancy voor het bedrijfsleven. [naam BV 2] hield zich als onderneming onder meer bezig met het organiseren, produceren en/of promoten van concerten, bedrijfs- en publieksevenementen, culturele projecten en tv programma’s.

[naam BV 1] en [naam BV 2] hebben hun eigen faillissement aangevraagd. [gedaagde sub 2] was daarbij als (middellijk) aandeelhouder betrokken.

[naam BV 1] en [naam BV 2] zijn bij vonnis van deze rechtbank van 3 december 2013 in staat van faillissement verklaard.

[eiser] is in beide faillissementen tot curator aangesteld.

3. Het geschil

De curator vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank bij vonnis:

in het faillissement van [naam BV 2] :

I. [gedaagde sub 2] veroordeelt tot betaling aan de curator van de volgende bedragen:

 bedrag onttrekkingen door [gedaagde sub 2] € 152.163,00

 bedrag onttrekkingen door Santiflo € 26.000,00

 vergoeding inventaris € 1.844,00

 vergoeding goodwill € 300.000,00

 doorsluizen subsidie naar St. ParkCity Live € 25.000,00

 bestuurdersaansprakelijkheid € 31.309,00

 bestuurdersaansprakelijkheid volledig tekort

 of uit onrechtmatige daad idem

 primair 100% van de faillissementskosten € 148.887,00

 subsidiair 50% van de faillissementskosten € 74.443,00

II. Santiflo veroordeelt tot betaling aan de curator van de navolgende bedragen:

 bedrag onttrekkingen door [gedaagde sub 2] € 152.163,00

 bedrag onttrekkingen door Santiflo € 26.000,00

 vergoeding inventaris € 1.844,00

 vergoeding goodwill € 300.000,00

 doorsluizen subsidie naar St. ParkCity Live € 25.000,00

 bestuurdersaansprakelijkheid € 31.309,00

 bestuurdersaansprakelijkheid volledig tekort

 of uit onrechtmatige daad idem

 primair 100% van de faillissementskosten € 148.887,00

 subsidiair 50% van de faillissementskosten € 74.443,00

waarvan alle bedragen zijn te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van het faillissement tot aan de datum van volledige voldoening en waarbij de ene gedaagde gekweten is voor een genoemd onderdeel van de vorderingen wanneer deze volledig door de andere voldaan is,

III. voor recht verklaart dat Santiflo en [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn wegens

onbehoorlijk bestuur van de vennootschap [naam BV 2] zulks

voor het volledige tekort in het faillissement van [naam BV 2]

IV. Santiflo en [gedaagde sub 2] ieder hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van geldbedragen gelijk aan de volledige tekorten in het faillissement van [naam BV 2] , op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juli 2017 tot aan de datum van volledige voldoening,

V. Santiflo en [gedaagde sub 2] ieder hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van een voorschot op de betalingen hiervoor bedoeld onder IV, voor ieder van de gefailleerde vennootschappen te bepalen op € 75.000,00,

VI. Santiflo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 2e dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de datum van volledige voldoening.

in het faillissement van [naam BV 1] :

I. [gedaagde sub 2] veroordeelt tot betaling aan de curator van de volgende bedragen:

 bedrag onttrekkingen [gedaagde sub 2] € 46.584,00

 bedrag onttrekkingen Santiflo € 70.909,00

 vergoeding inventaris € 1.568,00

 bestuurdersaansprakelijkheid volledig tekort

 of uit onrechtmatige daad idem

 primair 100% van de faillissementskosten €148.887,00

 subsidiair 50% € 74.443,00

waarvan alle bedragen zijn te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van uitspraak faillissement tot aan de datum van volledige voldoening;

II. Santiflo veroordeelt tot betaling aan de curator van het navolgende:

 bedrag onttrekkingen Santiflo € 70.909,00

 bedrag onttrekkingen [gedaagde sub 2] € 46.584,00

 vergoeding inventaris € 1.568,00

 bestuurdersaansprakelijkheid volledige tekort

 of uit onrechtmatige daad idem

 primair 100% van de faillissementskosten € 148.887,00

 subsidiair 50% van de faillissementskosten € 74.443,00

waarbij de ene gedaagde gekweten is voor een genoemd onderdeel van de vorderingen wanneer deze volledig door de andere voldaan is,

III. voor recht verklaart dat ieder van gedaagden aansprakelijk is wegens

onbehoorlijk bestuur van de vennootschap [naam BV 1] , zulks

voor het volledige tekort in het faillissement van [naam BV 1]

IV. Santiflo en [gedaagde sub 2] ieder hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van geldbedragen gelijk aan het volledige tekort in het faillissement van [naam BV 1] , op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juli 2017 tot aan de datum van volledige voldoening,

V. Santiflo en [gedaagde sub 2] ieder hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van een voorschot op de betalingen hiervoor bedoeld in onder IV, voor ieder van de gefailleerde vennootschap te bepalen op €75.000,00,

VI. Santiflo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 2e dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de datum van volledige voldoening.

