ECLI:NL:RBLIM:2025:13065

ECLI:NL:RBLIM:2025:13065, Rechtbank Limburg, 27-08-2025, C/03/329564 / HA ZA 24-173

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 27-08-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer C/03/329564 / HA ZA 24-173
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Tussenvonnis. Internationale handelskoop. Weens Koopverdrag. Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 3 Rome I-verordening en artikel 4 lid 3 Rome II-verordening ('kennelijk nauwere band'). Afwijzing vernietiging overeenkomst op grond van bedrog. Geslaag beroep op artikel 40 Weens Koopverdrag. Voorgenomen benoeming deskundige ter beoordeling van gestelde non-conformiteit van antieke Italiaanse wandkast.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/329564 / HA ZA 24-173

Vonnis van 27 augustus 2025

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. A.G.D.M. van Hoek,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. D. Stikkelbroeck.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 12,- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 24, - de akte houdende vermeerdering van eis, tevens overlegging aanvullende producties 13 tot en met 19 bij mondelinge behandeling van [eiseres] ,

- de akte overlegging aanvullende producties met de producties 25 tot en met 30 van [gedaagde] ,

- de spreekaantekeningen van [eiseres] ,

- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 februari 2025,

- de brief van 10 maart 2025 van mr. Van Hoek met aanvullingen op het proces-verbaal,

- de brief van 11 maart 2025 van mr. Stikkelbroeck met opmerkingen bij het proces-verbaal,

- de advocaatwijziging van 12 maart 2025, waarbij mr. A.G.D.M. van Hoek zich heeft gesteld voor [eiseres] in plaats van mr. Van den Bergh.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiseres] is een vennootschap naar Engels recht, die een in [vestigingsplaats 1] gevestigde galerie ( [naam 1] ) exploiteert met een internationale reputatie op het gebied van Europese sculpturen en kunstwerken. [eiseres] neemt jaarlijks deel aan prestigieuze kunstbeurzen, waaronder TEFAF Maastricht (hierna ook: TEFAF).

[gedaagde] is een vennootschap naar Italiaans recht, die een kunsthandel in [vestigingsplaats 2] exploiteert, gericht op Italiaanse kunst uit de periode tussen de 12e en de 18e eeuw. De kunsthandel wordt gedreven door [naam 2] en zijn zoon [naam 3] . [gedaagde] neemt sinds 2001 deel aan TEFAF Maastricht.

In oktober 2019 heeft [gedaagde] op een veiling van veilinghuis [naam veilinghuis] in [vestigingsplaats 3] een 16-eeuwse Italiaanse wandkast van walnoothout met verguld profiel en ingesneden wapen van de Borromeo-familie (hierna: de wandkast) gekocht.

[gedaagde] heeft de wandkast voorafgaand aan de veiling laten bekijken door haar vaste restaurateur, restauratiestudio [naam restauratiestudio] in [vestigingsplaats 3] . Deze heeft bevestigd aan [gedaagde] dat de wandkast authentiek was en afkomstig uit de periode van het einde van de 16e tot het begin van de 17e eeuw.

Op 13 december 2019 heeft het Italiaanse Ministerie voor Cultureel Erfgoed (Ministero per i Beni e le Attività Culturali) een exportvergunning voor de wandkast aan [gedaagde] afgegeven.

In februari 2020 heeft [gedaagde] de wandkast tentoongesteld op een antiekbeurs in Modena (Italië). [eiseres] gaf tijdens deze antiekbeurs aan bereid te zijn de wandkast van [gedaagde] te kopen, mocht de door [gedaagde] voorgenomen verkoop met een andere partij geen doorgang vinden.

In maart 2020 waren beide partijen standhouder op kunstbeurs TEFAF Maastricht. Voorafgaand aan de opening van TEFAF, op 1 maart 2020, dan wel 2 maart 2020, hebben partijen mondelinge overeenstemming bereikt over de verkoop van de kast voor € 65.000,00.

Op 2 maart 2020 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een deelfactuur doen toekomen voor een bedrag van € 12.000,00. Deze deelfactuur bevat (onder meer) de volgende omschrijving:

“ADVANCE PAYMENT ON SALE FOR

01 Large Drawing Bookcase in walnut wood with gold highlights

Milan, 1580 ca

(…)

TOTAL INVOICE € 12.000,00

We guarantee the authenticity, the legal possession and legitimate origin.

