RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/273072 / HA ZA 20-34
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
1. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ),
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,2. [eiser in conventie sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
eiser in conventie,3. [eiseres in conventie sub 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
eiseres in conventie,4. [eiser in conventie sub 4],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
advocaat: mr. J.R.G. Smulders,
tegen
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.D. Mers.
Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] , [eiser in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden genoemd. Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd.
1. De procedure
Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 februari 2022, aangevuld bij tussenvonnis van 6 april 2022,
- de akte van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , - de akte van [eisers] ,
- de akte van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tevens houdende een wijziging eis in reconventie,
- de antwoordakte van [eisers]
De mondelinge behandeling is voortgezet op 5 juli 2024. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De spreekaantekeningen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zijn aan het proces-verbaal gehecht. De passages die niet zijn voorgedragen zijn doorgestreept en maken geen deel uit van het procesdossier.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
Het tussenvonnis van 23 februari 2022
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en geoordeeld in het tussenvonnis van 23 februari 2022 (hierna: het tussenvonnis), behoudens voor zover hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen en geoordeeld. Bij dat tussenvonnis heeft de rechtbank partijen bevolen dan wel in de gelegenheid gesteld informatie in het geding te brengen over diverse onderwerpen. Daarnaast zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een aantal onderwerpen.
Partijen hebben ter voldoening aan het tussenvonnis akten genomen, bij gelegenheid waarvan aanvullende stukken in het geding zijn gebracht. Daarnaast hebben zij op elkaars akten geantwoord. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft bovendien bij akte van 20 juli 2022, zijn eis in reconventie gewijzigd. Na de aktenwisseling is, nadat aanvankelijk vonnis was bepaald, de mondelinge behandeling voortgezet. Dit is gebeurd vanwege het defungeren van de zaaksrechter. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten voor de opvolgend zaakrechter toe te lichten. Daarnaast hebben partijen vragen beantwoord. De rechtbank gaat hierna allereerst in op de eiswijziging van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Vervolgens zal de rechtbank tegen de achtergrond van het tussenvonnis en met inachtneming van hetgeen bij de daarna gewisselde akten en tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, beslissen over de nog openstaande geschilpunten.
Eiswijziging [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft bij akte van 20 juli 2022 zijn eis in reconventie gewijzigd. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft geen verweer gevoerd tegen de eiswijziging als zodanig. Gelet op de aard en inhoud van de oorspronkelijke vorderingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] enerzijds en de aard en inhoud van zijn vorderingen na eiswijziging anderzijds, ziet de rechtbank geen aanleiding om de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten als strijdig met een goede procesorde. De rechtbank staat daarom de eiswijziging van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toe.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vordert na wijziging van eis, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis openheid van zaken te geven en kopieën van alle bankafschriften te verstrekken met betrekking tot de bankrekening [rekeningnummer 1] bij de BBVA bank te Spanje, zulks vanaf datum openen van de bankrekening tot en met de datum van overlijden van moeder, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 500,-per dag dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in gebreke zou blijven om aan hieraan te voldoen en te bepalen dat de kosten van het opvragen (bij de BBVA bank) en het verstrekken (aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) van de genoemde informatie voor rekening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , subsidiair voor rekening van de nalatenschap komt/blijft, daaronder begrepen mogelijk noodzakelijk daarvoor te maken neven kosten (daaronder -en niet enkel daartoe beperkt- ook begrepen door banken, instanties -zoals het Spaanse kadaster en genoemde Spaanse notaris- in rekening te brengen kosten voor het verstrekken van informatie, de kosten van eventueel noodzakelijke professionele vertalingen van stukken voor de informatie aanvragen van de Nederlandse in de Spaanse taal, de kosten van noodzakelijke juridische bijstand in Spanje van een advocaat of notaris);
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen twee weken na betekening van het door de rechtbank te wijzen (eind)vonnis aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] volledige opgave te doen van de door haar meegenomen zaken uit de woning van moeder na haar overlijden;
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te bevelen om op eerste verzoek van de executeur en van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] alle benodigde medewerking te verlenen aan het opvragen van:
a. alle transacties/bankafschriften sedert datum overlijden vader ( [overlijdensdatum] 2008) op/van de bankrekeningen met de nummers:
[rekeningnummer 2] (ING),
[rekeningnummer 3] (ING),
[rekeningnummer 4] (ABN AMRO),
Fortis rekening ( [rekeningnummer 5] ), later de rekening met nummer [rekeningnummer 5] (ABN AMRO),
Spaarboekje ten name van de ouders van partijen bij Banesto bank,
[rekeningnummer 6] (CAIXA bank),
[rekeningnummer 7] (BANCO POPULAR),
[rekeningnummer 8] (BANCO POPULAR),
b. alsmede -voor zover het onder 1 gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen-:
[rekeningnummer 1] (BBVA bank),
de verkoopgegevens/koopovereenkomst/leveringsakte/koopprijs betreffende de verkoop van de woning aan [adres] in [plaats 1] Spanje door moeder in 2010,
gegevens betreffende (de reden voor) de aan Notaria [naam notariskantoor] in [vestigingsplaats 1] (Spanje) door moeder betaalde "successie" op 13 februari 2013,
gegevens betreffende de herkomst van het op 11 mei 2010 ontvangen bedrag ad € 249.880,- met kenmerk [kenmerk] ; van welke rekening van moeder dit bedrag komt en -mocht dit een nog onbekende rekening blijken- de transacties op die rekening vanaf de datum van overlijden van vader,
c. en te bepalen dat indien [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] die medewerking weigert of de executeur weigert de informatie op te vragen/te verstrekken, het vonnis voor die benodigde medewerking in de plaats treedt en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] -vervangend- is gemachtigd om vorenstaande informatie op te vragen bij de betreffende banken, instanties en personen,
d. en voorts te bepalen dat alle kosten aan het opvragen/verstrekken van de voormelde informatie (daaronder -en niet enkel daartoe beperkt- ook begrepen door banken, instanties -zoals het Spaanse kadaster en genoemde Spaanse notaris- in rekening te brengen kosten voor het verstrekken van informatie, de kosten van eventueel noodzakelijke professionele vertalingen van stukken voor de informatie aanvragen van de Nederlandse in de Spaanse taal, de kosten van noodzakelijke juridische bijstand in Spanje van een advocaat of notaris) voor rekening van de nalatenschap komen, direct -op factuur- door de nalatenschap -zij het bij wege van de executeur, zij het bij wege van een alsdan mogelijk al benoemde vereffenaar, zij het bij wege door partijen als vereffenaars te voldoen en in dat laatste geval, op straffe van verbeurte van een dwangsom (door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) ad € 500,- per dag dat zij er mee in gebreke zou blijven om haar medewerking aan de betaling van die kosten te verlenen;
4. te verklaren voor recht dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] haar aandeel in de volgende onderdelen van de nalatenschap van moeder heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW:
a. de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] meegenomen zaken uit de woning van moeder,
b. de juwelen van moeder in de kluis,
c. het saldo op de rekening met nummer [rekeningnummer 1] bij de BVBA-Bank,
d. haar schuld aan de nalatenschap, althans de B.V., ad € 225.000,- subsidiair het bedrag aan rente dat daar deel van uitmaakt,
e. al hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , na opvraging van de onder 3. genoemde gegevens, blijkt te hebben verzwegen, zoekgemaakt of verborgen gehouden;
5. in het geval de rechtbank de vorderingen in conventie niet mocht afwijzen, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis mee te werken aan de verdeling en een dwangvertegenwoordiger te benoemen die bij weigerachtigheid van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] alle vereiste rechtshandelingen voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zal verrichten;
6. met veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gewijzigde eis. De rechtbank komt hier nog op terug.
