RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11554838 \ CV EXPL 25-891
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijfsnaam],
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: J. de Vet.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de akte aanvullende producties van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 13 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft op 24 april 2024 een auto, een Volvo V60 met [kenteken] en bouwjaar 2014, gekocht van [gedaagde] voor € 12.500,00. Op de koopovereenkomst is vermeld: “Geen garantie. Zo al gezien bereden en akkoord bevonden” (productie 1 bij dagvaarding en bij conclusie van antwoord).
Op 24 mei 2024 heeft [eiser] de auto naar Volvo dealer [autobedrijf] te Maastricht gebracht voor onderhoud. Daar werd geconstateerd dat de turbo geen druk gaf bij hoge toeren. Verdere diagnose was noodzakelijk om vast te stellen of de turbo defect was (productie 2 bij dagvaarding en conclusie van antwoord).
Bij brief van 25 juni 2024 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk aangemaand het gebrek aan de turbo te herstellen. Op 2 juli 2024 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiser] medegedeeld:
“(…) Wij bieden u aan om nogmaals de auto naar onze vestiging te brengen, wij laten de turbo maken. Als blijkt dat het niet hieraan ligt en dat het probleem zich nog steeds voordoet, dan eisen wij de gemaakte kosten hiervan terug bij u. (…)”. (productie 10 bij dagvaarding). Na over en weer gevoerde correspondentie heeft [gedaagde] de turbo vervangen.
[eiser] heeft een deskundige, Expertise De Vries, ingeschakeld om de auto te laten onderzoeken. In het deskundigenrapport van 27 augustus 2024 wordt vermeld (productie 5 bij dagvaarding):
“(…) [bedrijfsnaam] heeft de turbo vervangen. Echter, ligt de oorzaak van de storing niet bij de turbo. De oorzaak is dat de elektrische vacuüm klep defect is. Deze vacuüm klep wordt door de motorcomputer aangestuurd maar doet niks met deze informatie waardoor de grote turbo geen turbodruk opbouwt. Wanneer deze klep wordt vervangen zal de auto onderin maar ook bovenin toeren vermogen hebben.
03-09-2024: [bedrijfsnaam] heeft ons gemaild met de mededeling dat de storing verholpen is na het vervangen van het door ons aangewezen onderdeel. (…)” .
Op 30 augustus 2024 heeft [gedaagde] een factuur aan [eiser] verzonden voor de kosten voor het vervangen van de turbo met uitzondering van de kosten voor het vervangen van de vacuüm klep ter hoogte van € 3.116,85. Zonder betaling van de factuur is [gedaagde] niet bereid de auto terug te geven.
Bij brief van 12 september 2024 heeft [eiser] medegedeeld dat hij de factuur niet zal betalen en bij e-mail van 15 november 2024 dat hij de koopovereenkomst ontbindt.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: voor recht verklaart dat de koopovereenkomst op 15 november 2024 is ontbonden en [gedaagde] veroordeelt om de koopsom ad € 12.500,00 aan [eiser] terug te betalen dan wel een evenredig deel daarvan als slechts partiële ontbinding kan worden vastgesteld,
Subsidiair: de koopovereenkomst ontbindt op grond van non-conformiteit dan wel vernietigt op grond van dwaling en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de koopsom ad € 12.500,00 aan [eiser] of een evenredig deel daarvan als de kantonrechter partieel ontbindt of vernietigt,
Meer subsidiair: [gedaagde] veroordeelt de auto op te (laten) halen, op straffe van een dwangsom en voor eigen rekening, en de gebreken kosteloos te herstellen alsook aan [eiser] kosteloos (gelijkwaardig) vervangend vervoer te verschaffen gedurende de herstelperiode,
Zowel primair en (meer) subsidiair:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 12.500,00 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.089,00 en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel de datum van dagvaarden tot de dag van algehele betaling,
