ECLI:NL:RBLIM:2025:13168

ECLI:NL:RBLIM:2025:13168, Rechtbank Limburg, 20-05-2025, ROE 23/1899

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 20-05-2025
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer ROE 23/1899
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Eisers hebben een verzoek ingediend bij het college op grond van de Woo. Het college heeft de gevraagde informatie gedeeltelijk verstrekt. Aan deze verstrekking heeft het college een voorwaarde verbonden. Eisers hebben bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Volgens eisers heeft het college geen volledige zoekslag verricht en heeft het college ten onrechte niet de gevraagde documenten verstrekt. Verder stellen eisers dat de aan de informatieverstrekking verbonden voorwaarde onrechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is voor zover dat ziet op de door het college verrichte zoekslag en de gehanteerde (te) strikte voorwaarden bij het verstrekken van informatie. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

[eiser 1] en [eiser 2] , beide wonende te [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college

(gemachtigde: mr. E.P.B. Moors).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van hun verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben als partij deelgenomen: [eiser 1] (eiser) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden tot (gedeeltelijke) afwijzing van het Woo-verzoek op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo is overgegaan. Zij gaat daarbij in op het Woo-verzoek, de totstandkoming van het bestreden besluit, de gehanteerde zoekslag, de toegepaste weigeringsgronden, de voorwaarden die aan de verstrekking van de documenten zijn verbonden en de door eisers gestelde aanwezigheid van klemmende redenen zoals bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, van de Woo.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Zij zal dat hieronder nader toelichten.

De toepasselijke wet- en regelgeving is als bijlage gevoegd bij deze uitspraak.

Wat is de inhoud van het Woo-verzoek?

3. Eisers hebben op 28 november 2022 een verzoek ingediend op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo en artikel 5.6. eerste lid, van de Woo. Het verzoek ziet op alle op henzelf betrekking hebbende documenten met betrekking tot hun krediethypotheek. Het verzoek ziet op de periode 1 november 2017 tot en met 28 november 2022. Aanleiding voor het verzoek vormt de omstandigheid dat eisers een uitkering hadden in het kader van de Participatiewet, maar deze uitkering is op 20 mei 2018 omgezet naar een geldlening.

Eisers verzoeken – samengevat weergegeven – om alle documenten (analoog en digitaal) en concepten van en naar:

- Intern: de burgemeester, het college van Burgemeester en Wethouders, de directie, secretariaat en ondersteuning, de concernstaf, juridische zaken, verder betrokken teams (waaronder Team Wijk, Werk, Inkomen, Rechtmatigheid, Sociale Wijkteams, Financiën en Participatie), programmamanagers, griffie, raad en presidium.

- Extern: alle documenten, inclusief concepten, van en naar [naam notariskantoor] ,

inclusief opdrachten, facturen en betalingen.

Eisers maken daarbij de kanttekening dat documenten die door hen zijn verzonden of ontvangen zijn uitgesloten van dit verzoek. Documenten die door hen zijn verzonden en/of ontvangen en door de gemeente Venlo intern en/of extern zijn doorgestuurd zonder kennisgeving aan en instemming van hen, zijn niet uitgesloten van het verzoek.

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

4. Bij het primaire besluit van 24 januari 2023, verzonden 26 januari 2023, heeft het college beslist op het Woo-verzoek van eisers. Het college heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om verstrekking van informatie die betrekking heeft op hen zelf (artikel 5.5, eerste lid, van de Woo). Het college heeft besloten de gevraagde informatie gedeeltelijk aan eisers te verstrekken. Aan deze gedeeltelijke verstrekking heeft het college – met inachtneming van de in artikel 5.1 en 5.2 van de Woo genoemde weigeringsgronden – de volgende voorwaarden verbonden:

de documenten worden op papier aan eisers verstrekt zodra hun identiteit is vastgesteld;

de documenten mogen niet gedeeld worden met derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden, nu artikel 5.5 van de Woo zich daartegen verzet.

Uit de bij het besluit gevoegde inventarisatietabel blijkt dat het college de gevraagde informatie gedeeltelijk heeft verstrekt met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en/of artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen).