Voeging met de zaak met zaak- en rolnummer C/03/294855 HA ZA 21-392
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat deze zaak gevoegd moet worden op grond van artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) met de aanhangige zaak tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als eisende partij en [naam executeur] in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van moeder en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] als gedaagde partijen met zaak- en rolnummer C/03/294855 HA ZA 21-392. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt daartoe – samengevat – dat [naam executeur] geen procespartij is in deze procedure en niet meewerkt aan de (naar de rechtbank begrijpt: in deze procedure) aan hem opgedragen instructies waaronder die tot afgifte van goederen aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dan wel tot informatievoorziening aan de rechtbank. Zolang [naam executeur] nog executeur is, heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] belang bij voeging van de zaken zodat een veroordeling ook ten aanzien van [naam executeur] heeft te gelden, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] .
[eisers] verzetten zich tegen voeging.
Op grond van artikel 222 lid 1 Rv kan voeging worden gevorderd als voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of als voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Hoewel de zaken verknocht zijn, is voeging in dit geval niet meer mogelijk. Lid 2 van artikel 222 Rv verklaart lid 3 van artikel 220 Rv van overeenkomstige toepassing en daarin is bepaald dat gedaagde een vordering tot voeging moet instellen bij met redenen omklede conclusie vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde roldatum. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft dat niet gedaan. Pas voor het eerst ter gelegenheid van de derde mondelinge behandeling heeft hij, overigens zonder daartoe een incidentele vordering in te stellen, betoogd dat (alsnog) voeging moet plaatsvinden. Dat is veel te laat. Voor voeging is in dit stadium van de procedure geen plaats meer. Aangezien op dit punt geen vordering is ingesteld waarover in het dictum kan worden beslist, volstaat de rechtbank met dit oordeel in deze overweging.
In de zaak met zaak- en rolnummer C/03/294855 HA ZA 21-392 heeft de rechtbank bij vonnis in het incident ten aanzien van de hoofdzaak overwogen dat alle vorderingen aan de orde zullen komen en zullen worden beantwoord die ook door middel van vorderingen in de onderhavige zaak (hoofd)zaak aan de orde worden gesteld. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om ter bespoediging van de beslechting van de bestaande geschillen en ter besparing van kosten, de procedure met zaak- en rolnummer C/03/294855 HA ZA 21-392 te beëindigen en de relevante processtukken van deze zaak toe te voegen aan het dossier van de onderhavige zaak. Partijen hebben daarmee ingestemd, met dien verstande dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wel de kanttekening heeft gemaakt dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, zodat daarmee de in die zaak getroffen voorlopige voorziening van kracht blijft.
Bij rolbeslissing van 12 januari 2022 heeft de rechtbank de processtukken toegevoegd aan het procesdossier in deze zaak en heeft zij bepaald dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 5 oktober 2022 voor nadere uitlating voortprocederen door alle partijen gelijktijdig. Iedere verdere beslissing is aangehouden. De zaak staat op dit moment nog steeds op de parkeerrol. Zodra in deze zaak eindigend op zaaknummer 072 eindvonnis is gewezen, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of in de zaak eindigend op zaaknummer 855, voort moet worden geprocedeerd.
Ontvankelijkheid legatarissen
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 opnieuw de ontvankelijkheid van de legatarissen, [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] , in de ingestelde vorderingen ter discussie gesteld. Daartoe stelt hij dat de legatarissen niet bevoegd zijn een vordering tot verdeling in te stellen, omdat zij slechts schuldeisers waren van de nalatenschap en geen deelgenoten van de nalatenschap zijn. Zij hadden destijds een vorderingsrecht op de executeur, die geen partij is in deze procedure. Bovendien zijn de legaten al uitgekeerd. De rechtbank had [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]
[eisers] zijn van mening dat geen aanleiding bestaat om terug te komen op de door de rechtbank genomen beslissing.
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de rechtbank te nemen beslissingen de positie van [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] rechtstreeks raken, zodat geen reden bestaat om hen, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bepleit, niet-ontvankelijk te verklaren in (in elk geval) de vorderingen onder II en III. Daar doet, zo heeft de rechtbank geoordeeld, niet aan af dat de vorderingen naar de letter genomen vorderingen tot en in verband met de verdeling van de nalatenschap zijn. Daarbij is van belang dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf stelt dat de omvang van de nalatenschap verhindert dat aan de drie legatarissen het volledige bedrag van het legaat kan worden uitgekeerd waardoor beslissingen over andere aspecten van de verdeling (mogelijk) van invloed zijn op de positie van de legatarissen. Evenmin is van belang dat de legaten al zijn uitbetaald. Indien een te hoog bedrag aan legaten is uitgekeerd, kan dat ertoe leiden dat (deels) onverschuldigd is betaald, waarmee in het kader van de verdeling van de nalatenschap rekening kan worden gehouden (zie r.o. 4.9 van het tussenvonnis).
De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich hierover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad, 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224).