(…)”

Als voorwaarde voor deelname aan TEFAF moeten deelnemers zich expliciet committeren aan de zogeheten Vetting Guidelines, die onder meer inhouden dat de ten toon te stellen objecten worden gekeurd door de vettingcommissie (keuringscommissie) van TEFAF. Op 3 maart 2020 vond keuring van de wandkast plaats door de vettingcommissie TEFAF 2020 (hierna: de vettingcommissie). Het label bij de wandkast luidde op dat moment:

MILAN

(XVI CENTURY)

LARGE DWAWING BOOKCASE WITH PROFILES

AND GOLDEN WOOD CARVINGS

1580 CA

PROVENANCE:

[familienaam]

(ARONA 1538-MILAN 1584)

DIMENSIONS CM 117X326X65

IN THE CENTER AND AT THE CORNERS OF THE BOOKCASE,

[familienaam]

COAT OF ARMS COMPOSED OF THE WORD HUMILYTASSURMOUNTED BY A CROWN.”

Naar aanleiding van de keuring besloot de vettingcommissie (in de middag van 3 maart 2020) dat [gedaagde] het label van de wandkast moest aanpassen. Het keuringsrapport vermeldt hierover:

“(…)

Relabel instruction

Please mention gilding of later date and whole piece repolished with modifications to doors

(…)”

[gedaagde] heeft hieraan gevolg gegeven en heeft het label aangepast.

Op 4 maart 2020 heeft de vettingcommissie de wandkast nogmaals bekeken en opnieuw verzocht het label aan te passen:

“(…)

Relabel instruction

Please change date to 18th century and, as a consequence, please alter the label to read [rechtbank: onleesbaar]

(…)”

[gedaagde] heeft hierop het label aangepast, zodat dit als volgt kwam te luiden:

MILAN

(XVIII CENTURY)

LARGE DWAWING BOOKCASE WITH PROFILES

AND GOLDEN WOOD CARVINGS

PROVENANCE:

MILAN, [familienaam]

DIMENSIONS CM 117X326X65

IN THE CENTER AND AT THE CORNERS OF THE BOOKCASE

[familienaam]

COAT OF ARMS COMPOSED OF THE WORD HUMILYTAS

SURMOUNTED BY A CROWN.

CONDITIONS:

GUIDLING OF LATER DATE AND WHOLE PIECE REPOLISHED WITH MODIFICATIONS TO DOORS”

Op 11 maart 2020 werd TEFAF 2020 vanwege het uitbreken van de coronapandemie vroegtijdig afgebroken. [gedaagde] heeft de wandkast naar een kunstopslag in Parijs laten verplaatsen.

Op 12 maart 2020 heeft [gedaagde] een factuur opgesteld voor de resterende koopsom, te weten € 53.000,00. Deze factuur vermeldt onder meer het volgende:

“SOLD

01 Large Drawing Bookcase in walnut wood with gold highlights

Milan, 1580 ca

(…)

PRICE € 65.000,00

To deduct INVOICE 01NL dated 2/03/2020 - € 12.000,00

TOTAL TO PAY € 53.000,00

We guarantee the authenticity, the legal possession and legitimate origin.

(…)”

[eiseres] heeft deze factuur op 30 maart 2020 voldaan, waarna [gedaagde] op 3 april 2020 de kunstopslag in Parijs – waarvan ook [eiseres] gebruik maakte – heeft laten weten dat de wandkast vanaf dat moment aan [eiseres] toebehoorde.

Toen [eiseres] de wandkast in 2023 te koop wilde aanbieden op TEFAF Maastricht, werd deze op 7 maart 2023 door de vettingcommissie geweigerd: de wandkast diende als ‘not for sale’ gelabeld te worden. De motivering van de vettingcommissie voor de afwijzing van de wandkast luidde:

“Last year we asked you to alter the label because we don’t believe it’s early 16th C, but the piece is made later in the style of the early 16th century. You ignored this and now it is back on the fair with the same erroneous label. Therefor this time we reject it.”

Partijen hebben over dit geschil gecorrespondeerd vanaf (in ieder geval) 19 maart 2023. In deze correspondentie heeft [gedaagde] meermaals aangeboden de wandkast door een (eventueel door [eiseres] aan te wijzen) deskundige op authenticiteit te laten onderzoeken. [eiseres] heeft dit afgewezen. Er heeft geen authenticiteitsonderzoek plaatsgevonden; de correspondentie tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid.

3. Het geschil

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

A. De overeenkomst tot koop van de wandkast vernietigt en [gedaagde] veroordeelt tot terugbetaling van de koopsom van € 65.000,00 aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

Subsidiair:

B. De overeenkomst tot koop van de wandkast ontbindt en [gedaagde] veroordeelt tot

terugbetaling van de koopsom van € 65.000,00 aan [eiseres] , te vermeerderen met de

wettelijke handelsrente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

Primair en subsidiair:

C. Voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiseres] voor de door haar geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; en

D. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 7.944,00 aan opslag- en vervoerskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; en

E. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten van

€ 1.425,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en

F. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen

met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele

voldoening.