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Het door eisers gemaakte bezwaar heeft geleid tot het bestreden besluit van 18 juli 2023, verzonden 20 juli 2023. In dit besluit heeft het college – anders dan in het primaire besluit – nader uiteengezet welke belangen zijn betrokken bij het stellen van nadere voorwaarden zoals genoemd in artikel 5.5, vierde lid, van de Woo. Het betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo) en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad (artikel 5.2 van de Woo). Volgens het college zijn de hiervoor genoemde weigeringsgronden terecht toegepast. Ook is de verrichte zoekslag correct en volledig toegepast. Voor zover eisers verzoeken om het verstrekken van documenten die zien op het overleg tussen de provincie Limburg en de gemeente Venlo, stelt het college zich op het standpunt dat deze documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Tot slot is het college van mening dat het beroep van eisers op klemmende redenen, zoals genoemd in artikel 5.6 van de Woo, niet kan slagen, nu hiervan in onvoldoende mate is gebleken.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft de documenten die onder het bereik van het Woo-verzoek vallen naar de rechtbank gestuurd. Daarbij is onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken zal kennisnemen. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb kennisgenomen van deze stukken.

De verrichte zoekslag

Wat is het standpunt van eisers?

5. Eisers stellen zich in het algemeen op het standpunt dat het college zowel intern als extern geen volledige zoekslag heeft verricht naar de gevraagde documenten in het Woo-verzoek. De verstrekte inventarislijst is daarom niet volledig.

Wat de interne zoekslag betreft voeren eisers aan dat medewerkers van de teams enkel hebben gezocht in de persoonlijk e-mailboxen. Door medewerkers van het team secretariaat en ondersteuning is enkel gezocht in de persoonlijke e-mailboxen van de burgemeester, het college en de directie. Eisers vinden het opvallend dat het eerste document dat wordt verstrekt dateert van 14 mei 2020, terwijl de uitkering al is toegekend vanaf 20 november 2017 en de krediethypotheek is vastgesteld op 28 mei 2018. Niet helder is welke medewerkers de zoekslag hebben verricht en welke zoektermen zij hebben gehanteerd. Niet gebleken is dat ook is gezocht in e-Depot (de gemeentelijke digitale archiefbewaarplaats), op server(s), in de cloud, op diverse harde (persoonlijke) schijven, tablets, laptops, werk- en privételefoons, USB-sticks, diverse systemen en applicaties, waaronder chatberichten (SMS, WhatsApp etc.) van en naar leden van het team Concernstaf, de bestuurssecretaris, directie, het college, de hoofden Werk en Inkomen, Juridische Zaken en andere medewerkers. Evenmin is gezocht in het digitaal en analoog Kabinet en Kabinet P, het stadskantoor van de gemeente Venlo, de firma Oasis in Echt, archief gemeente Venlo, Applicatie Alice van de firma Open-T B.V., de Linuxserver voor hosting Alice en de Windowsserver voor de opslag in de datacenters van ICT-NML.

Eisers wijzen er verder op dat er geen enkel document van wethouder [naam wethouder 1] (portefeuillehouder krediethypotheek sinds 2022), is verstrekt. Het is volgens eisers meer dan aannemelijk dat er meer documenten bij het college berusten, die onder de reikwijdte van het verzoek vallen, aanzien deze portefeuillehouder en ook zijn voorganger (wethouder [naam wethouder 2] ) meerdere malen in de correspondentie zijn meegenomen, worden benoemd en bij overleg zijn betrokken. Daarbij komt volgens eisers dat wethouder [naam wethouder 1] en het college moeten zijn geïnformeerd over het initiatief van en contact met de provincie Limburg.

Eisers stellen zich verder op het standpunt dat talloze gevraagde en onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten, niet zijn verstrekt. Deze documenten zijn evenmin (deels dan wel geheel) geweigerd en zij komen niet voor op de inventarislijst, terwijl deze documenten bij het college behoren te berusten op grond van de Woo en de Archiefwet. Het college stelt niet te kunnen duiden wat eisers bedoelen, terwijl het niet heeft gevraagd om verduidelijking. De niet-verstrekte documenten waarop eisers doelen zijn: overleggen (afspraken, agenda’s), berichten (e-mails en/of chatberichten zoals WhatsApp, sms, Signal etc), offertes, facturen [naam notariskantoor] , die het college in bezwaar weigert te verstrekken en zelfs weigert te behandelen in het verzoek. Eisers verwijzen naar de volgende e-mailberichten waaruit blijkt dat niet alle gevraagde documenten zijn verstrekt:

- e-mailbericht van 5 juni 2020;

- e-mailbericht van 22 juni 2020;

- e-mailbericht van 23 juni 2020;

- e-mailbericht van 26 juni 2020;

- e-mailberichten van 18 december 2020;

- e-mailbericht van 27 juni 2022;

- e-mailbericht van 28 juli 2022;

- e-mailbericht van 3 augustus 2022; en

- e-mailbericht van 21 oktober 2022.