Santiflo en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Nietigheid dagvaarding

Santiflo en [gedaagde sub 2] voeren aan dat de dagvaarding niet aan de eisen van artikel 111 lid 2 sub d Rv voldoet en daarom op grond van artikel 120 lid 1 Rv nietig moet worden verklaard. Volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] is de dagvaarding onnavolgbaar, ontbreekt een feitelijke onderbouwing, ontbreekt het productie-overzicht, wordt niet duidelijk naar producties verwezen en zijn de vorderingen niet juridisch gekwalificeerd.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden. Met de gronden wordt bedoeld dat de feitelijke grondslag van de ingestelde vorderingen duidelijk uit de dagvaarding moet blijken. Eiser kan niet worden verplicht om de rechtsgrondslag van de ingestelde vorderingen te vermelden, om welke reden de rechtbank voorbij gaat aan het standpunt van Santiflo en [gedaagde sub 2] dat de curator dit op straffe van nietigheid van de dagvaarding had dienen te vermelden. Dat bij de dagvaarding geen productie-overzicht is bijgevoegd, leidt evenmin tot nietigheid van de dagvaarding nu een verzuim op dat punt niet met nietigheid is bedreigd. De curator heeft overigens op een later moment wel het productie-overzicht overgelegd, waardoor Santiflo en [gedaagde sub 2] ook niet in hun belangen zijn geschaad. De omstandigheid dat niet duidelijk naar producties wordt verwezen leidt eveneens niet tot nietigheid van de dagvaarding. Dat laat onverlet dat de rechtbank alleen acht slaat op de producties die voldoende zijn toegelicht.

De rechtbank is verder van oordeel dat bij bestudering van de dagvaarding is gebleken dat de eis, de gronden daarvan en de feitelijke onderbouwing voldoende duidelijk zijn geformuleerd om over te kunnen oordelen. Daarmee is in voldoende mate voldaan aan de eisen van artikel 111 lid 2 sub d Rv.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding en de curator ontvankelijk is in zijn vorderingen.

Buiten toepassing laten producties

Santiflo en [gedaagde sub 2] stellen zich op het standpunt dat de door de curator in het geding gebrachte producties op grond van artikel 22b Rv buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat het productie-overzicht ontbreekt, niet duidelijke verwijzingen in de dagvaarding zijn opgenomen en onderbouwing hiervan ten opzichte van de stellingen ontbreekt.

Op grond van artikel 22b Rv kan de rechtbank een door partijen overgelegd stuk buiten beschouwing laten indien de door de rechtbank gevraagde opheldering over dat stuk niet is verstrekt. Nu de rechtbank partijen in de onderhavige procedure niet om opheldering van stukken heeft verzocht, is het buiten beschouwing laten van de producties op grond van artikel 22b Rv niet aan de orde. Het beroep van de curator op grond van artikel 22b slaagt dan ook niet. Dit doet er niet aan af dat de rechtbank, zoals hiervoor reeds is vermeld, alleen acht slaat op de producties die voldoende zijn toegelicht.

Opmerking voorafgaand aan inhoudelijke behandeling standpunten

De curator vordert dat Santiflo en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld tot het betalen van vergoedingen aan de boedels van [naam BV 1] en [naam BV 2] . Hij vordert van ieder van hen twee keer het boedeltekort en daarnaast een bedrag van de faillissementskosten – terwijl die kosten deel uitmaken van het boedeltekort – en daar bovenop aanvullende bedragen. Dit zou bij toewijzing leiden tot veroordeling van een bedrag dat het totaal van de faillissements- en boedelschulden overschrijdt, wat uiteraard niet kan. In het navolgende zal op de verschillende onderdelen van de vordering worden ingegaan, zonder dat opnieuw wordt benoemd dat er verschillende dubbeltellingen in de vorderingen zitten.

De geldelijke opnames

De curator stelt dat Santiflo en [gedaagde sub 2] een schuld aan de boedels van [naam BV 1] en [naam BV 2] hebben, omdat door hen geldelijke onttrekkingen zijn verricht die (i) betrekking hadden op privébetalingen van [gedaagde sub 2] die geen bedrijfsdoel dienden, en die (ii) op de rekening-courant zijn geboekt en door Santiflo en [gedaagde sub 2] moeten worden terugbetaald. De grondslag voor de terugbetaling hiervan is volgens de curator de rekening-courantverhouding. Voor zover dit wordt betwist, baseert de curator de vordering subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) of onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW).

