RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/342231 / HA RK 25-76
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker] ,
verzoeker,
advocaat mr. A.R.A.R. Lotfy te Sittard,
dat strekt tot wraking van mr. D.D Kock, rechter in de rechtbank Limburg); hierna: de rechter).
1. De procedure
Op 26 mei 2025 vond de behandeling plaats van de verzoeken om een voorlopige voorziening met de zaaknummers ROE 25/911 en ROE 25/1155. Namens verzoeker heeft mr. Lotfy toen een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt; dit proces-verbaal vermeldt ook de gronden van het wrakingsverzoek.
De rechter heeft de wrakingskamer op 1 juni 2025 bericht dat zij niet in de wraking berust.
Namens verzoeker heeft mr. Lotfy op 2 juni 2025 een reactie gegeven op de formulering van de wrakingsgronden, zoals opgenomen in het proces-verbaal.
Op 3 juni 2025 heeft de rechter de wrakingskamer een schriftelijk reactie op het verzoek doen toekomen.
Mr. Lotfy heeft de wrakingskamer op 19 juni 2025 een reactie op de inhoudelijke reactie van de rechter gegeven en het wrakingsverzoek nader toegelicht.
De behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 26 juni 2025 plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer, waar verzoeker en zijn advocaat met bericht niet zijn verschenen. De rechter is verschenen. Er is een proces-verbaal opgemaakt van de zitting.
Op 4 juli 2025 heeft mr. Lotfy namens verzoeker gereageerd op het proces-verbaal van de wrakingszitting van 26 juni 2025.
Op 10 juli 2025 heeft de rechter haar reactie gegeven op de reactie van mr. Lotfy van 4 juli 2025.
De wrakingskamer heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2. De beoordeling
Wettelijk kader
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend: de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Procedurele beslissingen als zodanig kunnen nooit een grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Een wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Beoordeling
Het verloop van de zaak is - kort samengevat - als volgt. Namens verzoeker is bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 13 februari 2025 om in aanmerking te komen voor sociale woonurgentie in de gemeente Maastricht. Deze afwijzing is verwoord in een brief van de Urgentiecommissie van 2 april 2025. De brief vermeldt ook dat verzoeker indien hij niet eens met de beslissing van de Urgentiecommissie binnen vijf weken na dagtekening bezwaar kan maken bij de Bezwaarcommissie en dat dat bezwaar dient te worden gericht aan Thuis in Limburg onder vermelding van ‘Bezwaarcommissie’.
Naast het bezwaar heeft verzoeker een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, waarbij - kennelijk op initiatief van de (griffie van de) rechtbank naar aanleiding van een reactie van Thuis in Limburg - niet de Urgentiecommissie maar Thuis in Limburg als verwerende partij is aangemerkt. Omdat verzoeker zich op het standpunt stelt dat niet Thuis in Limburg, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: het college) als verweerder moet worden aangemerkt, is een tweede verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen dezelfde afwijzing, waarbij in het verzoekschrift het college als verweerder is genoemd.
De rechter voert - kort samengevat - aan dat zij vooralsnog in beide procedures Thuis in Limburg als verweerder heeft aangemerkt, waarbij zij in aanmerking heeft genomen dat de verzoeken steeds op dezelfde afwijzing betrekking hebben. Een zitting biedt de mogelijkheid, aldus de rechter, om de vraag wie verweerder is verder op te helderen en om pas daarna, in dezen een definitieve beslissing te nemen.
Namens verzoeker is gesteld dat de rechter vooringenomen is. Zij heeft, door het college niet aan te merken als verwerende partij, zich op voorhand een mening gevormd over de verwerende partij zonder dat de zaak op zitting is behandeld.
Alvorens de wrakingskamer haar oordeel geeft op het verzoek tot wraking merkt zij op dat op grond van artikel 8:16, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) alle feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor het verzoek tot wraking tegelijk moeten worden voorgedragen. Voor zover mr. Lotfy in haar schriftelijke reacties op de stukken een aanvulling op de wrakingsgronden heeft willen geven, gaat de wrakingskamer aan deze aanvulling voorbij.
Het verzoek tot wraking richt zich tegen de rechter die, geconfronteerd met twee verzoeken om een voorlopige voorziening connex aan de behandeling van twee (inhoudelijk identieke) bezwaarschriften tegen dezelfde afwijzing die zijn ingediend bij twee verschillende instanties, een beslissing dient te nemen over de vraag welke instantie zij - met betrekking tot die zelfde afwijzing, waarvan, naar zij heeft gesteld, op voorhand nog niet vaststaat dat dit een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb betreft - als verwerende partij dient aan te merken. Die beslissing kan niet anders worden geduid dan als een procesbeslissing; een procesbeslissing die, zoals hiervoor uiteen is gezet, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, geen grond voor wraking kan opleveren. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden die niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter, is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Het verzoek tot wraking kan op deze grond derhalve niet slagen en dient daarom te worden afgewezen.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. drs. C.M.J. van den Acker, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.W.D. Janssen, griffier.
De beslissing is openbaar gemaakt op 24 juli 2025.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.