RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/346715 / HA RK 25-176
Beslissing van 19 december 2025 van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek ex artikel 512 Sv van
[verzoeker] ,
verzoeker,
bijgestaan door mr. I.I. Herremans en mr. W.H. Jebbink
dat strekt tot wraking van mr. C.P.W. van Well, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1. De procedure
Namens verzoeker hebben de advocaten die hem bijstaan in een strafzaak, te weten mr. I.I. Herremans en mr. J.W. Soeteman op 30 oktober 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
De rechter heeft te kennen gegeven niet te berusten in de wraking en op 5 november 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek.
Het verzoek is op de zitting van de wrakingskamer te Roermond behandeld op 11 december 2025. De rechter, verzoeker en mr. W.H. Jebbink zijn gehoord. Mr. Jebbink heeft het woord gevoerd overeenkomstig door hem overgelegde notities.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. De gronden van het verzoek
Namens verzoeker is aangevoerd dat de rechter die voornemens is te fungeren als voorzitter in een strafzaak tegen verzoeker, in een eerder stadium bij diezelfde zaak betrokken is geweest als officier van justitie. De rechter is namelijk, toen zij nog werkzaam was voor het Openbaar Ministerie, opgetreden als officier van justitie bij de uitspraak in eerste aanleg in deze strafzaak op 15 oktober 2019. Het vonnis is in hoger beroep door het hof te ’s-Hertogenbosch op 27 november 2023 vernietigd, waarbij de zaak is teruggewezen naar de rechtbank Limburg. Nu de rechter voornemens is deze zaak inhoudelijk te behandelen, is bij verzoeker de vrees voor partijdigheid ontstaan. Die vrees is objectief gerechtvaardigd.
3. Standpunt van de rechter
De rechter stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De rechter is in haar hoedanigheid van officier van justitie op de uitsprakenzitting van 15 oktober 2019 opgetreden. Het was vaste praktijk dat een willekeurige officier van justitie werd ingedeeld om de uitsprakenzitting van de rechtbank Limburg bij te wonen en de rechter heeft als officier van justitie nooit enige inhoudelijke betrokkenheid bij de zaak gehad, noch in het opsporingsonderzoek, noch bij de vervolging van de zaak. Evenmin heeft zij destijds inzage gehad in het dossier van de zaak. De zaak was bovendien een zaak van het Landelijk Parket en niet van het arrondissementsparket waar zij destijds werkzaam was. Haar betrokkenheid is dus zeer beperkt geweest en vormt geen belemmering om nu deel te nemen aan de combinatie van rechters die de strafzaak zal behandelen. Van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden of waaruit een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde schijn van partijdigheid zou kunnen ontstaan, is geen sprake.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 512 Sv kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, of in elk geval bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Niet aangevoerd of gebleken is dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert.
Wél is aangevoerd dat de schijn daarvan of in elk geval twijfel daarover is ontstaan omdat de rechter een zaak gaat behandelen waarin zij uit hoofde van haar vorige werkkring betrokken is geweest, wat volgens verzoeker strijd oplevert met (Europese) rechtspraak en met de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, opgesteld door de Raad voor de Rechtspraak.
In de Leidraad staat:
“De rechter zorgt ervoor geen zaken te behandelen waarbij hij uit hoofde van zijn vorige werkkring betrokken is geweest” en “Ongeacht de inhoud van de voormalige functie en ongeacht het tijdsverloop dient een rechter geen zaken te behandelen waarbij hij uit anderen hoofde reeds (inhoudelijk) betrokken is geweest. Het kan hierbij gaan om voormalige eigen zaken, maar ook om bijvoorbeeld zaken van een voormalige collega die de desbetreffende zaak in een werkoverleg heeft besproken of om zaken waarin de rechter in het verleden beroepshalve of anderszins een rol heeft gespeeld (bijvoorbeeld als onafhankelijke deskundige)” (aanbeveling 15)
De Leidraad beoogt niet een sluitende regeling te geven voor alle gevallen. De Leidraad geeft vooral een kader om te komen tot een gefundeerd oordeel in het individuele geval.
De Leidraad beantwoordt dus niet de vraag welke mate van (inhoudelijke) betrokkenheid de grens bepaalt. Het plaatsen van het woord inhoudelijk tussen haakjes biedt ruimte aan de interpretatie die verzoeker hanteert, inhoudend dat iedere betrokkenheid relevant is. Verder, en belangrijker nog, staat vermeld dat beoogd wordt dat de rechter zich steeds afvraagt of zijn optreden ook werkelijk bij de rechtzoekende en de samenleving het beeld van de onpartijdige rechter oproept. Met andere woorden: tast de wisseling van rol van officier van justitie naar rechter in dezelfde zaak het vertrouwen in een eerlijke behandeling van de strafzaak van verzoeker aan?
De rechter is in 2019, voor het publiek zichtbaar, in het openbaar als vertegenwoordiger van het een en ondeelbare Openbaar Ministerie in de zaak van verzoeker opgetreden. De rechtspraak moet, zo is in de Leidraad ook vermeld, er blijk van geven te beantwoorden aan redelijke verwachtingen van de buitenwereld op het punt van onpartijdigheid. De wrakings-kamer is van oordeel dat aan die redelijke verwachtingen in dit geval niet beantwoord wordt indien de rechter zou deelnemen aan de samenstelling die de strafzaak van verzoeker inhoudelijk gaat behandelen. Derhalve is de vrees bij verzoeker dat zijn zaak niet onpartijdig zal worden behandeld objectief gerechtvaardigd en dient het verzoek te worden toegewezen.
5. De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter toe.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. Y.J.C.A. Roeffen en mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer, bijgestaan door mr. A.P. Jansen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Buiten staat
Mr. Y.J.C.A. Roeffen en mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.