[eiseres] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat sprake is van bedrog dan wel (wederzijdse) dwaling. De vernietiging heeft tot gevolg dat [gedaagde] is gehouden tot terugbetaling van de koopsom, die dan immers onverschuldigd is betaald, aldus [eiseres] . Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming, op grond waarvan zij ontbinding en schadevergoeding vordert. Daarnaast voert [eiseres] aan dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en om die reden is gehouden tot schadevergoeding.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat partijen zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk ( [eiseres] ) en Italië ( [gedaagde] ), heeft het geschil een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.

Rechtsmacht

Gelet op de aard van het geschil (een handelszaak), de vestigingsplaats van [gedaagde] (Italië) en het moment waarop de rechtsvordering is ingesteld (na 10 januari 2015), is de Brussel I bis-Verordening (hierna: Brussel I bis-Vo) bepalend voor het antwoord op de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 10 tot en met 25 Brussel I bis-Vo in dit geval geen bevoegd gerecht aanwijzen. Daarmee geldt – zowel voor de vordering uit overeenkomst als de vordering uit onrechtmatige daad – in beginsel de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo, dat het gerecht van de woonplaats van de gedaagde partij als bevoegd gerecht aanwijst, dan wel, zoals betoogd door [eiseres] , één van de alternatieve fora genoemd in artikel 7 Brussel I bis-Vo. Aangezien [gedaagde] in rechte is verschenen en geen beroep heeft gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank, is de rechtbank (in ieder geval) bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 26 lid 1 Brussel I-bis vo. Een nader onderzoek of de rechtbank ook op grond van artikel 7 Brussel I bis-Vo bevoegd is, kan daarom achterwege blijven.

Toepasselijk recht

Voor zover de vordering is gebaseerd op een verbintenis uit overeenkomst moet de vraag naar het toepasselijke recht door de Nederlandse rechter worden beantwoord aan de hand van de Rome I-verordening (hierna: Rome I-Vo). Deze verordening wijst in beginsel, bij afwezigheid van een rechtskeuze tussen partijen, de gewone verblijfplaats van de verkoper (in dit geval: Italië) aan als aanknopingspunt bij het bepalen van het toepasselijke recht (artikel 4 lid 1 sub a Rome I-Vo). [eiseres] heeft echter aangevoerd dat in dit geval toch Nederlands recht moet worden toegepast, omdat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland (artikel 4 lid 3 Rome I-Vo). [gedaagde] heeft om proceseconomische redenen geen verweer ten aanzien van het toepasselijke recht gevoerd. De rechtbank is, met [eiseres] , van oordeel dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland, nu de overeenkomst waarop het geschil betrekking heeft is gesloten op TEFAF Maastricht, waar zich op dat moment ook de roerende zaak bevond. Gelet daarop is op grond van artikel 4 lid 3 Rome I-Vo Nederlands recht van toepassing op de vorderingen, voor zover deze zijn gebaseerd op een verbintenis uit overeenkomst.

De vraag welk recht van toepassing is op de vordering voor zover deze is gegrond op onrechtmatige daad moet worden beantwoord op basis van de Rome II-verordening (hierna: Rome II-Vo). Bij afwezigheid van een rechtskeuze door partijen, is ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II-Vo in beginsel van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 bedoelde land, in welk geval het recht van dat andere land van toepassing is. Een dergelijke kennelijk nauwere band met een ander land kan met name berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen partijen, zoals een overeenkomst (artikel 4 lid 3 Rome II-Vo).

In dit geval is de door [eiseres] gestelde onrechtmatige daad zodanig nauw verweven met de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van de wandkast, dat sprake is van een kennelijk nauwere band met (het recht van) het land dat op die overeenkomst van toepassing is, te weten Nederland. De rechtbank concludeert daarom dat ook bij de beoordeling van de vordering op grond van onrechtmatige daad Nederlands recht van toepassing is.

De vaststelling dat Nederlands recht van toepassing is, betekent echter in dit geval dat ook het Weens Koopverdrag (hierna: WKV) van toepassing is. Het geschil betreft immers een koopovereenkomst van een roerende zaak tussen partijen die in verschillende landen zijn gevestigd, terwijl het recht van een verdragssluitende staat bij het WKV, namelijk Nederland, van toepassing is (artikel 1, lid 1, sub b WKV). Partijen hebben de toepasselijkheid van het WKV niet uitdrukkelijk uitgesloten (artikel 6 WKV). De bepalingen uit het WKV hebben voorrang op bepalingen van nationaal recht, zodat nationaal Nederlands recht slechts van toepassing is ten aanzien van onderwerpen die niet door het WKV worden bestreken. De rechtbank zal bij de behandeling van de verschillende vorderingen beoordelen of deze al dan niet onder het WKV vallen.