Santiflo en [gedaagde sub 2] betwisten dat de boekingen betrekking hadden op privébetalingen, in welk kader zij opmerken dat uit de begunstigde van de betaling niet kan worden afgeleid dat het privé-uitgave betreft, ook gelet op de bedrijfsactiviteiten van [naam BV 1] en [naam BV 2] . Zij voeren aan dat dus niet kan worden aangenomen dat de betalingen geen zakelijk karakter hadden. Zij stellen ook dat het feit dat er vorderingen in rekening-courant worden geboekt, niet maakt dat er per saldo een vordering op [gedaagde sub 2] bestond. Als er incidenteel privé-uitgaven werden gedaan, werden die in rekening-courant geboekt en verrekend met vorderingen van [gedaagde sub 2] , aldus Santiflo en [gedaagde sub 2] .

De rechtbank stelt voorop dat het bestaan van een rekening-courantverhouding tussen [naam BV 1] en [naam BV 2] enerzijds en [gedaagde sub 2] anderzijds, op zichzelf uiteraard niet betekent dat [gedaagde sub 2] een schuld had aan (een van) deze rechtspersonen. Dat is slechts het geval als de binnen het rekening-courant geboekte vorderingen op [gedaagde sub 2] diens vorderingen op de betreffende vennootschap overstijgen. In zoverre is de vraag naar het al dan niet ‘privé’ zijn van de uitgaven die hebben geleid tot boekingen in rekening-courant ook niet relevant. Immers als de uitgaven als schuld van [gedaagde sub 2] in het rekening-courant zijn geboekt komen ze voor rekening van [gedaagde sub 2] , of de achtergrond daarvan de privékarakter van de corresponderende uitgaven is of niet. De curator heeft in de dagvaarding echter niet gesteld dat de rekening-courantverhoudingen sloten op een schuld van [gedaagde sub 2] . Hij heeft dat dus ook niet onderbouwd. De opsomming van gestelde privéuitgaven in een overzicht van een medewerker van de curator, die als bijlage bij de als productie 25a overgelegde brief is overgelegd, behelst een dergelijke onderbouwing alleen al niet omdat dit - zonder aanvullende toelichting, die ontbreekt – dus niets zegt over wat de stand van het rekening-courant op datum faillissementen was.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de curator (voor het eerst) gesteld dat de rekening-courantverhouding niet is geadministreerd binnen de vennootschap. Daaraan verbindt hij de conclusie dat de door hem als privéuitgaven betitelde betalingen hebben geleid tot vorderingen op [gedaagde sub 2] ter hoogte van het totaal van die betalingen. Hij zegt daarmee dus dat er in de rekening-courant verhoudingen enkel vorderingen op [gedaagde sub 2] zijn geboekt, waar hij (begrijpelijkerwijs) in de dagvaarding een dergelijke verhouding nog duidde als een verhouding waarbinnen vorderingen over en weer worden verwerkt. Zeker gelet op deze wending in standpunt, had van de curator een nadere onderbouwing mogen worden verwacht. In die redenering is de achtergrond van de boekingen immers wel relevant, omdat bij het gestelde ontbreken van een geadministreerde rekening-courantverhouding moet worden vastgesteld of deze boekingen gelet op hun aard ten laste komen van [gedaagde sub 2] . Waar [gedaagde sub 2] in de conclusie van antwoord verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de curator dat de boekingen privé waren, kan de curator niet volstaan met het verwijzen naar een door een van zijn medewerkers opgemaakt overzicht zonder onderliggende bescheiden en toelichting per post. Zo doende is de onderbouwing immers speculatief.

De slotsom is dat de curator zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

De curator betoogt dat Santiflo onterecht onder de noemer “managementfees” gelden heeft onttrokken van [naam BV 1] en [naam BV 2] , terwijl er geen managementovereenkomsten waren die Santiflo recht gaven op deze betalingen. De onttrekkingen zijn hierdoor volgens de curator onrechtmatig geschied. Santiflo betwist dat de geldelijke opnames onrechtmatig zijn geschied, omdat er wel managementovereenkomsten waren. De rechtbank is van oordeel dat de curator zijn vordering, gelet op de gemotiveerde betwisting van Santiflo, onvoldoende heeft onderbouwd. Santiflo merkt namelijk terecht op dat in de jaarverslagen van [naam BV 1] en [naam BV 2] de managementwerkzaamheden en daaruit voortvloeiende verplichtingen zijn vermeld, zonder dat de curator daar iets tegenin heeft gebracht.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank wijst de vorderingen tot betaling van

de bedragen € 152.163,00 en € 26.000,00 namens [naam BV 2] en de bedragen € 46.584,00 en

€ 70.909,00 namens [naam BV 1] af. Bespreking van hiervoor niet genoemde verweren van Santiflo en [gedaagde sub 2] is niet nodig.

