RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11782433 \ CV EXPL 25-2875
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: H.J.C. Oudshoorn-Zwerts (Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven),
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.L.H. Hambuckers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte vermindering van eis van Hiltermann
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 november 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 25 januari 2023 is tussen Hiltermann en [gedaagde] een zakelijke
leaseovereenkomst (huurkoop) gesloten voor een auto, merk Kia, model Sportage met kenteken [kenteken] . [gedaagde] heeft bij het totstandkomen van de overeenkomst € 3.776,75 aanbetaald. De restant leasesom van € 23.175,40 bestaat uit € 5.406,40 aan leasevergoeding en € 17.769,00 aan koopprijs. De overeengekomen leaseperiode beloopt 60 maanden en het leasebedrag bedraagt € 368,24 per maand en dient steeds voor de 1e werkdag van de maand bij vooruitbetaling te worden voldaan. De eerste termijn is verhoogd met € 150,00 vanwege administratiekosten en de zestigste termijn met € 1,--. Op de overeenkomst zijn de door Hiltermann gebruikte Algemene voorwaarden van toepassing.
Hiltermann heeft op 1 mei 2025 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en op grond van art. 43 van de Algemene Voorwaarden nakoming van de restant leasesom en afgifte van de auto door [gedaagde] gevorderd. [gedaagde] heeft de auto nog onder zich.
3. Het geschil
Bij dagvaarding vordert Hiltermann:
een verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Kia Sportage met kenteken [kenteken] (contractnr. 395848) is ontbonden dan wel - waar nodig - deze te ontbinden per datum van dit vonnis
[gedaagde] te veroordelen tot afgifte van het object, Kia Sportage met kenteken [kenteken] (contractnr. 395848) aan Hiltermann, dan wel aan een door haar aan te wijzen derde, binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 400,-- per dag dat hij met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,--, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- € 15.157,82, te vermeerderen met de rente ad 18% per jaar subsidiair de wettelijke handelsrente, meer subsidiair de wettelijke rente over € 15.064,36 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling. Hierbij geldt dat als het object ingeleverd en daarna verkocht wordt door Hiltermann de verkoopopbrengst in mindering wordt gebracht op de openstaande vordering
- € 859,10 indien Hiltermann tot inname van het object moet overgaan
- € 211,75 indien Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan
- de kosten van de procedure.
Bij akte vermindering van eis heeft Hiltermann gesteld dat de hoofdsom € 13.905,64 bedraagt, maar zij heeft haar petitum niet gewijzigd.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Hiltermann, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hiltermann, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hiltermann in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Hiltermann heeft daags voor de mondelinge behandeling een akte vermindering van eis genomen en daarbij producties, waarover zij al vanaf de rolzitting van
10 september 2025 (de conclusie van antwoord met producties van [gedaagde] ) beschikte, aangeleverd. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat Hiltermann de overgelegde producties niet binnen de termijn als bepaald in art. 5.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton (vanaf 1 juli 2025) heeft aangeleverd. Voormelde producties zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten. De daags voor de mondelinge behandeling door [gedaagde] aangeleverde productie zal wel worden aangenomen aangezien die betrekking heeft op een brief van 20 november 2025 van de gemachtigde van Hiltermann en het er voor moet worden gehouden dat Hiltermann met de inhoud van haar eigen correspondentie bekend is. Het voorgaande leidt ertoe dat de lijst van betalingen die [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft overgelegd het uitgangspunt bij de verdere beoordeling vormt.