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft geen (nieuwe) feiten of omstandigheden heeft aangedragen die nopen tot het oordeel dat de beslissing van de rechtbank dat [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] als legatarissen ontvankelijk zijn op een onjuiste feitelijke grondslag berust. Op basis hiervan kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de beslissing berust op een onjuiste feitelijke grondslag.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft wel gelijk dat de beslissing van de rechtbank om [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] “in ieder geval” (mogelijk heeft de rechtbank het oordeel over vordering I hiermee uitgesteld, zo begrijpt de rechtbank) in de onder II en III van het petitum van de inleidende dagvaarding te ontvangen, berust op een onjuiste juridische grondslag. In artikel 3:180 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot heeft, verdeling van de gemeenschap kan vorderen, maar niet verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering. [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] waren schuldeisers van de nalatenschap, maar aan de verdelingsvordering ligt niet ten grondslag dat zij een opeisbare vordering hebben op een deelgenoot. Gelet hierop zal de rechtbank hen bij eindvonnis alsnog niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen. Voor de vordering onder I geldt dat deze, voor zover het tussenvonnis zo zou moeten worden begrepen dat het oordeel over de vordering onder I voor zover ingesteld door [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] , is uitgesteld, bij eindvonnis wordt afgewezen. Aangezien zij geen erfgenaam zijn, valt niet in te zien welk belang [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] hebben bij de door hen gevorderde verklaring voor recht.
Gelet op het voorgaande wordt teruggekomen op de bindende eindbeslissing in r.o. 4.9. van het tussenvonnis. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] behaalt hiermee overigens een pyrrusoverwinning. Immers in materiële zin is het onderscheid tussen niet-ontvankelijkverklaring van [eiser in conventie sub 2] , [eiseres in conventie sub 3] en [eiser in conventie sub 4] , dan wel afwijzing van de vorderingen voor zover door hen ingesteld, te verwaarlozen.
Juridisch kader
De geschilpunten over en weer zullen worden beoordeeld aan de hand van het volgende juridisch kader.
Tot de verdeling van de nalatenschap behoren de vermogensbestanddelen waarvan vaststaat dat deze op de peildatum, de datum van overlijden van erflater, aanwezig zijn. De partij die zich erop beroept dat een bepaald vermogensbestanddeel moet worden betrokken in de verdeling dient te stellen en, indien dat door de andere partij wordt betwist, te bewijzen dat het vermogensbestanddeel op de peildatum onderdeel uitmaakt van de nalatenschap. Als dit niet kan worden vastgesteld, kan het betreffende vermogensbestanddeel ook niet in de verdeling worden betrokken.
Ook ter zake een vordering ex artikel 3:194 lid 2 BW, waarbij een deelgenoot zijn aandeel in een tot de nalatenschap behorend goed verbeurt als hij opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, geldt dat vast moet komen te staan dat het goed op de peildatum onderdeel uitmaakt van de nalatenschap. De partij die zich op het rechtsgevolg van dit artikel beroept, dient dit te stellen en, bij betwisting, te bewijzen. Vervolgens dient ook te worden vastgesteld dat sprake is van verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Die stelplicht en, bij betwisting, bewijslast rust op de partij die zich op het rechtsgevolg van artikel 3:194 lid 2 BW beroept.
Positie executeur
Uitgangspunt van artikel 4:145 BW is dat de executele moet zijn voltooid alvorens de nalatenschap te verdelen. De ratio van dit artikel is dat het beschikken door de erfgenamen over de goederen van de nalatenschap tot gevolg heeft dat deze goederen niet meer onder het beheer van de executeur vallen, waardoor de executeur deze niet meer te gelde kan maken ter voldoening van de schulden van de nalatenschap. Gelet hierop en op het feit dat bij tussenvonnis (r.o. 2.7.) is vastgesteld dat [naam executeur] tot op dat moment in functie was, hecht de rechtbank eraan om over de positie van [naam executeur] in relatie tot de ontvankelijk van de verdelingsvordering nog het volgende op te merken. Bij tussenvonnis (r.o. 2.16. en r.o. 4.10) is vastgesteld dat de nalatenschap per 31 maart 2021 aan schulden nog bevat een schuld aan de belastingdienst van ruim € 65.000,- ter zake successiebelasting en een “pm post” ter zake de schuld aan [naam executeur] uit hoofde van zijn werkzaamheden als executeur. Daarnaast resteert enkel nog de schuld aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit hoofde van hun vordering ter zake hun erfdeel in de nalatenschap van vader. Deze is onderwerp van deze procedure. De overige schulden van de nalatenschap, waaronder de legaten, zijn door [naam executeur] voldaan. Ten slotte geldt dat de rechtbank bij tussenvonnis heeft vastgesteld dat het saldo van de nalatenschap positief is (r.o. 2.9.). Gelet hierop en op het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:939) staat de omstandigheid dat de executele nog niet (volledig) is voltooid, niet aan verdeling in de weg. Het feit dat, zoals hierna zal blijken, ook nog moet worden geoordeeld over de vraag of [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit hoofde van een voorkeursrecht een vordering heeft op de nalatenschap, maakt dit in dit specifieke geval niet anders. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de koers die bij tussenvonnis is ingezet, op de duur van deze procedure en op de ook ambtshalve door de rechtbank in acht te nemen taak om (nog verdere) onredelijke vertraging te voorkomen.
Sieraden en inboedel
De rechtbank heeft bij tussenvonnis (r.o. 4.6.) vastgesteld dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 30 september 2021 eens zijn geworden over de verdeling van de sieraden en de inboedel van moeder. Behoudens enkele beeldjes die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] uit de woning heeft meegenomen, die aan haar zijn toebedeeld, zijn de overige inboedel en de sieraden aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toegedeeld. Daarbij hebben [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over en weer geen aanspraak gemaakt op enige vergoeding uit hoofde van onderbedeling. De rechtbank heeft klaarblijkelijk aangenomen dat die afspraak met instemming van [naam executeur] is gemaakt (vgl. artikel 4:145 BW). Dat is ook voorstelbaar, omdat geen aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat [naam executeur] deze zaken te gelde wil maken dan wel dient te maken om de resterende schulden van de nalatenschap te voldoen.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 is gebleken dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] desondanks nog niet over de aan hem toegedeelde sieraden en inboedel beschikt. [naam executeur] is kennelijk van mening dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] eerst een vaststellingsovereenkomst moeten ondertekenen alvorens hij kan overgaan tot afgifte van de aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toegedeelde inboedel en sieraden. Dat is niet nodig. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hebben een verdelingsafspraak gemaakt en [naam executeur] , wiens instemming met deze afspraak is aangenomen, dient medewerking te verlenen aan de uitvoering daarvan. Zowel de sieraden als de inboedel dienen aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op diens eerste verzoek te worden afgegeven. [naam executeur] dient alles te doen wat nodig is om die afgifte te bewerkstelligen.
De rechtbank blijft bij hetgeen onder r.o. 4.6. van het tussenvonnis is geoordeeld over de gevolgen van de verdelingsafspraak voor de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in reconventie onder 2. en 4. a en b en bij hetgeen onder r.o. 4.11. van het tussenvonnis is beslist over de verdelingsvordering in conventie voor zover deze ziet op deze vermogensbestanddelen.