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.233,41 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad € 405,29 en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel de datum van dagvaarden tot de dag van algehele betaling,
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies ad € 103,00 respectievelijk € 117,86 per maand, tot op heden in totaal € 1.766,88 + P.M., te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel de datum van dagvaarden tot de dag van algehele betaling,
IV. [gedaagde] veroordeelt de auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat [gedaagde] geen vrijwaringsbewijs verschaft, tot een maximum van € 20.000,00;
V. [gedaagde] veroordeelt in de (integrale) proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de auto non-conform is en dat hem als consument een beroep op artikel 7:21 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toekomt. Kort na de levering is gebleken dat de turbo niet functioneerde. Ook waren er nog een aantal kleine gebreken, waaronder storingsmeldingen, kale banden en een laag oliepeil. Nu [gedaagde] niet aan de verplichtingen uit artikel 7:21 lid 3 BW heeft voldaan, namelijk kosteloos herstel van de gebreken, heeft [eiser] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden ex artikel 7:23 BW. [gedaagde] dient de koopsom terug te betalen en de schade van [eiser] die hij hierdoor lijdt te vergoeden. Voor zover de buitengerechtelijke ontbinding geen stand houdt, vordert [eiser] dat de kantonrechter de koopovereenkomst ontbindt of vernietigt dan wel dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de gebreken, kort gezegd, kosteloos te herstellen.
[gedaagde] voert daartegen aan dat expliciet is overeengekomen dat er geen garantie wordt verleend. In ruil daarvoor heeft [eiser] een korting ontvangen op de koopsom. Er is volgens [gedaagde] geen reden tot ontbinding van de koopovereenkomst, omdat de auto al sinds 30 augustus 2024 gerepareerd is en opgehaald kan worden. [eiser] moet dan wel de factuur betalen die ziet op de kosten voor het vervangen van de turbo. Dit was namelijk niet nodig om het gebrek te verhelpen. De oorzaak van het gebrek is weggenomen, doordat [gedaagde] op advies van de door [eiser] ingeschakelde deskundige, Expertise De Vries, de vacuüm klep van de turbo heeft vervangen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Consumentenkoop
De vraag die eerst beantwoord moet worden is of de koop gekwalificeerd kan worden als consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 onder a BW. Als er namelijk sprake is van een consumentenkoop dan zijn ook de bepalingen ter bescherming van de belangen van consumenten bij koop van toepassing.
Om te kunnen spreken van een consumentenkoop moet het gaan om de koop van een roerende zaak, die is verkocht door een verkoper die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aan een koper, zijnde een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [eiser] beroept zich op de gevolgen van zijn stelling dat er sprake is van een consumentenkoop (met name dat hem als consument extra bescherming toekomt) en heeft daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van die stelling.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van een consumentenkoop heeft [eiser] aangevoerd dat hij geen eigen onderneming heeft, dat zijn partner een eigen bedrijf heeft en dat zijn partner de brief van 25 juni 2024 heeft geschreven, dat hij bij de koop niet heeft medegedeeld de auto zakelijk te willen gebruiken en dat de auto bedoeld is om met het gezin op vakantie te gaan. Ook heeft hij aangevoerd dat hij de kinderen brengt en haalt en dat hij ook zijn partner twee keer per week naar Rotterdam brengt en weer ophaalt omdat zij daar voor haar werk moet zijn.