Roerende zaken

Tussen partijen staat niet ter discussie dat er tussen de curator en [gedaagde sub 2] overeenstemming is bereikt over de overname van de roerende zaken door [gedaagde sub 2] uit de boedels, onder de opschortende voorwaarde dat de rechter-commissaris goedkeuring zou verlenen, en dat deze goedkeuring niet is verleend. Nu daarom, vanwege het ontbreken van een titel, de eigendomsoverdracht niet heeft plaatsgevonden, staat vast dat de roerende zaken in het vermogen van de boedels van [naam BV 1] en [naam BV 2] zijn gebleven.

De curator stelt dat Santiflo en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij roerende zaken onder zich houden zonder daarvoor een vergoeding te betalen, en de boedels van [naam BV 2] en [naam BV 1] op grond hiervan recht hebben op een schadevergoeding. Subsidiair betoogt de curator dat Santiflo en [gedaagde sub 2] een schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) of onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) verschuldigd zijn.

Ter verwere voeren Santiflo en [gedaagde sub 2] aan dat niet aan hen te wijten is dat de rechter-commissaris voor de overname van de roerende zaken geen toestemming heeft verleend. De curator heeft de roerende zaken vervolgens nooit opgehaald of gerevindiceerd, terwijl Santiflo en [gedaagde sub 2] hem daartoe wel altijd (en nog steeds) in de gelegenheid hebben gesteld. Volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] leidt het enkele voorhanden hebben van de roerende zaken bovendien niet automatisch tot een vordering. Zij betwisten dan ook dat zij onrechtmatig hebben gehandeld of dat sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling.

De rechtbank overweegt dat de curator niet in zijn stelling kan worden gevolgd, omdat de curator niet inzichtelijk heeft gemaakt welk onrechtmatig handelen Santiflo en [gedaagde sub 2] kan worden verweten. De curator heeft niet althans onvoldoende gesteld dat Santiflo en [gedaagde sub 2] hebben verhinderd dat het vermogen te gelden zou worden gemaakt. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat Santiflo en [gedaagde sub 2] onrechtmatig handelen kan worden verweten. Nu de roerende zaken altijd in de boedel van [naam BV 1] en [naam BV 2] zijn gebleven en er dus geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, kan ook geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onverschuldigde betaling. De rechtbank wijst de vorderingen tot betaling van de bedragen € 1.844,00 en € 1.568,00 voor de inventaris af.

Goodwill

De curator vordert namens de boedel van [naam BV 2] een vergoeding voor de beweerdelijk door [naam BV 2] gedane investeringen in de ontwikkeling van de goodwill voor het festival ParkCity Live. De goodwill bestaat volgens de curator uit het merk en de handelsnaam, knowhow en ervaring, een relatienetwerk, de bekendheid, het personeel en het verdienmodel. De curator betoogt dat Santiflo en [gedaagde sub 2] kort na de datum van het faillissement zonder zijn toestemming een doorstart met gebruikmaking van de naam ParkCity Live hebben gerealiseerd, waardoor zij onrechtmatig jegens [naam BV 2] handelen en de boedel hierdoor schade lijdt. Voor zover niet zou komen vast te staan dat [naam BV 2] eigenaar is van het merk en de handelsnaam van ParkCity Live, moet worden aangenomen dat [naam BV 2] een licentie had, aldus de curator. Daarvan zouden Santiflo en [gedaagde sub 2] in dat geval zonder instemming gebruik van hebben gemaakt en op grond daarvan een vergoeding verschuldigd zijn.

Vaststaat dat het merk en de handelsnaam van ParkCity Live nooit tot het vermogen van [naam BV 2] (of [naam BV 1] ) hebben behoord. Santiflo en [gedaagde sub 2] hebben namelijk met stukken onderbouwd gesteld dat deze rechten behoorden tot het vermogen van Music Creations Publishing B.V., wat de curator vervolgens niet heeft betwist. Alleen al om die reden kan de curator geen vordering claimen op grond van het gebruik van het merk en de handelsnaam. Verder hebben Santiflo en [gedaagde sub 2] onweersproken gesteld dat [naam BV 2] en [naam BV 1] ook geen licentie hadden voor het gebruik van het merk en de handelsnaam. Die licentie was verleend aan Stichting Park City Live, die vervolgens [naam BV 2] en [naam BV 1] opdracht heeft gegeven het festival te organiseren. Ook aan de licentie konden [naam BV 2] en [naam BV 1] dus geen rechten ontlenen en bijgevolg de curator evenmin. Dit alles nog afgezien van het feit dat Santiflo en [gedaagde sub 2] onweersproken hebbe gesteld dat de aan Stichting Park City Live verstrekte licentie niet exclusief was.

De slotsom is dat de curator om verschillende redenen geen vordering kan baseren op het merk en de handelsnaam van ParkCity Live.