De vorderingen tot vernietiging en ontbinding

Beoordelingskader

[eiseres] vordert (primair) vernietiging op grond van bedrog (artikel 3:44 BW) of dwaling en (subsidiair) ontbinding wegens een tekortkoming (artikel 6:265 BW). De rechtbank zal eerst beoordelen of deze grondslagen onder het bereik van het WKV vallen, of dat deze naar nationaal recht beoordeeld kunnen worden. Daarbij geldt dat niet de benaming van de rechtsgrond, maar het doel dat ermee wordt beoogd van belang is: wordt het doel dat met de (nationaalrechtelijke) rechtsgrond wordt beoogd, ook gediend door een regeling in het WKV, dan valt die rechtsgrond binnen het materiële toepassingsgebied van dat verdrag. Het gevolg daarvan is dat de nationaalrechtelijke rechtsgrond – en de daaraan gekoppelde rechtsmiddelen – in beginsel voor de vergelijkbare rechtsgronden in het WKV zal moeten wijken. Valt een nationaalrechtelijke rechtsgrond niet onder het materiële toepassingsgebied van het WKV dan dient deze te worden beoordeeld naar nationaal Nederlands recht.

Op grond van de heersende leer in de rechtspraak en literatuur dient een beroep op dwaling, indien die dwaling betrekking heeft op het gekochte, te worden aangemerkt als een door artikel 35 WKV geregelde non-conformiteitskwestie. Het WKV biedt voor deze situatie immers een passende oplossing in de vorm van de bepalingen met betrekking tot de (non-)conformiteit van het geleverde, zodat de nationale regels inzake dwaling buiten toepassing moeten blijven. Ditzelfde geldt voor het beroep op ontbinding. De rechtbank zal deze nationaalrechtelijke grondslagen dus buiten beschouwing laten en de zaak beoordelen op grond van de non-conformiteitsregeling uit het WKV.

Dit is anders voor het beroep op bedrog. Het WKV kent geen regeling voor wilsgebreken zoals bedrog, zodat deze grondslag van de vordering beoordeeld moet worden naar nationaal Nederlands recht.

Stellingen van partijen

[eiseres] stelt dat de wandkast niet voldoet aan haar gerechtvaardigde verwachtingen. [gedaagde] heeft de wandkast, die in het bezit zou zijn geweest van de familie [familienaam] en afkomstig uit de ‘alta epoca’, herhaaldelijk als authentiek aangeprezen, maar dit blijkt niet het geval te zijn, aldus [eiseres] . De wandkast heeft op meerdere vlakken restauraties dan wel renovaties ondergaan, in ieder geval waar het gaat om de verguldsels, de polijsting van de wandkast en de kastdeuren, die – volgens [eiseres] – deels zijn vervangen. Dat de wandkast deze restauraties en renovaties heeft ondergaan en daardoor niet meer authentiek is, volgt uit het oordeel van de vettingcommissie van 3 maart 2020: “Please mention gilding of later date and whole piece repolished with modifications to doors”. Daarnaast blijkt uit het oordeel van de vettingcommissie van 4 maart 2020 dat [gedaagde] een onjuiste periode heeft vermeld: de wandkast is niet gemaakt in de renaissance, maar in de 18e eeuw, en wel ‘in de stijl van de 16e eeuw’.

[gedaagde] heeft [eiseres] niet in kennis gesteld van de rapporten van de vettingcommissie en daarmee cruciale informatie over de authenticiteit van de wandkast achtergehouden, terwijl het op haar weg had gelegen dit aan haar mede te delen, aldus [eiseres] . Toen [eiseres] de wandkast ter verkoop wilde aanbieden op TEFAF 2023 kreeg zij van de vettingcommissie TEFAF 2023 te horen dat de wandkast bedekt met een kleed ‘not for sale’ gelabeld moest worden. Op het bezwaar van [eiseres] berichtte de vettingcommissie TEFAF 2023 dat zij niet geloofde dat het om vroeg 16e-eeuws antiek ging, hetgeen al op TEFAF 2020 was medegedeeld. Hierdoor kon [eiseres] de wandkast niet op TEFAF 2023 aanbieden, terwijl dat wel haar bedoeling was. Pas op dit moment raakte [eiseres] bekend met het rapport van de vettingcommissie van 3 maart 2020. Volgens [eiseres] is de wandkast in de huidige staat niet meer dan € 20.000,00 waard. Voor [eiseres] zelf heeft de wandkast echter geen enkele waarde meer, nu los van vernieuwde verguldsels, de nieuwe polijsting en andere datering, sprake is van een zogeheten ‘civil appearance’ in plaats van ‘original religious appearance’ door (gedeeltelijke) vervanging van de kastdeuren, zoals aangegeven in het keuringsrapport. [gedaagde] heeft niet alleen informatie achtergehouden over de authenticiteit, maar bovendien de authenticiteit gegarandeerd, aldus [eiseres] , verwijzend naar mondelinge uitlatingen op de beurs in Modena en de tekst op de door [gedaagde] voor de wandkast verstrekte facturen. [eiseres] zou de wandkast nooit hebben gekocht als zij van deze reparaties dan wel van de afwijkende periode op de hoogte was geweest.