Verder heeft de rechtbank bij tussenvonnis (r.o. 4.11.) vastgesteld dat de tot de inboedel behorende zaken (met uitzondering van de beeldjes die al eerder door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] uit de woning zijn meegenomen) zich ten tijde van de mondelinge behandeling op 30 september 2021 bij derden bevonden, namelijk bij een opslagbedrijf te Heerlen en bij [naam executeur] . Blijkens het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is vastgesteld dat het gelet op de toedeling van de inboedel aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op die datum, voor de hand ligt dat hij vanaf dat moment eventuele in verband met de inboedelzaken te maken kosten voor zijn rekening neemt. Tijdens de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 hebben partijen over die kosten gedebatteerd. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de container waar de inboedel is opgeslagen te bekijken. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betoogt daarentegen dat hij geen toegang heeft gekregen tot de opslag.
Zoals de rechtbank partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft voorgehouden, is geen vordering ingesteld in verband met deze kosten. De rechtbank kan dan ook geen beslissing hierover nemen. De tijdens de mondelinge behandeling op 30 september 2021 hierover gemaakte afspraak dient tot uitgangspunt voor de afwikkeling die op dit punt nog moet plaatsvinden. Daarbij plaatst de rechtbank de kanttekening dat het gelet op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als deelgenoten beheerst, zeer de vraag is of onverkort vast kan worden gehouden aan deze afspraak, àls [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zou kunnen aantonen dat hij [naam executeur] om afgifte van de inboedel heeft gevraagd, maar deze dat heeft geweigerd. Hoe dan ook, deze kwestie dienen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in overleg, met behulp van hun advocaten, op te lossen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit hen lukt, zeker als zij in gedachte houden dat het in ieders belang is dat op de kortst mogelijke termijn een einde komt aan de langlopende juridische strijd waarin zij zich al jaren bevinden. Dat einde kan alleen worden bewerkstelligd door de nalatenschap zo voortvarend mogelijk af te wikkelen.
Taxatie inboedel en sieraden?
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat de waarde van de inboedel en de sieraden niet is betrokken bij het vaststellen van de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en hem op de nalatenschap uit hoofde van hun erfdeel in de nalatenschap van vader en dat dit wel had gemoeten. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat [naam executeur] de inboedel en de sieraden moet (laten) taxeren dan wel dat de erfgenamen de sieraden alsnog dienen te taxeren. Volgens hem heeft dat tot gevolg dat zal blijken dat de erfdelen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en hem hoger zijn dan tot nu toe is aangenomen.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] c.s. verzet zich daartegen. Volgens haar kan het niet zo zijn dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] telkens op zaken terugkomt. Dit klemt te meer nu alle sieraden aan hem zijn toegedeeld, zonder dat hij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] uit hoofde van overbedeling ter zake iets dient te vergoeden.
De rechtbank stelt vast dat dit een nieuwe stelling is van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Blijkens het tussenvonnis (r.o. 4.47.) waren [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] het erover eens dat de “vadersdelen” na aftrek van successierechten € 308.730,- per persoon bedroegen en bestond alleen (nog) discussie over de exacte hoogte van hun hieruit voortvloeiende vorderingen op de nalatenschap van moeder in het kader van de berekening van de door de nalatenschap verschuldigde rente.
De rechtbank begrijpt het betoog van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zo, dat zij vindt dat de eisen van de goede procesorde zich ertegen verzetten dat in dit stadium van de procedure de waarde van vaders erfdeel nog ter discussie wordt gesteld. De rechtbank volgt haar hierin. Het is veel te laat en daarmee in strijd met de eisen van een goede procesorde om nu pas, terwijl deze procedure al jaren aanhangig is en nadat al een tussenvonnis is gewezen en opnieuw vonnis was bepaald, pas voor het eerst ter gelegenheid van de derde mondelinge behandeling in deze procedure de omvang van ieders erfdeel in relatie tot de waarde van de sieraden ter discussie te stellen. Dit geldt ook voor de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ingenomen stelling over de waarde van het spaarboekje bij Banesto bank, waarover hierna meer. De rechtbank gaat daar niet in mee en blijft bij hetgeen in r.o. 4.47. van het tussenvonnis is beslist over de waarde van de “vadersdelen” in hoofdsom. De rechtbank gaat hierna wel nog in op hetgeen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij akte van 20 juli 2022 heeft gesteld over de geldsom van € 219.504,- in relatie tot de waarde van de “vadersdelen.”
De bankrekeningen en financiële omstandigheden
Niet in geschil is dat de saldi op de bankrekeningen die op de peildatum onderdeel uitmaken van de nalatenschap van moeder in de verdeling moeten worden betrokken.
Zoals bij tussenvonnis is vastgesteld, staan op de meest recente vermogensopstelling van [naam executeur] van 31 maart 2021 zes bankrekeningen bij de Rabobank of de ABN-AMRO Bank vermeld met een positief saldo van in totaal (ruim) € 417.000,-. Tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is niet in geschil dat deze bankrekeningen bij de verdeling moeten worden betrokken. Dat zal de rechtbank dus ook doen. Bij eindvonnis zal de rechtbank de saldi op deze bankrekeningen toedelen aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] onder de verplichting om de helft van de waarde aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te voldoen.
Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stonden naast de op de vermogensopstelling genoemde bankrekeningen nog een aantal andere Nederlandse bankrekeningen, Spaanse bankrekeningen en een Spaans spaarbankboekje op naam van moeder die niet in de vermogensopstelling zijn opgenomen. Daarnaast zijn er volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] opmerkelijke, financiële omstandigheden ten aanzien van de woning in Spanje, de betaalde successierechten aan een notaris in Spanje en de herkomst van een bedrag van een bankrekening met kenmerk [kenmerk] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft gevorderd [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te bevelen medewerking te verlenen aan het opvragen van afschriften en/of informatie over deze zaken op grond van artikel 3:15j BW, artikel 162 Rv en artikel 843a BW.
Bij tussenvonnis (r.o. 4.18.) heeft de rechtbank geoordeeld dat het alleen al gelet op het bepaalde in artikel 22 Rv op de weg van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ligt om in verband met de gezamenlijke bankrekening bij BBVA Bank in Spanje eindigend op 163 meer duidelijkheid te verschaffen en dat van haar kan worden verlangd dat zij alle bankafschriften in het geding brengt in de periode van ten minste één jaar voorafgaand aan én volgend op het overlijden van moeder. Daarnaast heeft zij geoordeeld (r.o. 4.25.) dat het in eerste instantie op de weg van [naam executeur] ligt om informatie te verschaffen over de bankrekeningen bij ING eindigend op rekeningnummer [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] en de bankrekeningen bij Fortis ABN-AMRO eindigend op [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 9] , de bankrekening bij Caixa Bank eindigend op [rekeningnummer 6] , de bankrekeningen bij Banco Popular eindigend op [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] , een spaarboekje bij Banesto Bank en over de (eventuele) financiële gebeurtenissen, zoals genoemd in r.o. 4.22. van het tussenvonnis, dit alles steeds in relatie tot de nalatenschap van moeder.