[gedaagde] voert daartegen aan dat [eiser] ten tijde van de koop heeft aangegeven dat hij de auto zakelijk wil gebruiken, wat in de brief van 25 juni 2024 wordt bevestigd en blijkt uit de aanzienlijk gereden kilometers sinds de koop. De factuur is op naam van [eiser] in privé gesteld om belastingtechnische redenen.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een consumentenkoop. Er zijn onvoldoende omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] de auto heeft gekocht met het doel de auto zakelijk te gaan gebruiken. Zo heeft [eiser] onweersproken gesteld dat hij zelf geen eigen onderneming heeft. Niet in geschil is dat de factuur op naam van [eiser] in privé staat. Verder staat op de factuur vermeld “M Marge”. Hierover heeft de heer J.W.F. de Vet tijdens de mondelinge behandeling namens [gedaagde] verklaard dat dit ziet op de margeregeling wat betekent dat de auto inclusief btw in rekening wordt gebracht. Voor de aanzienlijk gereden kilometers sinds de koop heeft [eiser] een plausibele verklaring gegeven. Ook is niet gebleken dat de betaling van de koopsom door of namens een onderneming van [eiser] heeft plaatsgevonden. De enkele mededeling “ik zou niet zonder auto kunnen i.v.m. eigen bedrijf” in een brief van 25 juni 2024 (productie 4 bij conclusie van antwoord), waarvan [eiser] overigens stelt dat zijn partner die brief heeft geschreven, is op zichzelf onvoldoende om te spreken van een zakelijke koop. Daarmee is niet gezegd dat de auto voor zakelijke ritten wordt gebruikt. Een auto kan namelijk ook bij een eigen onderneming noodzakelijk zijn voor het woon-werk verkeer.
Uit het bovenstaande volgt dat sprake is van een consumentenkoop zoals bedoeld in artikel 7:5 lid 1 onder a BW. Dit betekent dat [eiser] een beroep kan doen op de bepalingen ter bescherming van de consument bij koop, waaronder artikel 7:18a lid 2 BW.
Non-conformiteit
[eiser] stelt dat het gebrek aan de turbo op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt vermoed ten tijde van de koop aanwezig te zijn geweest. Volgens [eiser] dient [gedaagde] dit binnen een redelijke termijn kosteloos te herstellen ex artikel 7:21 lid 1 tot en met 3 BW.
[gedaagde] voert eerst aan dat op de factuur expliciet is vermeld dat [eiser] geen garantie heeft, omdat hij in ruil daarvoor korting op de koopsom heeft bedongen.
Op grond van de wet heeft de koper recht op een deugdelijk product. Dat wil zeggen recht op een product dat functioneert conform de gewekte verwachtingen over dat product, het zogenaamde conformiteitsvereiste. Dit wordt ook wel de wettelijke garantie genoemd. [gedaagde] kan bij een consumentenkoop als professionele partij tegenover [eiser] als consument niet op voorhand de wettelijke verplichtingen uitsluiten (zie artikel 7:6 BW). Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen garantie op de auto heeft, gaat daarom niet op.
Buitengerechtelijke ontbinding
[gedaagde] is bereid om de auto terug te geven als [eiser] de factuur met betrekking tot de kosten van het vervangen van de turbo betaalt. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] slechts recht op kosteloos herstel van de vacuüm klep als de oorzaak van het gebrek. Bij e-mail van 2 juli 2024 is aan [eiser] ook al medegedeeld dat deze kosten in rekening zullen worden gebracht als later blijkt dat de turbo niet de oorzaak van het probleem is, aldus [gedaagde] .
In reactie hierop heeft [eiser] bij brief van 15 november 2024 medegedeeld de koopovereenkomst te ontbinden, omdat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst, namelijk kosteloos herstel van het gebrek.
De kantonrechter overweegt dat uit het deskundigenrapport van Expertise De Vries blijkt dat de defecte vacuüm klep de oorzaak van het verlies aan vermogen was en dat die klep al was vervangen lang voordat de ontbindingsverklaring werd verstuurd. [gedaagde] heeft verklaard dat de auto al op 30 augustus 2024 gerepareerd was en kon worden opgehaald mits de factuur zou worden betaald. Het feit dat [gedaagde] een factuur stuurt voor de kosten van vervanging van de turbo is een omstandigheid die naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf bezien geen ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Ontbinding van een overeenkomst is een rechtshandeling met vergaande gevolgen. De omstandigheid dat [gedaagde] de auto alleen wil meegeven zodra [eiser] de factuur betaalt, had ook op andere manieren opgelost kunnen worden. [eiser] had bijvoorbeeld ook afgifte kunnen vorderen van de auto.