[gedaagde] stelt – afgezien van haar juridische verweren die hierna beoordeeld zullen worden – voorop dat zij eerst drie jaar na de verkoop van de wandkast door [eiseres] is benaderd met de mededeling dat de wandkast niet authentiek zou zijn. [gedaagde] heeft herhaaldelijk aangeboden om de wandkast door een expert te laten beoordelen, maar [eiseres] heeft dat geweigerd. [eiseres] wist precies wat zij kocht en de wandkast bezit alle eigenschappen die [eiseres] redelijkerwijs mocht verwachten, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat de wandkast niet authentiek is: zij heeft deze voorafgaand aan haar eigen aankoop laten keuren door haar vaste restaurateur en zij heeft een exportvergunning verkregen voor de wandkast. Als de wandkast niet authentiek was geweest was dit bij één van deze beide onderzoeken naar voren gekomen, aldus [gedaagde] . [eiseres] , die zelf een ervaren kunsthandelaar is, heeft bovendien de wandkast zelf aandachtig bekeken en onderzocht op de beurs in Modena en vragen gesteld over de aangeduide tijdsperiode van de wandkast. Het oordeel van de vettingcommissie is volgens [gedaagde] onjuist, niet gemotiveerd of onderbouwd en daarmee niet geschikt om de vorderingen van [eiseres] te kunnen dragen. Het oordeel van een vettingcommissie is naar haar aard ook niet bedoeld als een definitief deskundigenoordeel; het betreft een kort onderzoek met relatief beperkte middelen en heeft alleen geldigheid op de desbetreffende beurs en in het desbetreffende jaar. Soms oordelen vettingscommissies van verschillende beurzen anders over hetzelfde object, aldus [gedaagde] . [gedaagde] wijst er in dat verband op dat [eiseres] de wandkast voorafgaand aan TEFAF 2023 nog heeft tentoongesteld op de Brussels Art Fair in juni 2022.

Op TEFAF 2020 heeft het label steeds duidelijk zichtbaar bij de wandkast gehangen. [eiseres] is, ook na wijziging van het label, nog herhaalde malen naar de wandkast komen kijken. Het kan dan ook niet anders dan dat [eiseres] heeft gezien dat het label gewijzigd was. [gedaagde] wijst er verder op dat de keuring door de vettingcommissie pas na het sluiten van de koopovereenkomst plaatsvond; dat de wandkast nog niet aan [eiseres] was geleverd had uitsluitend te maken met de door [gedaagde] gestelde voorwaarde dat de wandkast pas zou worden geleverd na betaling van de volledige koopsom.

Bedrog

[eiseres] stelt op grond van het voorgaande dat sprake is van bedrog en vordert op die grond vernietiging van de overeenkomst. Door het doen van onjuiste mededelingen over de authenticiteit van de wandkast en door de restauratiewerkzaamheden en het keuringsrapport van de vettingcommissie te verzwijgen, heeft [gedaagde] haar misleid, aldus [eiseres] . [gedaagde] heeft [eiseres] hierdoor bewogen tot het sluiten van de overeenkomst; zonder authenticiteit is de wandkast slechts een fractie van de vraagprijs waard. Als [eiseres] dit had geweten was zij nooit tot de aankoop overgegaan.

De rechtbank stelt voorop dat het, zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, bij bedrog moet gaan om misleiding bij het aangaan van de overeenkomst, dus voorafgaand aan of ten tijde van het sluiten daarvan. Niet in geschil is dat partijen op 1 of 2 maart 2020 een mondelinge koopovereenkomst hebben gesloten, waarna [gedaagde] op 2 maart 2020 de eerste deelfactuur heeft verzonden en dat eerst de dag daarna, op 3 maart 2020 de (eerste) keuring van de vettingcommissie heeft plaatsgevonden. Het oordeel van de vettingcommissie, waarop de stellingen van [eiseres] zijn gebaseerd verscheen dus een dag ná het sluiten van de koopovereenkomst, zodat [gedaagde] daarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet op de hoogte kon zijn. Gelet hierop heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat [gedaagde] haar opzettelijk voorafgaand of tijdens het sluiten van de overeenkomst heeft misleid. Voor zover [eiseres] betoogt dat [gedaagde] ook vóór de keuring door de vettingcommissie al wist, althans had moeten weten dat de wandkast niet authentiek was, volgt de rechtbank haar daarin niet. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat zij geen reden had om aan de authenticiteit van de wandkast te twijfelen: deze was voorafgaand aan TEFAF 2020 gezien door diverse deskundige partijen, zoals veilinghuis [naam veilinghuis] (waar [gedaagde] de wandkast had gekocht), het Italiaanse Ministerie voor Cultureel Erfgoed (bij het onderzoek in het kader van de exportvergunning), restaurateur [naam restauratiestudio] en de vettingcommissie van de kunstbeurs in Modena, zonder dat, aldus [gedaagde] , op enig moment vraagtekens bij de authenticiteit zijn geplaatst. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] te weinig gesteld om aannemelijk te maken dat [gedaagde] toch op de hoogte is geweest (of had moeten zijn) van de door [eiseres] gestelde problemen met betrekking tot de authenticiteit.