Tussen partijen is niet in geschil dat het festival na het faillissement van [naam BV 2] , wordt georganiseerd door Park At Work B.V. Dit betekent dat Santiflo noch [gedaagde sub 2] gebruik maken van een eventuele goodwill buiten het merk en de handelsnaam, bestaande uit de door de curator gestelde investeringen van [naam BV 2] in knowhow en ervaring, een relatienetwerk, de bekendheid, het personeel en het verdienmodel. Dat kan dus geen basis vormen voor een vordering ter zake van de curator. De curator stelt aanvullend dat [gedaagde sub 2] de bedoelde goodwill ‘heeft onttrokken’ aan de boedel van [naam BV 2] en heeft overgedragen aan Park At Work B.V. De curator heeft daarmee echter onvoldoende concreet onderbouwd welk onrechtmatig handelen Santiflo en [gedaagde sub 2] kan worden verweten. De omstandigheid dat na de faillissementen het festival opnieuw is georganiseerd met betrokkenheid van [gedaagde sub 2] en alsdan (mogelijk) met gebruikmaking van diens kennis, is op zichzelf onvoldoende om hem (en/of Santiflo) onrechtmatig handelen te kunnen verwijten. Als de curator ergens anders op doelt, heeft hij nagelaten dat te duiden. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat Santiflo en [gedaagde sub 2] onweersproken hebben gesteld dat ParkCity Live tot aan het faillissement verlieslatend was, zodat ook niet kan worden aangenomen dat de gestelde goodwill überhaupt enige waarde vertegenwoordigde.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat zij de vorderingen van de curator namens de boedel van [naam BV 2] van een bedrag van € 300.000,00 afwijst.

Subsidie

De curator vordert verder namens de boedel van [naam BV 2] op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) een vergoeding van de verstrekte subsidie van € 25.000,00 voor de organisatie van een ParkCity Live festival. Volgens de curator heeft de aan [gedaagde sub 2] gelieerde Stichting ParkCity Live voor de organisatie van een ParkCity Live festival ten onrechte deze subsidie ontvangen. De curator betoogt dat [naam BV 2] deze subsidie had moeten ontvangen, omdat zij het festival organiseerde en hiervoor kosten heeft gemaakt.

Santiflo en [gedaagde sub 2] betwisten dat [naam BV 2] de rechthebbende van de subsidie was. Santiflo en [gedaagde sub 2] voert aan dat Stichting ParkCity Live de aanvrager van de subsidie was en daarmee ook de rechthebbende daarop. Stichting ParkCity Live heeft de subsidiegelden aangewend om de dienstverlening van [naam BV 2] en [naam BV 1] te bekostigen, aldus Santiflo en [gedaagde sub 2] . De rechtbank is van oordeel dat Santiflo en [gedaagde sub 2] aldus gemotiveerd hebben betwist dat [naam BV 2] de rechthebbende op de subsidie was. Daarmee valt niet in te zien waarop de curator ter zake een aanspraak baseert en dat is ook niet nader toegelicht. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van € 25.000,00 voor de subsidie af, omdat er geen sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking.

Bestuurdersaansprakelijkheid

De curator vordert namens de boedels van [naam BV 2] en [naam BV 1] een vergoeding van het boedeltekort van Santiflo en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van (getrapt) bestuurder(s). De curator heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de curator dat hij zijn vordering baseert op artikel 2:248 BW. Nu uit de toelichting van de curator voldoende blijkt dat een beroep wordt gedaan op artikel 2:248 BW gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van Santiflo en [gedaagde sub 2] dat de curator geen beroep (meer) op dit artikel kan doen.

Onbehoorlijke taakvervulling

De curator beroept zich (primair) op het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW stellende dat de administratie van [naam BV 2] en [naam BV 1] niet voldoet aan de eisen van artikel 2:10 BW en voert daartoe het volgende aan. [naam BV 2] en [naam BV 1] handelden beiden onder de handelsnaam [naam BV 1] & [naam BV 2] , waardoor onder andere de inkomsten, uitgaven en crediteuren in de administratie volledig door elkaar liepen. De administratie per vennootschap was daardoor volgens de curator onoverzichtelijk en incorrect. Daarbij vertoont de bankadministratie transacties die niet correct zijn ingeboekt en ten onrechte zijn verrekend; de curator verwijst naar bijlage 3a bij productie 28a, bijlage 4 bij productie 28a en bijlage 5a en 5b bij productie 28a van de dagvaarding. De curator betoogt dat Santiflo en [gedaagde sub 2] door de schending van de administratieplicht hun taak onbehoorlijk hebben vervuld, waardoor wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW).

