RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
Samenvatting
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1607
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
(gemachtigde: mr. M.H.E. Overhof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van een bezoek aan Burgers'Zoo met zijn kinderen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een bezoek aan Burgers’Zoo. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 26 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Ook ontvangt eiser bijzondere bijstand voor (onder andere) de reiskosten die hij moet maken in verband met de omgangsregeling voor zijn kinderen.
4. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiser afgewezen om bijzondere bijstand voor de kosten van een bezoek aan dierentuin Burgers’ Zoo met zijn kinderen. Het college
5. Met het bestreden besluit is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, omdat het algemeen gebruikelijke kosten betreft die niet noodzakelijk zijn.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
Voldoet de aanvraag van eiser aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand. De door eiser aangevraagde bijzondere bijstand ziet namelijk op noodzakelijke kosten die hij ten behoeve van de zorgregeling met zijn kinderen dient te maken: hij heeft geen andere feitelijke mogelijkheden om zijn omgangsrecht te kunnen uitoefenen dan door zijn kinderen in hun woonplaats te bezoeken en daar een activiteit met ze te ondernemen. Hij mag de kinderen namelijk niet meenemen naar [woonplaats] . Het college heeft miskend dat de kosten noodzakelijk zijn om invulling aan de zorgregeling te kunnen geven en heeft ten onrechte de aanvraag om vergoeding van de kosten voor de dierentuin afgewezen. Verder heeft eiser aangevoerd dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en dat hij ze niet zelf kan voldoen. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet noodzakelijk en niet evenwichtig is. Hij voert daartoe aan dat het bedrag van de kosten voor het bezoek aan de dierentuin niet zodanig op het bijstandsbudget drukken dat dit voor het college onoverkomelijk zou zijn. Eiser heeft in dit geval namelijk niet de reguliere reiskosten gedeclareerd die het college normaal gesproken zou vergoeden.
8. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van noodzakelijke kosten, omdat eiser ook kosteloze activiteiten met zijn kinderen kan ondernemen en heeft reeds om die reden de aanvraag afgewezen. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het algemeen gebruikelijke kosten zijn die eiser kan voldoen (en ook heeft voldaan) uit de algemene bijstandsuitkering. Voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ziet het college geen ruimte.
9. De rechtbank stelt voorop dat in de Participatiewet onderscheid wordt gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in (periodieke en incidentele) kosten die kunnen worden gerekend tot het algemeen gangbare bestedingspatroon op minimumniveau. Bijzondere bijstand daarentegen is bedoeld voor wanneer de aanvrager door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet, maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand de uit de Participatiewet voortvloeiende voorwaarden in dwingende volgorde getoetst moeten worden:
1. doen de kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, zich voor?
2. zijn deze kosten in het individuele geval noodzakelijk?
3. vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden?
4. kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?
Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten zich voordoen: eiser heeft betalingsbewijzen overgelegd. De discussie spitst zich daarmee allereerst toe op de vraag of deze kosten in het geval van eiser noodzakelijk zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich ten aanzien van de kosten voor de dierentuin, bestaande uit de toegangskosten en de parkeerkosten, terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze niet noodzakelijk zijn omdat er andere manieren van dagbesteding mogelijk zijn. Het feit dat de gemeente de reiskosten in het kader van de omgangsregeling wel als noodzakelijk aanmerkt, betekent immers nog niet dat de kosten van activiteiten met de kinderen eveneens als noodzakelijke kosten moeten worden beschouwd. Ten aanzien van de activiteiten heeft eiser namelijk wel keuzevrijheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon kiezen voor een uitje met zijn kinderen in of nabij hun woonplaats waar geen, of beduidend minder, kosten aan verbonden zijn.
Aangezien de kosten voor de dierentuin niet aangemerkt kunnen worden als noodzakelijke kosten heeft het college de aanvraag van eiser reeds daarom terecht afgewezen. Het behoeft daarom geen bespreking meer of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of eiser de kosten zelf kan voldoen.
Evenmin komt de rechtbank toe aan het bespreken van de beroepsgrond dat er sprake is van een besluit dat niet evenwichtig of noodzakelijk is. De rechtbank vat dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Artikel 35, eerste lid, van de PW heeft een verplichtend karakter en dit betekent dat het college een aanvraag moet weigeren als niet aan de voorwaarden is voldaan. Voor een belangenafweging is dan alleen nog plaats indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee door de wetgever geen of onvoldoende rekening is gehouden en die de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven.
Dat er sprake is van omstandigheden die door de wetgever niet of onvoldoende zijn verdisconteerd in artikel 35, eerste lid, van de PW heeft eiser niet gesteld. Daarom komt de rechtbank niet toe aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op dringende redenen zoals bedoel in artikel 16 van de PW, is de rechtbank van oordeel dat dit artikel niet van toepassing is. Eiser behoort namelijk wel tot de kring van rechthebbenden van de PW, zoals omschreven in artikel 11 van de PW en hij is niet uitgesloten van het recht op bijstand op grond van het bepaalde in de artikelen 13 tot en met 15 van de PW. Daarom kan hij niet worden aangemerkt als een persoon die geen recht op bijstand heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de kosten voor de dierentuin niet krijgt vergoed. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.E.J. Maas, rechter,
in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025 .
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 december 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet luidt:
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet luidt:
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.