ECLI:NL:RBLIM:2025:13180

ECLI:NL:RBLIM:2025:13180

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer C/03/347072 / HA RK 25-185
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Wraking toegewezen - schending van hoor en wederhoor

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

beslissing

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/347072 / HA RK 25-185

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1]

[verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats 2]

[verzoekster 2]

hierna ook: verzoekers,

dat strekt tot wraking van mr. C.S. van den Pauwert, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1. De procedure

Op 13 november 2025 is door de advocaat van verzoekers per e-mail een wrakingsverzoek ex artikel 36 Rv ingediend.

Op 20 november 2025 heeft de rechter schriftelijk gereageerd op het verzoek en laten weten niet te berusten in de wraking.

Op 4 december 2025 heeft de advocaat van verzoekers per e-mail aanvullende wrakingsgronden ingediend met bijgevoegde producties.

Op 9 december 2025 heeft de rechter wederom schriftelijk gereageerd en zijn standpunt gehandhaafd dat het verzoek moet worden afgewezen.

De meervoudige kamer heeft het verzoek vervolgens op 11 december 2025 ter terechtzitting behandeld. Daarbij is de advocaat van verzoekers, mr. J. Ph. de Korte, advocaat te Amsterdam, verschenen. De advocaat heeft op de zitting het wrakingsverzoek nader toegelicht aan de hand van een op schrift gestelde onderbouwing met bijgevoegde producties.

De datum van de uitspraak is bepaald binnen 2 weken na 11 december 2025.

2. De gronden van het verzoek

Verzoekers van de wraking hebben gesteld dat de rechter zich in het kader van een aan hem opgedragen voorlopig getuigenverhoor partijdig heeft opgesteld, door [verzoeker] en [verzoekster 1] (in de procedure waar het om gaat optredend als gerekwestreerden) en [verzoekster 2] niet op voet van gelijkheid te behandelen met de verzoeker in die procedure, [B.V.] (hierna: [B.V.] ). [verzoeker] en [verzoekster 1] , die bij beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024 als getuigen zullen worden gehoord en een beroep doen op het verschoningsrecht, en [verzoekster 2] konden de handelwijze van de rechter opvatten als ingegeven door vooringenomenheid. Door de gang van zaken kan de rechterlijke onpartijdigheid schade lijden. De vrees van partijdigheid van de rechter bij verzoekers is objectief gerechtvaardigd.

Daartoe wordt aangevoerd dat:

- de rechter geen rekening heeft gehouden met de verhinderdata bij de planning van de getuigenverhoren;

- een vragenlijst van [B.V.] , die zonder gelijktijdige verstrekking aan gerekwestreerden door [B.V.] aan de rechter is toegezonden, niet door de rechter met de advocaat van gerekwestreerden is gedeeld;

- niet door de rechter aan gerekwestreerden is meegedeeld dat er eenzijdige communicatie heeft plaatsgevonden tussen hem en de advocaten van [B.V.] ;

- de rechter de toepasselijkheid van het verschoningsrecht heeft beoordeeld zonder gerekwestreerden vooraf te horen en heeft geoordeeld dat een of meer vragen niet door het verschoningsrecht worden beheerst, zodat het getuigenverhoor doorgang kan vinden. De rechter heeft daarmee al een oordeel per vraag gevormd over het beroep op het verschoningsrecht van [verzoeker] en [verzoekster 1] zonder hen eerst daarover te hebben gehoord.

Een dergelijk samenstel van flagrante schendingen van artikel 19 Rv is volgens verzoekers grond om een wrakingsverzoek toe te wijzen.

3. Standpunt van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat er geen objectieve vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid kan worden afgeleid uit de gang van zaken rondom het voorlopig getuigenverhoor.

4. De beoordeling

Juridisch kader

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van haar of zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaar-wegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend.