Wat de externe zoekslag betreft voeren eisers tot slot aan dat er tussen eiser, de Provincie Limburg en de gemeente Venlo in 2022 meerdere malen overleg is geweest met betrekking tot de aangelegenheid “Krediethypotheek”. Het college stelt naar de mening van eisers ten onrechte dat dit onderwerp buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt. Het college had het Woo-verzoek op dit punt moeten doorzenden naar de Provincie Limburg op grond van artikel 4.2 van de Woo.

Wat is het standpunt van het college?

6. Het college stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat de verrichte zoekslag volledig is geweest. Naar de mening van het college is het helder wie de zoekslag heeft uitgevoerd en waar is gezocht. Het college weerspreekt de niet nader onderbouwde stelling van eisers dat er door bepaalde personen informatie zou zijn achtergehouden. Ook weerspreekt het college dat er bij elk overleg een uitnodiging, agenda en notulen worden gemaakt en dat er niet gezocht zou zijn naar niet-openbare, vertrouwelijke en/of geheime documenten. Het college is in het bestreden besluit verder ingegaan op de door eisers aangehaalde e-mailberichten.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

7. Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat het een bepaald document niet of niet meer heeft en een dergelijke mededeling komt niet ongeloofwaardig voor, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat het bestuursorgaan, in tegenstelling tot de uitkomst van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch nog heeft. Een bestuursorgaan heeft een document als het document fysiek bij dat bestuursorgaan aanwezig is en voor dat bestuursorgaan bestemd is. Het bestuursorgaan moet uitleggen hoe het naar documenten heeft gezocht. Of de mededeling dat een bestuursorgaan een bepaald document niet of niet meer heeft niet ongeloofwaardig voorkomt hangt af van hoe grondig het bestuursorgaan naar documenten heeft gezocht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college gelet op de inhoud van het bestreden besluit alsmede de (summiere) toelichting ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de verrichte zoekslag naar de in het Woo-verzoek gevraagde documenten voldoende is geweest. Het college stelt weliswaar dat de zoekslag voldoende is geweest, maar niet gebleken is dat het college gezocht heeft in alle door eisers in rechtsoverweging 5 genoemde systemen en gegevensdragers. Het college heeft de zoekslag ten onrechte beperkt tot de persoonlijke e-mailboxen van de in het Woo-verzoek vermelde personen. Verder kan de rechtbank eisers volgen in hun stelling dat uit de besluitvorming niet blijkt welke persoon of personen de zoekslag hebben uitgevoerd. Met de overlegde stukken, waaronder de in rechtsoverweging 5.1 genoemde e-mailberichten en eisers correspondentie van en met de Provincie Limburg, hebben eisers voldoende aannemelijk gemaakt dat het college zou moeten beschikken over meer stukken dan het tot nu toe (gedeeltelijk) heeft verstrekt. Hoewel de rechtbank het college gedeeltelijk kan volgen in de stelling dat eisers de Provincie Limburg onder het kopje “Extern” niet als zodanig hebben genoemd, kan uit de toelichting hierop van eiser niet worden uitgesloten dat hieronder ook de Provincie Limburg kan worden geschaard. Voor zover het college stelt dat de gevraagde documenten met betrekking tot de correspondentie van het college van en met de Provincie Limburg buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen, hebben eisers terecht het standpunt ingenomen dat deze correspondentie betrekking heeft op de “aangelegenheid krediethypotheek”, het onderwerp van hun Woo-verzoek. Het had daarom op de weg van het college gelegen om, als het niet over deze documenten beschikte, het Woo-verzoek op dat punt door te zenden naar de Provincie Limburg op grond van artikel 4.2 van de Woo.

De weigeringsgronden

Heeft het college de weigeringsgrond onder artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo terecht toegepast?

8. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college ook de informatie die ziet op de namen en (neven)functies van ambtenaren vanaf schaal 14 leesbaar moet worden verstrekt. Net als de namen en functies van directieleden en ambtenaren die vanuit hun functie in de openbaarheid treden. Eisers noemen in hun beroepschrift de namen van de desbetreffende ambtenaren. Ook wijzen eisers op bepaalde e-mailberichten waarin de functies geheel zwart gelakt zijn. Eisers verzoeken de rechtbank te verifiëren of de andere namen en functies van de ambtenaren wel of niet leesbaar moeten te worden verstrekt. Specifiek wijzen eisers op de e-mailberichten van 5 oktober 2022, 21 oktober 2022 en 26 oktober 2022, waarbij eisers de kanttekening maken dat zij het door het college aangehaalde e-mailbericht van 5 oktober 2022 niet hebben aangetroffen in de verstrekte stukken.

9. De rechtbank heeft kennis genomen van de documenten, die met een beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gedeeltelijk zijn geweigerd. Onder deze documenten vallen ook de door eisers aangehaalde e-mailberichten, met uitzondering van het e-mailbericht van 5 oktober 2022 dat geen onderdeel uitmaakt van de geheime stukken en daarom als zodanig ook niet vermeld staat in de inventarisatietabel. De rechtbank stelt vast dat deze documenten voor een groot deel zijn opgesteld door ambtenaren die bij de gemeente werkzaam zijn. De rechtbank is met het college van oordeel dat de namen van de betrokken ambtenaren niet openbaar hoeven te worden gemaakt, nu deze ambtenaren niet vanuit hun functie in de openbaarheid treden. Het college heeft dan ook hun persoonsgegevens mogen weglakken. Dat geldt ook voor de persoonsgegevens van een derde, die door de gemeente is ingehuurd. Eisers sommen in hun beroepsgronden namen op van ambtenaren waarvan de persoonsgegevens niet mogen worden weggelakt omdat zij, naar hun mening, in de openbaarheid treden. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Dat hun persoonsgegevens en/of foto mogelijk vermeld zijn op een website, betekent nog niet dat zij vanuit hun functie in de openbaarheid treden, vergelijkbaar met bijvoorbeeld het college van burgemeester en wethouders. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van openbaarmaking in een concreet geval zwaarder weegt. Een dergelijk belang hebben eisers hier niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, terecht toegepast.

Heeft het college de uitzonderingsgrond onder artikel 5.2 van de Woo terecht toegepast?

10. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze uitzonderingsgrond feitelijk onjuist is en ondeugdelijk gemotiveerd is. Zij wijzen daarbij op een aantal e-mailberichten waarbij de betreffende ambtenaar (of juist niet-ambtenaar) geanonimiseerd is. Daardoor is het niet aannemelijk dat deze persoon daardoor onevenredig zou worden benadeeld.

Specifiek wijzen eisers op de e-mailberichten van 4 juni 2020, 5 juni 2020, 23 juni 2020,

1 juli 2020, 22 september 2020, 22 februari 2021 en 3 augustus 2022. Eisers geven verder – onder verwijzing naar de kamerbrieven van minister [naam] – aan dat de gevraagde documenten ouder zijn dan vijf jaar waardoor zowel de persoonlijke beleidsopvattingen als de “gevoelige dossiers” eerder openbaar hadden moet worden gemaakt.

11. De rechtbank stelt vast dat het college de informatie die betrekking heeft op persoonlijke visies, adviezen en standpunten onleesbaar heeft gemaakt. Dat geldt ook voor de specifiek door eisers aangehaalde e-mailberichten. Deze stukken zijn opgesteld voor intern beraad en bevatten – naast persoonsgegevens – tevens persoonlijk beleidsopvattingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze weigeringsgrond terecht toegepast. De beroepsgrond van eisers dat er geen sprake is van een onevenredige benadeling omdat de persoonsgegevens van de betreffende ambtenaar onleesbaar zijn gemaakt, volgt de rechtbank niet. De omstandigheid dat persoonsgegevens van de persoon van wie deze beleidsopvatting afkomstig is geanonimiseerd is, maakt niet dat deze weigeringsgrond niet zou kunnen worden toegepast. De aanwezigheid van persoonlijke beleidsopvattingen vormt immers een zelfstandige weigeringsgrond voor het verstrekken van informatie. Immers ook als de persoonlijke gegevens geanonimiseerd zijn, is het mogelijk dat uit de inhoud van de persoonlijke beleidsopvatting kan worden afgeleid van wie deze afkomstig is.

Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de stukken eerder openbaar gemaakt hadden moeten worden op grond van artikel 5.3 van de Woo. De stukken waren ten tijde van de besluitvorming immers nog geen vijf jaar oud.

Heeft het college aan het verstrekken van de documenten voorwaarden mogen verbinden zoals bedoeld in artikel 5.5, vierde lid van de Woo?

12. Eisers stellen zich op het standpunt dat de aan de informatieverstrekking verbonden voorwaarde dat de informatie niet met derden gedeeld mag worden of op een andere wijze openbaar gemaakt mag worden, onrechtmatig is. Dit levert voor eisers onevenredig nadelige gevolgen op. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de verstrekte informatie alleen voor henzelf is. Het is niet de bedoeling deze informatie voor een ieder openbaar te maken. Eisers hebben de verkregen informatie, onder meer, nodig voor het voeren van juridische procedures waarbij het college of de gemeente betrokken is. Ook willen zij uit maatschappelijk oogpunt over deze stukken beschikken. Zij willen met deze stukken anderen helpen die zich in een vergelijkbare positie vinden.

13. In het bestreden besluit heeft het college alsnog gemotiveerd dat de aan de informatieverstrekking verbonden voorwaarde dat de documenten niet gedeeld mogen worden met derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt mogen worden, is gebaseerd op de belangen zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo en artikel 5.2 van de Woo. De rechtbank deelt het standpunt van eisers dat deze voorwaarde te strikt is. Deze voorwaarde lijkt in te houden dat eisers wel de beschikking mogen hebben over deze informatie, maar deze informatie vervolgens niet mogen gebruiken voor, bijvoorbeeld, het voeren van juridische procedures. Daarnaar gevraagd heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat dit niet de strekking van deze voorwaarde kan zijn. De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde wel op deze wijze is opgenomen in het bestreden besluit. Als het de bedoeling was dat deze voorwaarde niet zo strikt geïnterpreteerd moest worden in het licht van de daaraan gekoppelde belangen, zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo en artikel 5.2 van de Woo, had het college dit deugdelijker moeten motiveren. Het bestreden besluit bevat daarom op dit punt een motiveringsgebrek.

Zijn er klemmende redenen zoals bedoeld in artikel 5.6 van de Woo om de gevraagde informatie toch volledig aan eisers te verstrekken?

14. Eisers zijn van mening dat er klemmende redenen zijn om de gevraagde documenten volledig leesbaar aan hen te verstrekken. Zij verwijzen daarbij naar juridische procedures waarin eiser is verwikkeld met de gemeente Venlo vanwege zijn ontslag in 2017 en de omstandigheid dat eiseres sinds zij een uitkering in het kader van de Participatiewet ontvangt is vrijgesteld van de sollicitatieplicht op medische gronden.

In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat de bevoegdheid om op grond van artikel 5.6 van de Woo uitsluitend informatie te verstrekken aan eisers in het geval van klemmende redenen, ondanks dat de informatie niet openbaar gemaakt kan worden op grond van artikel 5.1 en artikel 5.2, discretionair van aard is. Het college is er daarom niet toe gehouden om deze informatie aan eisers te verstrekken. Daar komt bij dat er volgens het college geen klemmende redenen zijn dan wel dat daarvan onvoldoende is gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op dit standpunt heeft kunnen stellen. Bij dit oordeel vindt de rechtbank aansluiting bij de wetsgeschiedenis. Hierin is opgenomen dat bestuursorganen restrictief gebruik moeten maken van deze bevoegdheid. Slechts zwaarwegende redenen en onevenredige benadeling van eisers kan een grond zijn om tot verstrekking van de gegevens over te gaan. In de praktijk zal het gaan om onvoorziene uitzonderlijke gevallen. Daarbij is in de wetsgeschiedenis als voorbeeld genoemd dat er bij de Arbeidsinspectie informatie zou berusten over de aanwezigheid van schadelijke stoffen bij een bedrijf. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers zich in een lastige situatie bevinden, is zij van oordeel dat hun situatie niet kan worden aangemerkt als een onvoorzien uitzonderlijk geval zoals omschreven in de wetsgeschiedenis.

Getuigen horen

15. Eisers hebben in hun aanvullende beroepsgronden de rechtbank verzocht om de voormalige wethouders [naam wethouder 2] en [naam wethouder 1] als getuigen te horen naar aanleiding van de besluitvorming en verslaglegging met betrekking tot de krediethypotheek onder de Woo.