De rechtbank zal de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] genoemde bankrekeningen en omstandigheden hierna afzonderlijk en in het licht van de inlichtingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [naam executeur] en hetgeen daarover verder nog is aangevoerd beoordelen.
1. De bankrekening op naam van moeder en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in Spanje
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft ondanks het daartoe gegeven bevel geen bankafschriften van de gezamenlijke bankrekening eindigend op nummers [rekeningnummer 1] bij BBVA Bank overgelegd. Bij akte na tussenvonnis van 25 mei 2022 voert zij aan dat [eiser in conventie sub 4] namens haar een e-mail heeft gestuurd aan de BBVA bank om de bankafschriften op te vragen (productie 6 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ), maar dat de bank de bankrekening wegens het uitblijven van enig saldo heeft gedeactiveerd. Tijdens de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 heeft zij verklaard dat zij met [eiser in conventie sub 4] naar de bank is gegaan, maar dat zij geen schriftelijke stukken of informatie van de bank aangaande deze bankrekening heeft kunnen krijgen.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft het relaas van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] over deze bankrekening en haar poging om van de bank informatie hierover te verkrijgen gemotiveerd betwist. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft hij onder verwijzing naar een e-mailbericht dat zijn advocaat naar de bank heeft gestuurd, daaraan toegevoegd dat de bank wel degelijk bereid is om informatie te verschaffen. Ook betwist [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat op de bankrekening geen saldo heeft gestaan. Als iedere informatie omtrent (het saldo op de peildatum op) de bankrekening uitblijft, dan stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat op de peildatum op deze bankrekening het bedrag van € 219.504,- heeft gestaan dat in de periode tussen 5 januari 2010 en 27 februari 2015 op een bankrekening van Fortis / ABN AMRO Bank aanwezig was maar op onverklaarbare wijze is verdwenen. Dit bedrag behoort volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] volledig tot de nalatenschap van moeder.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet aan het bevel om alle bankafschriften vanaf één jaar vóór tot één jaar ná het overlijden van moeder in het geding te brengen. Zij heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , waarbij de rechtbank in het bijzonder acht slaat op het feit dat niet in geschil is dat de bank naar aanleiding van een daartoe strekkend bericht van (de advocaat van) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft laten weten bereid te zijn informatie te verschaffen, mits een verklaring van erfrecht of een verklaring van executele wordt verstrekt, onvoldoende onderbouwd dat de BBVA Bank haar de bankafschriften niet wilde verstrekken. Het aanbod tijdens de mondelinge behandeling om de betreffende informatie alsnog op te vragen is veel te laat gedaan. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] had dat eerder kunnen en moeten doen.
De rechtbank zal nu daarom op basis van de beschikbare informatie een beslissing nemen over de wijze waarop het eventuele saldo op deze bankrekening in de verdeling moet worden betrokken. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Bij gebrek aan andere informatie gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over het op de peildatum, de datum van overlijden van moeder, aanwezige saldo op de gezamenlijke bankrekening. Dat saldo bedroeg volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] € 219.504,- en behoorde volgens hem geheel aan moeder toe, omdat het, zo begrijpt de rechtbank [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , afkomstig is van de verkoop van de woning in Spanje. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft de juistheid van deze stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zij heeft immers niet de opheldering gegeven die ze had moeten geven. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op dit punt. Dit bedrag dient in de verdeling te worden betrokken. In beginsel hebben [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ieder recht op de helft van dit bedrag.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vordert echter een verklaring voor recht dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in het saldo op deze gezamenlijke bankrekening heeft verbeurd.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verzet zich daartegen.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op artikel 3:194 lid 2 BW slaagt, zodat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] haar aandeel in het saldo op deze bankrekening heeft verbeurd. Al bij tussenvonnis (r.o. 4.15. en r.o. 4.17.) heeft de rechtbank geconstateerd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] geen melding heeft gemaakt van het bestaan van deze bankrekening en dat zij in reactie op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] daarover betoogt dat zij niet met “die Spaanse bankrekening” van doen heeft gehad. Dat laatste blijkt niet juist te zijn geweest. Voor het overige heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] destijds niet inhoudelijk gereageerd op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over de gezamenlijke bankrekening, reden waarom de rechtbank heeft geoordeeld dat reactie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] op stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over deze bankrekening in allerlei opzichten tekortschiet. Bovendien is dit niet te rijmen met de bij akte van 25 mei 2022 ingenomen stelling dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] nooit geheimzinnig heeft gedaan over de opening van deze gezamenlijke bankrekening en het doel daarvan. Vaststaat verder dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in weerwil van het bevel van de rechtbank vervolgens geen opheldering heeft gegeven over het verloop van het saldo op de bankrekening in de periode vanaf één jaar voor tot één jaar na het overlijden van moeder door alle bankafschriften over deze periode in het geding te brengen. Dit terwijl zij als mederekeninghouder bij uitstek deze informatie althans berichten hierover van de bank had kunnen, en op de voet van artikel 22 Rv had moeten, overleggen. Aan de stelling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat zij de informatie heeft opgevraagd, maar niet heeft verkregen, gaat de rechtbank voorbij. Het daarvoor door haar in het geding gebrachte e-mailbericht dat zij naar eigen zeggen naar de bank heeft gezonden is daarvoor volstrekt ontoereikend. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de bank immers wel gereageerd op het verzoek om informatie van (de advocaat van) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] naar de bank is gegaan en dat aan haar is medegedeeld dat de bankrekening is gedeactiveerd vanwege het uitblijven van enige activiteit en dat de bank niet bereid was om stukken (hierover) te verstrekken, is door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gemotiveerd betwist en blijkt verder nergens uit. Het had op de weg van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] gelegen om een verklaring hieromtrent van de bank in het geding te brengen. Overigens is, zo de bankrekening al zou zijn opgeheven, niet duidelijk geworden wanneer dat dan is gebeurd. Daarmee is dus niets gezegd over het al dan niet aanwezig zijn van een saldo op de peildatum en over het verloop van het saldo in de periode van één jaar voor en één jaar na overlijden. Tevens is ook niet gesteld of gebleken dat die beweerde opheffing meebrengt dat geen bankafschriften meer beschikbaar zijn over de periode vóór opheffing. Verder geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de bankrekening voor aanvang van de relevante periode al was opgeheven.