De rechtbank volgt [eiseres] evenmin in haar stelling dat de overeenkomst ten tijde van de keuring door de vettingcommissie nog niet zou zijn gesloten, omdat de koopsom nog niet volledig was betaald, of omdat nog geen levering had plaatsgevonden. Dit zijn immers geen constitutieve vereisten voor de totstandkoming van de overeenkomst, terwijl evenmin is gebleken dat de overeenkomst is aangegaan onder voorwaarden die verband hielden met het resultaat van de keuring. Dat de overdracht zonder levering nog niet voltooid was doet in dit verband niet ter zake. Bij het voorgaande merkt de rechtbank, ten overvloede, op dat de in algemene bewoordingen gestelde authenticiteitsgarantie op de facturen op zichzelf onvoldoende grond vormt voor het aannemen van bedrog.

Op basis van het voorgaande zal de vordering tot vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. De overige door [gedaagde] aangevoerde verweren behoeven daarom geen bespreking.

Beroep op schending klachtplicht (Weens Koopverdrag)

[eiseres] stelt, zoals hiervoor (rov. 4.9) weergegeven, dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Afgezien van vernieuwde verguldsels, de nieuwe polijsting en andere datering, is sprake van een zogeheten ‘civil appearance’ in plaats van ‘original religious appearance’ door (gedeeltelijke) vervanging van de kastdeuren, zoals aangegeven in het keuringsrapport van TEFAF. [gedaagde] heeft de wandkast enerzijds herhaaldelijk aangeprezen als authentieke 16e-eeuwse wandkast en anderzijds nagelaten om cruciale informatie over het ontbreken van de authenticiteit met [eiseres] te delen. Ook heeft [gedaagde] een onjuiste periode vermeld.

[gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat de klachtplicht van artikel 39 WKV (zowel de relatieve klachttermijn van lid 1 als de absolute klachttermijn van lid 2) heeft geschonden, zodat zijn recht om zich te beroepen op non-conformiteit is vervallen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 39, lid 1 WKV verliest de koper het recht zich te beroepen op non-conformiteit indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij deze heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt. Op grond van artikel 39 lid 2 WKV verliest de koper in ieder geval het recht om zich op non-conformiteit te beroepen indien hij niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de feitelijke afgifte van de zaak heeft geklaagd over de gebreken. Deze laatste termijn betreft een vervaltermijn.

In de onderhavige zaak heeft de feitelijke afgifte plaatsgevonden op 3 april 2020, door het e-mailbericht van [gedaagde] aan de kunstopslag in Parijs (tevens gericht aan [eiseres] ), dat de wandkast (die zich bij die kunstopslag bevond) vanaf dat moment op naam van [eiseres] geregistreerd kon worden. De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat [eiseres] voor het eerst bij [gedaagde] heeft geklaagd na kennisneming van het oordeel van de vettingcommissie 2023 van 7 maart 2023. De vervaltermijn van twee jaar uit artikel 39 lid 2 WKV was toen reeds verstreken. Hieruit volgt dat het recht van [eiseres] om zich te beroepen op non-conformiteit te beroepen in beginsel is vervallen.

Echter, op grond van artikel 40 WKV – waarop [eiseres] een beroep heeft gedaan – kan de verkoper zich niet beroepen op het bepaalde in artikel 39 WKV, indien het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper bekend heeft gemaakt. In dit geval zijn de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de non-conformiteit volledig gebaseerd op de opmerkingen van de vettingcommissie van 3 en 4 maart 2020. Vaststaat dat deze opmerkingen bij [gedaagde] bekend waren. Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat [gedaagde] deze niet aan [eiseres] heeft bekendgemaakt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de verkoper – teneinde aan een beroep op art. 40 WKV te ontsnappen – het gebrek tijdig aan zijn koper dient te melden, te weten vóór of uiterlijk bij de aflevering van de zaken. Dit komt overeen met het peilmoment voor een beroep op non-conformiteit, te weten het tijdstip van risico-overgang, hetgeen in deze zaak inhoudt: het moment van terbeschikkingstelling van de wandkast aan [eiseres] op 3 april 2020. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen op grond van de opmerkingen van de vettingcommissie niet hoefde te twijfelen aan de authenticiteit van de wandkast, neemt niet weg dat zij, nu [eiseres] zich juist op deze opmerkingen beroept, door geen mededeling te doen van deze opmerkingen haar recht om een beroep te doen op artikel 40 WKV heeft verloren. Aan de verklaring van [gedaagde] ter mondelinge behandeling dat zij tijdens TEFAF 2020 wel met [eiseres] zou hebben gesproken over het oordeel van de vettingcommissie, gaat de rechtbank voorbij. Deze verklaring, die ter zitting voor het eerst naar voren is gebracht, strookt niet met de stellingen in de processtukken en vindt evenmin steun in de correspondentie tussen partijen, waarin [gedaagde] op geen enkel moment naar deze mededeling verwijst, terwijl dat wel in de lijn der verwachting had gelegen als de mededelingen waren gedaan. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat het bij de wandkast plaatsen van het gewijzigde label niet is aan te merken als een bekendmaking in de zin van artikel 40 WKV.