Santiflo en [gedaagde sub 2] betwisten dat niet is voldaan de boekhoudplicht. Zij voeren aan dat het niet ongebruikelijk is als gelieerde vennootschappen eenzelfde handelsnaam gebruiken. Dat betekent niet dat de administraties door elkaar lopen, wat volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] in het geval van [naam BV 2] en [naam BV 1] ook niet zo was. Santiflo en [gedaagde sub 2] stellen dat de administraties afzonderlijk werden bijgehouden door een professionele administrateur in loondienst. De administraties waren, aldus Santiflo en [gedaagde sub 2] , ten tijde van de faillissementen up-to-date en zijn fysiek en digitaal aan de curator verstrekt. Van alle betalingen waren volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] onderliggende stukken aanwezig. Zij stellen verder dat de curator nooit om opheldering heeft gevraagd of heeft gesteld dat er zaken zouden ontbreken, terwijl [gedaagde sub 2] wel voortdurend aangeboden heeft een toelichting te geven.

De administratieplicht in artikel 2:10 BW houdt in dat de boekhouding van een zodanig niveau dient te zijn dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment. Deze posities en de stand van de liquiditeiten dienen, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de vennootschap (vgl. HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994).

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [naam BV 2] en [naam BV 1] hun administratieplicht in artikel 2:10 BW hebben geschonden. Dat [naam BV 2] en [naam BV 1] dezelfde handelsnamen gebruiken, betekent niet dat Santiflo en [gedaagde sub 2] de administratie van [naam BV 2] en [naam BV 1] incorrect hebben gevoerd. De curator laat na om feitelijke voorbeelden te geven van het door hem ingenomen standpunt dat de administraties van [naam BV 2] en [naam BV 1] door elkaar liepen of anderszins onvoldoende inzicht gaven in de financiële toestand. Een verwijzing naar een ‘analyse’ en een ‘overzicht van mutaties’, opgesteld door medewerkers van de curator (producties 40, 41 en 42 van de curator) kan daartoe niet dienen. Deze stukken zijn niet toegelicht en bij gebreke daarvan is niet duidelijk wat aan de hand daarvan vastgesteld zou kunnen of moeten worden.

Dat de curator stelt dat per einde boekjaar 2012 bij [naam BV 2] en [naam BV 1] onterecht posten zijn verrekend (wat Santiflo en [gedaagde sub 2] betwisten), betekent niet dat de administratie – op de inhoud waarvan de curator zijn stellingen baseert – niet op orde was.

Bovendien neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de curator aan [gedaagde sub 2] geen concrete toelichting van bepaalde onderdelen uit de administratie heeft gevraagd, noch andere bij de administratie personen hierover heeft gesproken. Dit is door Santiflo en [gedaagde sub 2] betwist – in welk kader zij wijzen op (enkele van) de concrete momenten waarop [gedaagde sub 2] heeft aangeboden desgewenst een toelichting te verstrekken – waarop de curator heeft volstaan met de opmerking dat hij [gedaagde sub 2] meermaals om nadere gegevens of een toelichting heeft gevraagd. Die blote betwisting van de concreet onderbouwde stelling volstaat niet, zodat de conclusie moet zijn dat in rechte wordt aangenomen dat de curator geen toelichting heeft gevraagd aan [gedaagde sub 2] of andere betrokkenen zoals de administrateur. Het gaat niet aan om, als er vragen zijn over (volledigheid van) de administratie, die vragen niet te stellen en/of niet in te gaan op een aanbod tot het geven van toelichting, maar vervolgens wel te concluderen dat de administratie niet voldoet. Dat kan dan althans niet met recht worden betoogd.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schending van de administratieplicht, treedt het bewijsvermoeden uit artikel 2:248 lid 2 BW niet in werking.

De curator voert daarnaast namens de boedels van [naam BV 2] en [naam BV 1] andere omstandigheden aan die volgens de curator leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 1 BW jo. artikel 2:9 BW. De curator verwijt Santiflo en [gedaagde sub 2] , naast de schending van de boekhoudplicht, dat (1) zij onnodige financiële risico’s hebben genomen, (2) onduidelijkheid hebben veroorzaakt door op onverantwoorde wijze met geld tussen de (inmiddels gefailleerde) vennootschappen te schuiven, (3) door kosten en uitgaven ten laste van de vennootschappen te brengen die daarin niet thuishoren en er geen inkomsten waren en (4) door gelden te onttrekken aan de (inmiddels gefailleerde) vennootschappen voor persoonlijke doeleinden.

Van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben.Aangezien artikel 2:248 BW beoogt schuldeisers te beschermen, ligt in deze maatstaf besloten dat aan de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt moet kunnen worden van onverantwoordelijk handelen met de wetenschap objectief te bepalen dat schuldeisers door dat handelen zouden worden benadeeld. De stelplicht en bewijslast rust in dit verband op de curator.