Dit leidt tot de conclusie dat er geen verklaring voor recht kan worden gegeven dat de koopovereenkomst op 15 november 2024 is ontbonden. Dat betekent dat de primaire vordering van [eiser] niet toewijsbaar is.
Ontbinding of vernietiging van de overeenkomst
Het voorgaande betekent ook dat de kantonrechter de koopovereenkomst niet zal ontbinden. Zoals hiervoor overwogen rechtvaardigt het feit dat [gedaagde] een factuur stuurt geen ontbinding van de koopovereenkomst. De kantonrechter wijst daarom de subsidiaire vordering ten aanzien van de gevorderde ontbinding af.
Ten aanzien van de gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter in zijn geheel niets gesteld. Daarom wijst de kantonrechter ook deze vordering af.
Retentierecht
[gedaagde] wil de auto pas afgeven op het moment dat [eiser] de factuur betaalt. [gedaagde] stelt dat de diagnose van de Volvo dealer onjuist was, maar dat zij desondanks door druk die uitgeoefend werd door (de advocaat van) [eiser] de gehele turbo heeft vervangen, hetgeen niet nodig was zoals later bleek. Nu de turbo nodeloos is vervangen en zij [eiser] ook heeft gewaarschuwd deze kosten in dat geval door te berekenen, stelt [gedaagde] dat zij de afgifte van de auto kan opschorten zolang betaling uitblijft.
[eiser] voert aan dat hij recht heeft op kosteloos herstel en dat het niet aan hemzelf als consument is om onderzoek te doen naar het gebrek.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] zich beroept op het retentierecht zoals bedoeld in artikel 3:290 BW, waarbij hij de afgifte van de auto opschort totdat de vordering die hij op [eiser] stelt te hebben wordt voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] als professionele partij had gelegen om zelf onderzoek te doen naar het gebrek, bij uitstek in het geval dat zij meent dat de diagnose van een derde onjuist is. Het is niet aan de (consument)koper een gebrek te (laten) onderzoeken. De wet bepaalt dat de consument recht heeft op kosteloos herstel van het gebrek binnen een redelijke termijn (artikel 7:21 lid 1 tot en met 3 BW). Bovendien blijkt uit de diagnose van de Volvo dealer dat zij vermoeden dat de turbo defect is, maar dat nader onderzoek noodzakelijk is. Dat [gedaagde] besluit om op basis daarvan zonder zelf nader onderzoek te doen de gehele turbo te vervangen, komt dan voor haar rekening en risico. Dat er onvoldoende tijd was om onderzoek te verrichten, kan de kantonrechter niet volgen. De auto heeft sinds juni 2024 bij [gedaagde] gestaan. Dat [gedaagde] een beperkte bezetting had vanwege de vakantieperiode, maakt niet dat zij de kosten voor het vervangen van de turbo zonder zelf onderzoek te doen naar het gebrek kan afwentelen op [eiser] als de consument. De stelling van [gedaagde] dat de turbo onder dwang van (de advocaat van) [eiser] is vervangen, kan de kantonrechter niet volgen omdat de brief waar [gedaagde] kennelijk op doelt, voor zover er al sprake is van dwang, gestuurd is nadat de turbo was vervangen. Daarom gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij.
De kantonrechter concludeert dat [eiser] de factuur van [gedaagde] niet hoeft te betalen omdat hij recht heeft op kosteloos herstel. Dat betekent dat [gedaagde] ten onrechte een beroep doet op het retentierecht.
Kosteloos herstel
Aangezien de auto inmiddels kosteloos is gerepareerd doordat in deze procedure is vast komen te staan dat [eiser] de factuur niet hoeft te betalen en de auto sinds 30 augustus 2024 klaarstaat om te worden opgehaald, heeft [eiser] geen belang meer bij de vordering die ziet op veroordeling van [gedaagde] tot kosteloos herstel.