Gelet op het voorgaande komt aan [gedaagde] dus geen beroep toe op het verstrijken van de klachttermijn. Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van non-conformiteit van de wandkast op grond van het WKV.

Beroep op non-conformiteit (Weens Koopverdrag)

De rechtbank stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 35 WKV is de verkoper verplicht tot aflevering van zaken die aan de overeenkomst beantwoorden. Daarbij geldt als peilmoment het tijdstip van risico-overgang. Beantwoorden de zaken op dat moment niet aan de overeenkomst, dan is de verkoper in beginsel aansprakelijk (behoudens een beroep op overmacht), ook als de non-conformiteit pas op een later tijdstip aan het licht komt (artikel 36 WKV). De verkoper is echter niet aansprakelijk voor non-conformiteit van een zaak, indien de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wist of had behoren te weten dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordde.

Op grond van artikel 49 WKV kan de koper de overeenkomst ontbinden, indien sprake is van een wezenlijke tekortkoming (non-conformiteit) in de nakoming aan de zijde van de verkoper. Van een wezenlijke tekortkoming is krachtens artikel 25 WKV sprake wanneer de schade voor de koper zodanig is dat hem in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat hij uit hoofde van de overeenkomst mocht verwachten, tenzij deze schade voor de verkoper redelijkerwijs niet was te voorzien. De ontbinding dient plaats te vinden binnen een redelijke termijn nadat de koper de tekortkoming heeft ontdekt of had behoren te ontdekken (artikel 49 lid 2 sub b, onder (i) WKV).

Centraal in het debat met betrekking tot de non-conformiteit tussen partijen staat de vraag of de wandkast authentiek is. [eiseres] stelt, op basis van het oordeel van de vettingcommissie, dat dit niet het geval is, in verband met – kort gezegd – restauratie en renovatie en een onjuiste datering van de kast. Cruciaal daarbij is de vervanging van de kastdeuren, omdat daardoor de verschijningsvorm van de wandkast essentieel is gewijzigd (van religieus naar civiel), met waardevermindering tot gevolg, aldus [eiseres] . [gedaagde] betwist dat de wandkast niet authentiek zou zijn. Daarbij stelt zij onder meer dat restauratie of renovatie van antieke kunstvoorwerpen er niet zonder meer toe leidt dat het object niet meer authentiek is; dit is afhankelijk van de wijze waarop de restauratie of renovatie is uitgevoerd. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat niet in geschil is dat restauratie of renovatie (van bijvoorbeeld het verguldsel of de ‘polishing’ van de kast) er onder omstandigheden toe kan leiden dat een kunstobject – in dit geval de wandkast – zijn authenticiteit verliest. Indien het uiteindelijke oordeel luidt dat hiervan sprake is, heeft dit mogelijk – afhankelijk van de aard en ernst van het gebrek – tot gevolg dat de kast niet beantwoordt aan de overeenkomst. Niet uit te sluiten valt bovendien dat dit een ‘wezenlijke tekortkoming’ in de zin van artikel 25 WKV betreft. Dit kan echter pas daadwerkelijk worden vastgesteld als vaststaat of sprake is van gebreken en zo ja wat de aard en ernst daarvan is.

Of in dit geval sprake is van restauratie of renovatie waardoor de wandkast haar authenticiteit heeft verloren, kan de rechtbank bij de huidige stand van het debat niet vaststellen. De opmerkingen van de vettingcommissie van 3 en 4 maart 2020 bevatten enerzijds – mede gelet op de reputatie en deskundigheid van die commissie – voldoende ernstige aanwijzingen dat aan de wandkast mogelijk gebreken kleven die gevolgen hebben voor de authenticiteit van de kast. In zoverre heeft [eiseres] haar stellingen voldoende gemotiveerd. Anderzijds heeft [gedaagde] gemotiveerd verweer gevoerd door te stellen dat de beoordeling door verschillende vettingcommissies (ook bij dezelfde kunstbeurs) verschillend kan zijn, dat de vettingcommissie zelf niets heeft opgemerkt met betrekking tot de authenticiteit van de wandkast en dat het oordeel van de vettingcommissie niet kan dienen als grondslag voor de vorderingen in deze procedure, nu dit geen ‘definitief’ deskundigenoordeel, maar een ‘prima facie’-beoordeling betreft en dit oordeel bovendien niet onderbouwd is.