Het oordeel van de wrakingskamer

De wrakingskamer stelt vast dat de rechter in het kader van het hem opgedragen voorlopige getuigenverhoor op 5 november 2024 de advocaten van [B.V.] verzocht heeft te stellen vragen aan de getuigen op voorhand te verstrekken. Op 25 november 2024 heeft de rechter bij beschikking bepaald dat, om [verzoeker] en [verzoekster 1] tegemoet te komen, [B.V.] binnen 14 dagen de vragen moest overleggen die [B.V.] aan [verzoeker] en [verzoekster 1] wenste voor te leggen, ter beoordeling van de vraag of - indien gesteld - het verschoningsrecht van toepassing kan zijn, indien daar een beroep op wordt gedaan en dat vragen die niet vooraf zijn beoordeeld mogelijk niet gesteld mogen worden. Op 12 december 2024 heeft de rechter bij herstelbeschikking voornoemde beslissing herhaald; [B.V.] diende binnen 14 dagen de vragen voor te leggen.

Daarop hebben de advocaten van [B.V.] op 24 december 2024 de rechter een voorlopige vragenlijst doen toekomen, onder de voorwaarde dat deze niet op voorhand zou worden gedeeld met de getuigen en/of hun advocaat, aldus de rechter. De vragenlijsten waren volgens de rechter door hem opgevraagd opdat op voorhand de toepasselijkheid van het verschoningsrecht getoetst kon worden, voor het geval de vraag ten tijde van het (geplande) verhoor ook feitelijk zou worden gesteld. Volgens de rechter betrof het opvragen van een conceptvragenlijst een praktische en tijdelijke maatregel, bedoeld om de integriteit van het getuigenverhoor, de rechten van de getuigen, en het ordentelijk verloop van het getuigen-verhoor te waarborgen.

De advocaten van [B.V.] hebben per e-mail van 12 november 2025 meegedeeld dat zij de vragenlijst op verzoek (i.e. instructie) van de rechtbank aan de rechtbank hebben doen toekomen, zonder dat uit het verzoek van de rechter volgde dat die vragen ook aan de advocaat van verzoekers vooraf moesten worden toegestuurd.

De advocaat van verzoekers (van de wraking) heeft dan ook geen (concept)vragenlijst ontvangen, ondanks diverse verzoeken tot opheldering daarover. Pas op 27 oktober 2025 heeft de rechter hem over het bestaan van een vragenlijst bericht.

De wrakingskamer concludeert uit deze gang van zaken dat de advocaat van verzoekers dus tot 27 oktober 2025 onkundig is gebleven van het toezenden van vragen door de advocaten van [B.V.] aan de rechter. Niet gebleken is dat er verder enige ex-parte communicatie heeft plaatsgevonden tussen de rechter en [B.V.] , noch dat er, zoals gesteld door verzoekers, een beoordeling heeft plaatsgevonden van die vragenlijst. Maar het nalaten van het informeren van de advocaat van verzoekers dát een vragenlijst ontvangen was, waardoor deze niet in de gelegenheid is gesteld op dat feit te reageren, levert wel een schending op van het fundamentele uitgangspunt van hoor en wederhoor, zoals gewaarborgd in artikel 19 Rv.

Het argument van de rechter dat hij de door [B.V.] gestelde voorwaarde heeft opgevat als een mededeling ex 22 lid 2 Rv gaat in zoverre niet op dat hij vervolgens, gelet op de toelichting op lid 2 en de jurisprudentie die heeft geleid tot codificatie in lid 2, in samenhang gelezen met het bepaalde in lid 3, 5 en 6 van het artikel, in het kader van hoor en wederhoor verzoekers had moeten laten weten dat er ex-parte communicatie had plaatsgevonden waarbij de vragenlijst was toegezonden, dat daarbij verzocht was om deze niet te delen met verzoekers en dat hij voornemens was om een beslissing daarover te nemen. Pas na het vernemen en wegen van het standpunt van verzoekers daarover had hij een objectieve beslissing daarover kunnen nemen.

Nu hij dit heeft nagelaten en daarmee het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, is de vrees van verzoekers objectief gerechtvaardigd dat een onpartijdige beoordeling van hun beroep op een verschoningsrecht niet plaats zal vinden en dient het wrakingsverzoek te worden toegewezen.

Nu de wrakingskamer reeds op grond van de vastgestelde schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor van oordeel is dat het verzoek moet worden toegewezen, behoeven de overige gronden en andere door verzoekers aangevoerde schendingen van artikel 19 Rv geen bespreking.

5. De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. Y.J.C.A. Roeffen, bijgestaan door mr. A.P. Jansen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Buiten staat

Mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en mr. Y.J.C.A. Roeffen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?