Bij dit alles komt ook nog dat het voor het eerst bij akte na tussenvonnis ingenomen standpunt dat nooit enig bedrag op de bankrekening heeft gestaan, niet te rijmen is met haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling op 11 november 2020. Tijdens die mondelinge behandeling heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] namelijk verklaard dat ten tijde van het overlijden van moeder niets meer op de bankrekening stond. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 heeft de rechtbank dit aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] voorgehouden. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft vervolgens verklaard dat zij haar standpunt tijdens de vorige mondelinge behandeling misschien anders heeft geformuleerd. Het is echter een wezenlijk verschil of ten tijde van het overlijden van moeder niets meer op de bankrekening stond of dat nooit een saldo op deze bankrekening heeft gestaan. Daarom komt het de rechtbank niet aannemelijk voor dat het hier uitsluitend om een andere formulering van hetzelfde standpunt gaat.
Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niets anders concluderen dan dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] opzettelijk het saldo op de bankrekening bij BBVA Bank eindigend op 163 op de peildatum verzwijgt of verborgen houdt. Dit brengt mee dat dit saldo, waarvan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat het op de peildatum € 219.504,- bedroeg en volledig aan moeder toebehoorde, bij eindvonnis aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal worden toegedeeld.
Wat dan resteert is de vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te veroordelen om op het eerste verzoek van [naam executeur] of hemzelf alle medewerking te verlenen bij het opvragen van de transacties en/of bankafschriften van (onder andere) deze bankrekening en van de overige gegevens geformuleerd in zijn akte van 20 juli 2022, vanaf de datum van overlijden van vader, [overlijdensdatum] 2008 (hierna: de vordering die strekt tot verkrijging van informatie). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt de bankafschriften en de overige gegevens nodig te hebben om na te gaan of er schenkingen zijn geweest waarvoor, in afwijking van het in het testament van moeder opgenomen uitgangspunt, een inbrengplicht geldt. Ook stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat uit die bankafschriften kan blijken of inderdaad een miljoen is onttrokken aan het vermogen van moeder in de periode tussen het overlijden van vader en de onderbewindstelling van moeder.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] voert verweer. Volgens haar heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tot op heden geen actie ondernomen om de betreffende informatie zelf te verkrijgen. Daarnaast is volgens haar sprake van een ‘fishing expedition’.
De vordering is hoe dan ook niet toewijsbaar voor zover deze ertoe strekt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] wordt bevolen op het eerste verzoek van [naam executeur] medewerking te verlenen aan het opvragen van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] genoemde informatie. [naam executeur] is immers geen partij in deze procedure. Voor zover de vordering ertoe strekt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] wordt bevolen om op het eerste verzoek van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] medewerking hieraan te verlenen, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 aan de orde is gekomen of [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] al “jaren geleden” een machtiging heeft verstrekt waarmee hij de door hem gewenste informatie kan opvragen. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] is dat het geval en haar toenmalige advocaat, die als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig was en op dit punt als informant is gehoord, heeft dat bevestigd. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft dat niet althans niet met zoveel woorden betwist. Het enkele feit dat die machtiging zich niet in het dossier van zijn huidige advocaat bevindt, is gelet op de mededeling van de toenmalige advocaat van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , in ieder geval onvoldoende om aan te nemen dat deze niet is verstrekt. De rechtbank gaat dus ervan uit dat die machtiging is verstrekt.
Tijdens die mondelinge behandeling is ook gebleken, want [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft dat zelf verklaard, dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tot dan toe geen poging heeft gedaan om de door hem gewenste informatie te verkrijgen. Hij heeft in dat verband betoogd dat hij hiervoor toestemming van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] nodig heeft. Voor zover hij hiermee heeft willen betogen dat de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verstrekte machtiging niet toereikend is, slaagt dat betoog niet. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft namelijk ook verklaard dat hij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet om de volgens hem (al dan niet in aanvulling op de verstrekte machtiging) benodigde toestemming heeft verzocht. Daarmee staat vast dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , hoewel hij als erfgenaam recht heeft op alle informatie aangaande de omvang en samenstelling van de nalatenschap, geen gebruik daarvan heeft gemaakt. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wijst in dit kader uitsluitend naar [naam executeur] . Het lijkt erop dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] miskent dat de inlichtingenplicht van de executeur die is neergelegd in artikel 4:148 BW inhoudt dat deze alle door een erfgenaam gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven en dat deze inlichtingenplicht ziet op de periode tijdens het beheer (zie het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4161, en de conclusie bij dat arrest). Het is niet aan de executeur om de administratie van een erflater tot vele jaren voor diens overlijden door te lichten teneinde allerlei door een erfgenaam opgeworpen vragen over het financiële reilen en zeilen van erflater bij leven, ter beantwoording waarvan de erfgenaam ook zelf onderzoek kan (doen) verrichten, te beantwoorden.
Aangezien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] telkens spreekt over “het verdwenen miljoen”, had het de afgelopen jaren op zijn weg gelegen om de door hem gewenste informatie te (proberen te) verkrijgen. Dit klemt te meer nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vindt dat de informatie die hij van de executeur verkrijgt niet toereikend is en hij bovendien als erfgenaam recht heeft op informatie aangaande de omvang en samenstelling van de nalatenschap. Vervolgens had [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] desgewenst zijn stellingen kunnen substantiëren en had hij eventueel vorderingen in kunnen stellen in verband hiermee. Dit heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] allemaal niet gedaan. Die keuze komt voor zijn rekening en risico. In ieder geval kan op basis van de in relatie tot “het verdwenen miljoen” ingenomen stellingen nu niet worden geconcludeerd dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Zoals gezegd zou dit anders kunnen zijn geweest in het geval [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] pogingen zou hebben ondernomen om die informatie te krijgen, maar deze ondanks de machtiging van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet wordt verstrekt en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en / of [naam executeur] vervolgens zouden hebben geweigerd medewerking te verlenen aan het opvragen van informatie door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Dat is echter niet aan de orde.
Hoewel het juist is dat uit de bankafschriften mogelijk kan blijken of naast de bekende schenkingen nog andere schenkingen zijn gedaan waarvoor een inbrengplicht geldt, bestaat (behoudens hetgeen hierna wordt geoordeeld over de betaling aan de Spaanse notaris) geen enkele aanwijzing voor het bestaan van andere schenkingen (nog los van de vraag of daarop in afwijking van het testament van moeder een inbrengplicht rust). Ook hier geldt dat het op de weg van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] had gelegen om stappen te zetten om zijn stellingen op dit punt te kunnen concretiseren. Dit heeft hij niet gedaan. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] belang heeft bij toewijzing van de informatievordering voor zover deze ziet op de bankrekening bij BBVA bank. Dit onderdeel van de vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
2. De twee bankrekeningen bij ING bank
Bij brief van 13 april 2022 (productie 8 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en productie 29 bij akte na tussenvonnis van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) heeft [naam executeur] gereageerd op het verzoek om informatie zoals hiervoor vermeld.