Gelet hierop is de rechtbank voornemens een deskundige te benoemen teneinde aan deze de vraag voor te leggen of de door [eiseres] gestelde gebreken aanwezig zijn met betrekking tot het verguldsel, de ‘polishing’, (ten dele) de vervanging van de deuren en de periode waaruit de wandkast stamt, en zo ja, of deze gebreken meebrengen dat de wandkast niet authentiek is. De rechtbank komt hierop in het navolgende terug.

Met betrekking tot de door [eiseres] gestelde vervanging van de kastdeuren is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat hierdoor de verschijningsvorm van de wandkast is gewijzigd (van religieus naar civiel), ook als zou komen vast te staan dat dit het geval is, niet kan leiden tot de conclusie dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit is immers een kenmerk van de kast dat duidelijk waarneembaar was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. [eiseres] heeft de kast gekocht met de verschijningsvorm zoals die op dat moment was (dus zonder deuren met religieuze elementen); dat is dus de verschijningsvorm waarop de overeenkomst ziet. Wel is in beginsel mogelijk dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt indien blijkt dat de deuren (of deurpanelen) uit een andere tijd stammen dan de rest van de wandkast. Dit betreft een aspect dat voor [eiseres] wellicht niet zonder meer zichtbaar of kenbaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank zal de vragen aan de deskundige met betrekking tot de kastdeuren daarom tot dit laatste punt beperken.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het beroep op non-conformiteit niet kan slagen, omdat [eiseres] de opmerkingen van de vettingcommissie in 2020 zelf heeft kunnen zien; de aangepaste labels waren immers zichtbaar bij de wandkast geplaatst en [eiseres] is nog regelmatig naar de wandkast komen kijken. Het kan niet anders dan dat [eiseres] het aangepaste label is opgevallen. [eiseres] moet toen dus al op de hoogte zijn geweest van het oordeel van de vettingcommissie, aldus [gedaagde] . Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] , als ervaren antiekhandelaar, zelf onderzoek had moeten en kunnen verrichten.

Deze stellingen van [gedaagde] gaan niet op: waar zij zelf heeft nagelaten de vereiste mededelingen te doen over de opmerkingen van de vettingcommissie kan zij [eiseres] niet verwijten dat hij zijn onderzoeksplicht (met betrekking tot hetzelfde onderwerp) heeft verzaakt. Daarbij mocht [gedaagde] er niet zonder meer van uitgaan dat [eiseres] kennis had van de opmerkingen van de vettingcommissie op grond van het enkele feit dat deze werden getoond bij de wandkast tijdens de TEFAF 2020.

Benoeming deskundige

Zoals reeds overwogen is de rechtbank voornemens een deskundige in deze zaak te benoemen. De rechtbank is daarbij voornemens aan deze deskundige de volgende vragen voor te leggen:

Uit welke periode stamt de kast?

Hoe moet de aanduiding ‘ca. 1580’ worden opgevat?

Constateert u aanpassingen die dateren van na de bij vraag 1 genoemde periode aan de vergulding, de ‘polishing’ en/of de panelen van de deuren van de wandkast?

Zo ja, wanneer zijn deze aanpassingen aangebracht?

Kunt u, zowel per afzonderlijk type aanpassingen (vergulding, polishing, et cetera) als voor het geheel van aanpassingen, aangeven of dit gevolgen heeft voor de authenticiteit van de kast?

Kwalificeert u de kast in de huidige staat als authentiek?

Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt: hebben de aanpassingen gevolgen voor de (verkoop)waarde van de kast in april 2020? Zo ja, op welke waarde taxeert u de kast op genoemd peilmoment met en zonder de aanpassingen?

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het specialisme van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [eiseres] worden betaald.

In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.

Met betrekking tot de persoon van de deskundige geeft de rechtbank partijen in overweging – gelet op hun kennis ter zake – in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Indien partijen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken dient elke partij één of meer deskundige(n) voor te dragen, voorzien van een motivering met betrekking tot de geschiktheid van deze deskundige. Daarbij dienen partijen elkaar tijdig op de hoogte te stellen van de namen van de deskundigen die zij zullen voordragen, zodat zij ieder direct gemotiveerd kunnen aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking dient te komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich gelijktijdig bij akte kunnen uitlaten over hetgeen is opgenomen in rov. 4.26 en 4.29. Partijen moeten de conceptakte, althans het gedeelte daarvan dat handelt over de voor te dragen deskundige(n) uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren. Mede in verband met voornoemd overleg over de persoon van de deskundige zal de rechtbank partijen een termijn van vier weken verlenen voor het nemen van de akten.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 24 september 2025 voor akte uitlating aan de zijde van beide partijen, zoals vermeld in rov. 4.26 en 4.29-4.30,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op

27 augustus 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?