De rechtbank is van oordeel dat de curator met de door hem aangevoerde omstandigheden, die door Santiflo en [gedaagde sub 2] gemotiveerd zijn betwist, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling. De rechtbank stelt met Santiflo en [gedaagde sub 2] vast dat de curator niet heeft gesteld dat Santiflo en [gedaagde sub 2] handelingen hebben verricht die geen weldenkend bestuurder zou hebben gemaakt en dat dit heeft geleid tot het faillissement. Alleen al daarom faalt het betoog van de curator.

Ten aanzien van de hiervoor onder (2) en (3) vermelde verwijten is bovendien niet duidelijk waar de curator op doelt, waar het uiteraard wel op zijn weg ligt om dat duidelijk te maken.

Ten aanzien van het onder (1) vermelde verwijt, verwijst de curator in de dagvaarding naar het tegenvallende resultaat van een georganiseerd concert (van de band Kane) en de slechte resultaten in het algemeen. Volgens de curator kan [gedaagde sub 2] worden verweten dat hij het concert van Kane in een te grote hal heeft georganiseerd ofwel dat hij niet heeft voorzien dat er minder animo was. De slechte resultaten in het algemeen tonen volgens de curator aan dat er onverantwoorde risico’s zijn gelopen.

Santiflo en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat tegenvallende resultaten op zichzelf niet de conclusie van onbehoorlijk bestuur rechtvaardigen. Daaraan hebben zij toegevoegd dat de georganiseerde festivals vooraf zijn gegaan door uitgebreide calculaties, kosten zijn verlaagd en geprobeerd is inkomsten te verhogen, maar dat mede vanwege slechte weersomstandigheden de resultaten tegenvielen. Het concert waarnaar de curator verwijst trok minder bezoekers dan voorgaande versies, aldus Santiflo en [gedaagde sub 2] . Dat de inspanningen van het bestuur niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, maakt volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] niet dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur.

Tijdens de mondelinge behandeling is de curator nog ingaan op de resultaten, stellende dat niet zozeer de omzet het probleem was, maar de omvang van de kosten.

De curator heeft aldus zijn stelling dat Santiflo en [gedaagde sub 2] onverantwoorde risico’s hebben genomen, onvoldoende onderbouwd. Terecht hebben Santiflo en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de curator zich met zijn onderbouwing (deels) schuldig maakt aan ‘hindsight bias’. De redenering dat het bestuur onbehoorlijk was omdat de resultaten slecht waren, is veel te kort door bocht. Ten aanzien van het concert van Kane doet de curator hetzelfde: uitgaande van het tegenvallende resultaat concludeert hij dat dit links- of rechtsom het gevolg moet zijn van onbehoorlijk bestuur. Dat [gedaagde sub 2] (en daarmee Santiflo) een concreet en ernstig verwijt kan worden gemaakt, blijkt daaruit niet en is ook verder niet uitgewerkt. Die uitwerking kan niet worden gevonden in de opmerking tijdens de mondelinge behandeling – zijnde het sluitstuk van een procedure die ruim tien jaar na het uitspreken van de faillissementen is gestart – over de omzet-kosten-verhouding, waarmee [gedaagde sub 2] niet kenbaar eerder is geconfronteerd. In dit kader is ook relevant dat ondernemen nu eenmaal risico’s met zich meebrengt en dat van een bestuurder niet mag worden verwacht dat hij onder alle omstandigheden risicomijdend handelt, nu dit aan het doel van ondernemen voorbij gaat. Ook betekent dit dat niet elke foute inschatting tot een terecht verwijt van onbehoorlijk bestuur kan leiden.

Met het verwijt dat hiervoor onder (4) is vermeld, doelt de curator kennelijk op de gestelde privé-uitgaven, ten aanzien waarvan onder 4.10. is geoordeeld dat de curator zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW.

De curator stelt – mogelijk mede ter onderbouwing van het in 4.28. onder (2) genoemde verwijt dan wel gebaseerd op een bestuurdersaansprakelijkheid jegens [naam BV 1] als prefaillissementsschuldeiser - dat [naam BV 2] een schuld van € 31.309,00 bij [naam BV 1] is aangegaan, terwijl [gedaagde sub 2] (als getrapt bestuurder) wist dat [naam BV 1] de schuld niet zou kunnen betalen. Deze schuld is volgens de curator de rekening-courantvordering van [naam BV 1] op [naam BV 2] in de jaarrekening over 2012 van [naam BV 1] . Daarin is te zien dat de rekening-courantverhouding in 2012 toeneemt van € 8.233,00 tot € 31.309,00 en wordt afgeboekt tot € 00,00 vanwege oninbaarheid bij [naam BV 2] . De curator vordert om die reden – namens de boedel van [naam BV 2] – een vergoeding van een bedrag van € 31.309,00. De curator laat namelijk na om aan te tonen dat [gedaagde sub 2] op het moment dat de verplichting werd aangegaan wist dat [naam BV 2] niet kon nakomen. Nu dit niet kan worden vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot vergoeding van het bedrag van € 31.309,00 wordt afgewezen.