Uit de toelichting van [naam executeur] , waar [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich achter schaart, volgt dat hij de goedgekeurde rekening en verantwoording van de bewindvoerder van moeder als uitgangspunt heeft genomen, waarin is vermeld dat de rekeningen met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] in februari 2018, dus vóór het overlijden van moeder, door de bewindvoerder zijn opgeheven (bijlage 2A bij de toelichting van [naam executeur] ). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat deze bankrekeningen voor het overlijden van moeder zijn opgeheven. Hierover bestaat dus geen discussie meer en deze bankrekeningen zullen niet in de verdeling worden betrokken.
Wat dan resteert is de vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] die strekt tot verkrijging van de bankafschriften van deze bankrekeningen vanaf de datum van overlijden van vader, [overlijdensdatum] 2008. Aan deze vordering liggen de hiervoor al ten aanzien van de bankrekening bij BBVA bank besproken stellingen ten grondslag. Meer of andere stellingen zijn in relatie tot deze bankrekeningen niet ingenomen. De rechtbank zal ook dit onderdeel van de vordering bij eindvonnis afwijzen, op basis van dezelfde overwegingen als hiervoor ten aanzien van de bankrekening bij BBVA Bank opgenomen.
3. De twee bankrekeningen bij Fortis / ABN Amro bank
[naam executeur] heeft toegelicht dat de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] de leefgeldrekening was, waarop volgens de rekening en verantwoording van de bewindvoerder op de peildatum geen saldo stond (bijlage 2A van [naam executeur] ). Volgens [naam executeur] komt de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 5] niet in de stukken van de bewindvoerder voor, zodat hij aanneemt dat deze rekening niet (meer) bestond op de peildatum.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat misschien nog geld op de leefgeldrekening heeft gestaan.
De rechtbank volgt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierin niet. De rekening en verantwoording van de bewindvoerder, die is goedgekeurd door de rechtbank, ziet op de periode tot aan het overlijden van moeder. Dat betekent dat ervan uit kan worden gegaan dat op de peildatum geen saldo meer aanwezig was, nu dit als zodanig in de rekening en verantwoording is opgenomen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan de rekening en verantwoording op dit punt niet juist zou zijn. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien op grond waarvan de bewindvoerder in de rekening en verantwoording zou opnemen dat het saldo op de leefgeldrekening op de peildatum € 0,- was, terwijl dat niet zo is. Nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aldus onvoldoende heeft onderbouwd dat op de peildatum nog een saldo op deze bankrekening stond, zal deze bankrekening niet in de verdeling worden betrokken.
Hetzelfde geldt voor de bankrekening bij Fortis / ABN AMRO Bank volgens r.o. 4.20. van het tussenvonnis eindigend op [rekeningnummer 9] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] spreekt overigens over [rekeningnummer 5] als laatste drie cijfers, in lijn met het hierna te noemen bankschrift. De rechtbank gaat bij gebrek aan aanknopingspunten dat er nóg een derde Fortis/ABN Amro Bank rekening was, ervan uit dit om dezelfde rekening gaat. Deze bankrekening komt niet voor in de rekening en verantwoording. Ook voor deze bankrekening geldt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangedragen, op basis waarvan zou kunnen of moeten worden aangenomen dat de rekening en verantwoording op dit punt niet volledig is en dat deze bankrekening op de peildatum wél nog aanwezig was. Het enkele feit dat de bankrekening niet is opgenomen in de aangifte IB uit 2014, terwijl deze in 2014 wel bestond (blijkens het als productie 1.18. bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie in het geding gebrachte bankafschrift van ABN Amro Bank van 27 februari 2015, waaruit overigens ook blijkt dat het saldo op deze rekening per 31-12-2013 en per 31-12-2014 € 0,- was) en mogelijk bij de bewindvoerder niet bekend is geweest, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de bankrekening jaren later op de peildatum nog aanwezig was.
Als de suggestie van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat de bankrekening bij aanvang van het bewind niet bekend was, juist is dan geldt namelijk dat het in de rede zou liggen dat deze op enig moment wel “op de radar” zou zijn gekomen. Al was het maar omdat een bank doorgaans kosten hiervoor in rekening brengt. In dit licht heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende onderbouwd dat de bankrekening op de peildatum nog aanwezig was. Aangezien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zich op het rechtsgevolg beroept van zijn stelling, lag dat wel op zijn weg. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat deze bankrekening op de peildatum nog aanwezig was, zal deze niet in de verdeling worden betrokken.
Ook hier resteert vervolgens de vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] te veroordelen om aan [naam executeur] of [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] alle medewerking te verlenen bij het opvragen van de transacties en/of bankafschriften vanaf de datum van overlijden van vader. In aanvulling op de hiervoor in het kader van de andere bankrekeningen al besproken stellingen, stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat blijkens een bankafschrift van 5 januari 2010 een bedrag van € 219.504,- op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 5] heeft gestaan en dat dit bedrag in ieder geval op 27 februari 2015 op onverklaarbare wijze is verdwenen.
De rechtbank constateert dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 het standpunt heeft ingenomen dat dit bedrag op de bankrekening bij BBVA Bank terecht is gekomen en dat het op de peildatum nog aanwezig moet zijn geweest. De rechtbank heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierin gevolgd (zie hiervoor). Dat brengt met zich dat het “verdwijnen” van dit bedrag als zodanig niet maakt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] belang heeft bij toewijzing van zijn vordering tot het verkrijgen van afschriften van twee andere bankrekeningen. Gelet hierop en op het feit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor het overige geen argumenten (behalve de argumenten die hiervoor in relatie tot de andere bankrekeningen al zijn besproken en beoordeeld) naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij belang heeft bij deze vordering, zal deze bij eindvonnis worden afgewezen.
