RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/344265 / HA ZA 25-344
Vonnis in incident van 5 november 2025
in de zaak van
1. [eiser in de hoofdzaa, verweerder in het incident sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident sub 2],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] ,
advocaat: mr. R.M. Poublon,
tegen
1. [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] , mede handelend onder de naam [handelsnaam 1] en/of [handelsnaam 2] , B.V. en/of BBM Bouwplanning B.V.,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] ,
advocaat: mr. J.F.G. Godart,2. BBM BOUWPLANNING B.V.,
te Nuth, gemeente Beekdaelen,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: BBM,
advocaat: mr. S.L. Smits-Emons.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 27,- de conclusie van antwoord tevens houdend incidentele oproeping in vrijwaring met producties 1 t/m 17 aan de zijde van [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] ,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 11 aan de zijde van BBM
- incidentele conclusie van antwoord aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident]
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
Het geschil betreft de problemen die volgens [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] zijn ontstaan bij het realiseren van een aanbouw bij de woning van [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] Het is [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] , naar zij stellen, onduidelijk met welke van de gedaagde partijen zij een overeenkomst tot aanneming van werk hebben gesloten, om welke reden zij beiden hebben gedagvaard. [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] vorderen (samengevat) primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst is vernietigd dan wel de overeenkomst te vernietigen en zij vorderen gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 61.000,00 te vermeerderen met rente, beslagkosten en proceskosten alsmede nakosten.
in het incident
[gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] vordert in het incident toestemming om BBM in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] aan dat hij vanaf 1 januari 2021 werknemer in loondienst is bij BBM, zodat BBM in de onderlinge rechtsverhouding met [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] , als zijn werkgever, de aansprakelijkheid draagt voor [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] als haar ondergeschikte.
[eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] heeft geen bezwaar tegen het verzoek van [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] , mits de vrijwaring niet tot onevenredige vertraging van de hoofdzaak leidt.
3. De beoordeling in het incident
Gelet op de door [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] aangevoerde grond voor de oproeping in vrijwaring van BBM, valt naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet uit te sluiten dat [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] geheel of gedeeltelijk regres zal kunnen nemen op BBM. Dat is voor toewijzing van het verzoek voldoende. De vrijwaring zal leiden tot enige vertraging van het geding, maar die is niet onaanvaardbaar te achten.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat toe dat BBM door [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 3 december 2025,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 december 2025 voor opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode januari 2026 tot en met april 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.AH