De curator heeft nog gesteld dat er kosten voor het concert van Kane ten laste zijn gebracht van [naam BV 1] terwijl deze bij [naam BV 2] zouden horen, wat volgens de curator als onbehoorlijke taakvervulling is aan te merken. Santiflo en [gedaagde sub 2] hebben er terecht op gewezen dat de curator dit niet verder heeft geconcretiseerd, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan, wat er verder ook zij van de daaraan verbonden conclusie.

Strijdigheid met de statutaire doelstellingen

Verder voert de curator namens de boedel van [naam BV 1] aan dat Santiflo en [gedaagde sub 2] in strijd met de statutaire doelstellingen (artikel 2:8 BW) van [naam BV 1] hebben gehandeld door het concert van Kane in de Rodahal in maart 2013 te organiseren. Zij hebben volgens de curator hierdoor in strijd gehandeld met de statutaire doelstelling van [naam BV 1] zoals volgens de curator is omschreven in productie 3 bij dagvaarding als: “Activiteiten op het gebied van boekingen (o.a. festivals, theaters, clubs, publieks- en besloten feesten) en het management van artiesten en bands, inclusief de financiële afwikkeling met opdrachtgevers, artiesten en bands.”

De rechtbank stelt vast dat Santiflo en [gedaagde sub 2] gemotiveerd hebben betwist dat zij in strijd met de statutaire doelstelling van [naam BV 1] hebben gehandeld. De curator verwijst volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] namelijk niet naar de statutaire doelstelling van [naam BV 1] maar naar een door de KvK toegewezen SBI code, die discretionair door KvK wordt toegekend en nietszeggend is, aldus Santiflo en [gedaagde sub 2] . Zij hebben erop gewezen dat enkel met raadpleging van de statuten (logischerwijs) de statutaire doelstelling kan worden vastgesteld. Deze omvat in het geval van [naam BV 1] ook het organiseren van concerten. Vaststaat hiermee dat Santiflo en [gedaagde sub 2] niet in strijd met de statutaire doelstelling van [naam BV 1] hebben gehandeld. Wat er verder ook zij van het verwijt als zodanig, is de rechtbank alleen al om deze reden van oordeel dat het standpunt van de curator niet kan worden aanvaard.

Beroep op onrechtmatige daad

De curator heeft gesteld dat hij dezelfde feiten en omstandigheden voor de onderbouwing van zijn vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ook aanvoert voor de onderbouwing van zijn vordering op grond van onrechtmatige daad. Nu de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van onbehoorlijk bestuur, kan de rechtbank de vordering op grond van onrechtmatige daad ook niet toewijzen.

Tussenconclusie

Gelet op het hiervoor overwogene, concludeert de rechtbank dat de vorderingen van de curator om Santiflo en [gedaagde sub 2] namens de boedel van [naam BV 2] te veroordelen tot de betaling van € 31.309,00 en namens de boedels van [naam BV 2] en [naam BV 1] tot betaling van het volledige boedeltekort (inclusief de faillissementskosten) op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en/of onrechtmatige daad niet slaagt. De rechtbank wijst om die reden de vordering tot betaling van deze bedragen af. De rechtbank wijst daarnaast ook de vorderingen onder III, IV en V af.

Proceskosten

Santiflo en [gedaagde sub 2] stellen zich op het standpunt dat de curator moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten, omdat sprake is van misbruik van procesrecht, althans onrechtmatig procederen. Volgens Santiflo en [gedaagde sub 2] wist of behoorde de curator te weten dat de door hem ingestelde vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan en de betrokken belangen van Santiflo en [gedaagde sub 2] , geen kans van slagen hadden.

Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het

aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de

rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de curator zijn bevoegdheid zodanig heeft misbruikt dat aan de hoge drempel om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht is voldaan. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat de curator alvorens in rechte op te treden op grond van artikel 68 lid 3 Fw de machtiging van de rechter-commissaris heeft verkregen, waarbij de rechter-commissaris bij de beoordeling van dit verzoek inschat in hoeverre het wenselijk is om een procedure te starten. Nu de rechter-commissaris deze toestemming voor onderhavige procedure heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat Santiflo en [gedaagde sub 2] geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van hun volledige proceskosten, maar slechts op een vergoeding aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief.

De proceskosten van Santiflo en [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- griffierecht

6.617,00

- salaris advocaat

8.714,00

(2 punten × € 4.357,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

15.509,00

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van de curator af,

veroordeelt de curator in de proceskosten van € 15.509,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.

type: FL

coll:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.R.M. de Bruijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0016
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?