[gedaagde] stelt voorts dat Hiltermann het bepaalde in art. 21 Rv heeft geschonden omdat Hiltermann in haar dagvaarding niets heeft vermeld over de veelvuldige brieven en e-mails en de daarbij steeds aangeleverde betalingsbewijzen die hij vanaf 8 januari 2025 aan Hiltermann heeft verzonden en de antwoorden die hij van Hiltermann daarop heeft ontvangen. Verder klopt de administratie van Hiltermann niet en geeft Hiltermann geen of een onjuiste specificatie van de volgens haar openstaande leasetermijnen aan. [gedaagde] betwist ook de hoogte van de (verminderde) vordering. Hij heeft de leasetermijnen tot en met februari 2025 voldaan en heeft de betalingen gestaakt omdat Hiltermann haar administratie niet op orde had en, ondanks vele vragen daartoe, geen opheldering over de steeds wisselende bedragen aan hem verstrekte. Als Hiltermann haar zaken op orde had gehad dan was deze procedure overbodig geweest, aldus [gedaagde] .
Hiltermann heeft in haar dagvaarding verklaard “ [gedaagde] heeft de onderhavige vordering niet inhoudelijk betwist” terwijl uit de door [gedaagde] overgelegde producties volgt dat [gedaagde] de vordering veelvuldig inhoudelijk heeft betwist, zowel bij Hiltermann zelf als bij de incassogemachtigde van Hiltermann. Hiltermann rept daarover en over de vanaf 8 januari 2025 t/m 20 november 2025 uitgebreid gevoerde correspondentie tussen [gedaagde] en haar gemachtigde met geen woord. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat Hiltermann in strijd met het bepaalde in art. 21 Rv heeft gehandeld en de voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. De kantonrechter zal dan ook daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
Uit de betalingsbewijzen die [gedaagde] steeds aan Hiltermann heeft aangeleverd, uit de steeds wisselende hoogte van de vordering die Hiltermann opvoert en uit de door Hiltermann onbeantwoord gelaten vraag op grond waarvan zij vier betalingen door de echtgenote van [gedaagde] heeft gestorneerd, volgt dat Hiltermann haar administratie niet op orde heeft. Dat volgt ook uit het feit dat Hiltermann de gedane betalingen willekeurig op leasetermijnen van verschillende maanden in mindering heeft gebracht en uit de e-mail van
17 juni 2025, waarin staat dat Hiltermann de leasetermijnen van augustus, oktober en november 2024 heeft ontvangen en geboekt, terwijl zij volgens de specificatie in de dagvaarding wel nog steeds nakoming van die leasetermijnen vordert.
Nu Hiltermann ter mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat zij over de gedane betalingen en de boekingen geen opheldering kan verstrekken, niet weet waar de betaling op 3 mei 2024 van € 644,29 op is geboekt en dat het erop lijkt dat iemand pas vorige week wakker is geworden en de vordering heeft samengesteld, treffen de verweren van [gedaagde] , die ook verder onvoldoende door Hiltermann zijn weersproken, in overwegende mate doel. Al het voorgaande in onderling verband bezien leidt tot de conclusie dat Hiltermann bij haar buitengerechtelijke ontbinding is uitgegaan van onjuiste (openstaande) bedragen, reden waarom het onder a gevorderde moet worden afgewezen. In het verlengde hiervan en nu [gedaagde] heeft verklaard te kunnen en willen betalen, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om (thans) afgifte van de auto te vorderen waardoor ook het onder b gevorderde zal worden afgewezen net als het daarmee gepaard gaande bedrag en de bedragen van € 859,10 en € 211,75 indien Hiltermann tot inname van het object moet overgaan respectievelijk indien Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan.
Uitgaande van de stelling van [gedaagde] , dat hij de termijnen tot en met februari 2025 heeft betaald en daarna niet meer, liggen de (volgens de akte vermindering van eis) onbetaald gelaten leasetermijnen van maart en april 2025 ad in totaal € 736,48
(2 x € 368,24) voor toewijzing gereed. De kantonrechter wijst de gevorderde rente, gelet op wat hiervoor onder 4.3 is overwogen, af.
Hiltermann is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 812,00 (2x € 406,00) aan salaris gemachtigde.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 736,48,
veroordeelt Hiltermann in de proceskosten van € 812,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
YT