16. Zoals de rechtbank al ter zitting aan partijen heeft mede gedeeld ziet zij geen aanleiding om hieraan gevolg te geven. De rechtbank acht in dat kader van belang dat dit niet zal bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat eisers bij horen van de getuigen om rechts- en waarheidsvinding en niet om het Woo-verzoek zelf, te weten het verstrekken van informatie die betrekking heeft op henzelf.

Hebben eisers recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

17. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM mag in dat geval maximaal 2 jaar duren. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn moet per half jaar een bedrag van € 500,– aan immateriële schadevergoeding worden toegekend, waarbij een periode van minder dan een half jaar geacht moet worden ook een periode van een half jaar te bedragen.

De rechtbank is in beginsel niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. Dat is slechts anders als ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was. In een dergelijk geval is er voor eiser immers geen reden daarover te klagen. De rechtbank moet in dat geval de redelijke termijn wel ambtshalve toetsen als de uitspraak in een dergelijk geval gedaan wordt met overschrijding van die termijnen. Dat is in deze zaak het geval.

Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eisers op 21 februari 2023 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna twee jaar en drie maanden verstreken. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaar overschreden, te weten met bijna drie maanden. Eisers hebben daarom recht op een immateriële schadevergoeding van € 500,-. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. In de bezwaarfase is binnen zes maanden beslist. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een bedrag van € 500,- aan eisers zal worden veroordeeld, als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond voor zover dat ziet op de verrichte zoekslag en de gehanteerde (te) strikte voorwaarde bij het verstrekken van de informatie. De rechtbank verwijst daarbij naar rechtsoverweging 7.1 en 13. Dat betekent dat het bestreden besluit op deze punten wordt vernietigd. Dat betekent dat het college op deze punten opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eisers met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak.

Eisers krijgen geen gelijk voor wat betreft hun beroepsgronden tegen de gehanteerde weigeringsgronden en de klemmende redenen van artikel 5.6 van de Woo. Het is aan eisers – als zij het daar niet mee eens zijn – hiertegen tijdig hoger beroep in te stellen.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten. Deze kosten bestaan uit reiskosten. De rechtbank bepaalt de reiskosten op € 39,48 voor de reis [woonplaats] – Maastricht v.v., per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Ook wordt aan eisers een schadevergoeding toegekend van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals hiervoor berekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2025

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 mei 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet open overheid

Artikel 1.1

Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.

Artikel 4.1

3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.

6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

7. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.

Artikel 4.2

[…]

2. Indien het verzoek betrekking heeft op informatie die op grond van enig wettelijk

voorschrift bij het bestuursorgaan had behoren te berusten, vordert het bestuursorgaan de gevraagde informatie van degene die over de informatie beschikt. Degene die over de gevraagde informatie beschikt, verstrekt deze per omgaande aan het bestuursorgaan.

Artikel 5.1

[…]

2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het

belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

Artikel 5.2

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.

2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

3. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester en een wethouder, informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad.

4. In afwijking van het eerste lid wordt bij milieu-informatie het belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

Artikel 5.3

Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.

Artikel 5.5

1. Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek met betrekking tot gegevens ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de verzoeker, tenzij een schriftelijke wilsverklaring van de overledene aan de verstrekking in de weg staat.

3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

4. Het bestuursorgaan kan aan de verstrekking voorwaarden verbinden ter bescherming van een van de belangen, genoemd in de artikelen 5.1 en 5.2, tenzij de gevraagde informatie met toepassing van de artikelen 5.1 en 5.2 openbaar voor eenieder zou zijn.

Artikel 5.6

1. Het bestuursorgaan kan, in geval informatie ingevolge de artikelen 5.1 en 5.2 niet openbaar gemaakt kan worden, besluiten de informatie uitsluitend aan de verzoeker te verstrekken, indien er klemmende redenen zijn om de verzoeker niettegenstaande de toepasselijke uitzonderingsgrond of -gronden de gevraagde informatie niet te onthouden.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing voor zover dit niet in strijd is met een toepasselijke geheimhoudingsplicht.

3. Het bestuursorgaan kan aan de verstrekking voorwaarden verbinden ter bescherming van een van de belangen, genoemd in de artikelen 5.1 en 5.2.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?