Datzelfde geldt voor de vordering die ziet op de veroordeling van [gedaagde] om de auto op te (laten) halen en voor vervangend vervoer te zorgen gedurende de herstelperiode op straffe van een dwangsom.
De kantonrechter wijst gelet op het bovenstaande ook de meer subsidiaire vordering af. Hoewel niet expliciet gevorderd, geeft de kantonrechter partijen mee om medewerking te verlenen aan afgifte van de auto aan [eiser] en kwijtschelding van de factuur van [gedaagde] .
Schadeposten
Voor de overige vorderingen van [eiser] betekent dit het volgende.
De vordering tot terugbetaling van de koopsom met rente wijst de kantonrechter af, aangezien de koopovereenkomst in stand blijft.
[eiser] vordert vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken om het gebrek te laten onderzoeken. Daartoe overlegt [eiser] een aantal werkplaatsfacturen van de Volvo dealer (productie 9 bij dagvaarding).
De kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW toewijsbaar. Dat geldt in ieder geval voor de werkplaatsfacturen van de Volvo dealer met betrekking tot:
“slotbouten verwijderen; Lockable wheel” van € 116,58,
“Storingscodes uitlezen / resetten met VIDA” van € 42,35,
“onderhoud en diagnose” voor de diagnosekosten van (afgerond) € 355,72 inclusief btw,
in totaal een bedrag van € 514,65.
De kosten voor het monteren van nieuwe rails voor de skibox en nieuwe autobanden houden geen verband met kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De kosten lijken verband te houden met de gevorderde ontbinding en deze vordering is afgewezen. De kantonrechter wijst daarom ook de vergoeding van deze kosten af.
De wettelijke rente over het bedrag van € 514,65 is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarden omdat niet gebleken is dat [gedaagde] tot betaling van deze kosten is aangemaand en in verzuim is en ook omdat van ontbinding van de koopovereenkomst geen sprake is.
Tevens vordert [eiser] vergoeding van de wegenbelasting en verzekeringspremies, in totaal in februari 2025 op het moment van dagvaarden € 1.766,88 + PM.
De kantonrechter overweegt dat, omdat [gedaagde] ten onrechte een beroep doet op het retentierecht, zij deze kosten moet vergoeden. Dat komt neer op een bedrag van (€ 1.766,88 + 5 x € 103,00 + 5 x € 117,86 =) € 2.871,18 per de datum van dit vonnis. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarden nu niet gebleken is dat [gedaagde] tot betaling van deze kosten is aangemaand en in verzuim is en omdat geen sprake is van ontbinding van de koopovereenkomst.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld de auto te vrijwaren op straffe van een dwangsom en een vrijwaringsbewijs te verschaffen.
Deze vordering wijst de kantonrechter af, omdat de koopovereenkomst in stand blijft. Daarom is het vrijwaren van de auto hier niet aan de orde.
[eiser] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn dan ook toewijsbaar over de som van het toegewezen bedrag. Dat komt neer op een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 463,58.
Proceskosten
[eiser] vordert vergoeding van de integrale proceskosten.
De kantonrechter overweegt dat plaats kan zijn voor integrale vergoeding van proceskosten in het geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het gevoerde verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering of gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).
Nog los van het feit dat enige onderbouwing door [eiser] waarom hij aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de integrale proceskosten ontbreekt, ziet de kantonrechter daar ook, rekening houdend met het voorgaande, geen aanleiding toe.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (en nakosten) betalen conform het liquidatietarief. Daarbij sluit de kantonrechter aan bij het tarief dat hoort bij de som die wordt toegewezen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punt × € 238,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
701,00
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 514,65 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.766,88 aan kosten wegenbelasting en verzekeringspremies, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 220,86 per maand aan kosten wegenbelasting en verzekeringspremies vanaf 24 februari 2025 tot en met de dag dat de auto met [kenteken] aan [eiser] is afgegeven,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 463,58 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 701,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
JC