4. De rekeningen bij Caixa bank en Banco Popular
[naam executeur] heeft toegelicht dat de bankrekening bij Caixa bank met het nummer eindigend op [rekeningnummer 6] en de rekeningen bij Banco Popular met de rekeningnummers [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] niet op de rekening en verantwoording waren vermeld en ook bij hem verder niet bekend zijn.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat de aangifte ter zake de successiebelasting die naar aanleiding van het overlijden van vader is gedaan, de bankrekening(en) bij Banco Popular vermeld (productie 27, bijlage 9 bij akte aanvullende producties van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). De rechtbank overweegt dat daarin weliswaar is vermeld dat een saldo van € 386,- op een bankrekening bij Banco Popular waarvan het rekeningnummer niet in de aangifte is opgenomen, deel uitmaakte van de nalatenschap van vader, maar daarmee is niet gezegd dat deze en de andere bankrekening bij Banco Popular en de bankrekening bij Caixa Bank tien jaar later op de peildatum, de datum waarop moeder is overleden, nog aanwezig waren. Ook voor deze bankrekeningen geldt dat ze niet in de rekening en verantwoording van de bewindvoerder zijn opgenomen. Concrete feiten of omstandigheden op basis waarvan kan of moet worden aangenomen dat de rekening en verantwoording op dit punt onjuist dan wel onvolledig is, zijn niet aangedragen. Het enkele feit dat de bankrekening bij de BBVA bank en het Banesto Bankboekje niet bij de bewindvoerder bekend waren, waardoor “mogelijk hetzelfde” geldt voor de bankrekeningen bij Caixa Bank en Banco Popular is hiervoor onvoldoende. Bovendien geldt in dat geval nog steeds dat daarmee nog niet gezegd is dat deze bankrekeningen op de peildatum nog aanwezig waren. Een concreet aanknopingspunt hiervoor ontbreekt. Aldus heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende onderbouwd dat deze bankrekeningen op de peildatum nog aanwezig waren. Deze zullen dan ook niet in de verdeling worden betrokken.
Voor de vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tot verkrijging van informatie, geldt ten aanzien van deze bankrekeningen hetzelfde als hiervoor op dat punt is geoordeeld ten aanzien van de andere bankrekeningen. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom bij eindvonnis afgewezen.
5. Het spaarboekje bij Banesto Bank
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 verklaard dat hij over het spaarboekje beschikt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 zijn [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] overeengekomen dat het saldo van het spaarboekje van Banesto bank aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt toebedeeld zonder dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] uit hoofde van onderbedeling aanspraak heeft op een vergoeding jegens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Ook hier geldt dat de rechtbank uitgaat van de instemming van [naam executeur] met deze afspraak, gelet op het door hem in zijn brief van 13 april 2022 over dit vermogensbestanddeel ingenomen standpunt. Deze verdelingsafspraak brengt mee dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf het saldo bij (de eventuele rechtsopvolger van) Banesto bank kan incasseren. Voor zover nodig dient [naam executeur] alle benodigde medewerking hieraan te verlenen. De kosten van het incasseren van het saldo komen voor rekening van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , zo zijn [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen. Dit alles brengt mee dat het spaarboekje niet meer in verdeling van de nalatenschap van moeder zal worden betrokken.
6. De woning in Spanje
De rechtbank stelt voorop dat de woning in Spanje aan de [adres] [plaats 1] , al in 2010 was verkocht, aldus lang voordat moeder is overleden. In zoverre kan de woning als zodanig niet in de verdeling worden betrokken.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] genoemde verkoopopbrengst van de woning van € 243.840,-, niet kan kloppen. Aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen ziet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vooral in de volgens hem door vader vlak voor zijn overlijden genoemde verkoopprijs van € 900.000,-, in het feit dat op 11 mei 2010 een bedrag van € 249.880,- is overgeboekt naar de bankrekening van de Beleggingsmaatschappij B.V. waarin vader en moeder eerst gezamenlijk en na het overlijden van de vader moeder alleen de aandelen hield(en), welk bedrag afkomstig lijkt te zijn van een Georgische bankrekening (productie 1.14, bijlage 13 bij conclusie van antwoord in conventie en eis (deels voorwaardelijk) in reconventie), in het feit dat in de naar aanleiding van het overlijden van vader gedane aangifte successiebelasting, die is opgesteld na de verkoop van de woning, een waarde is vermeld van € 400.000,- (productie 6, bijlage 16 bij dagvaarding) en in de e-mail van de makelaar dat er een bod lag van € 350.000,- tegen sloopwaarde (productie 43 bij akte uitlating na tussenvonnis tevens eiswijziging van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). Daarnaast heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] erop gewezen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betrokken was bij de verkoop, althans dat zij over informatie daarover beschikt. Verder heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] erop gewezen dat moeder in 2013 in Spanje € 1.650,23 aan successierechten heeft betaald (zie voor dit alles ook r.o. 4.22. van het tussenvonnis). Daarom wil [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hier meer informatie over verkrijgen.
[naam executeur] heeft in zijn brief laten weten hiermee niet bekend te zijn en dat indien wenselijk nader onderzoek kan worden verricht.
Voor zover de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zo moeten worden begrepen dat de woning voor meer is verkocht dan de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] genoemde koopsom van € 243.840,-, is de rechtbank van oordeel dat daaruit, voor zover dat juist zou zijn, niet zonder meer blijkt dat het eventuele meerdere er op de peildatum nog was en dus in de verdeling moet worden betrokken. Daarvoor is redengevend dat tussen de verkoop en de peildatum, de datum van het overlijden van moeder, een tijdsbestek van circa acht jaar zit waarin moeder overigens ook in haar eigen levensonderhoud voorzag en waarin zij tot aan de onderbewindstelling vrijelijk kon beschikken over haar vermogen. Het stond moeder dus ook vrij om schenkingen te doen aan wie dan ook. Moeder hoefde geen verantwoording af te leggen over haar uitgaven. Dat het eventuele meerdere dan ook op de peildatum nog aanwezig was, is dan ook niet, en zeker niet zonder meer, aannemelijk. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in ieder geval onvoldoende gesteld om die conclusie te kunnen trekken. Ook heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat moeder schenkingen aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft gedaan waarbij in weerwil van het bepaalde in het testament bij de gift een verplichting tot inbreng is opgelegd.
Het feit dat in de nota bene na verkoop van de woning opgemaakte aangifte voor de successiebelasting is vermeld dat de woning een waarde van € 400.000,- vertegenwoordigde, roept vragen op. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] lijkt echter uit het oog te verliezen dat in die aangifte uitdrukkelijk is vermeld dat de woning voor die vraagprijs in de verkoop is geplaatst en dat die waarde waarschijnlijk niet zal worden gerealiseerd, “mede gelet op de huidige onroerend goed markt in Spanje”. Hetgeen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft aangevoerd over de e-mail van de makelaar en de overboeking van het bedrag van € 249.880,-, roept ook vragen op. Dat er vragen zijn over financiële gebeurtenissen bij leven van moeder, betekent echter niet en zeer zeker niet automatisch, dat binnen het kader van de procedure informatie hierover moet worden verschaft. Dit klemt te meer nu, de rechtbank benadrukt dat nog maar eens, moeder in deze periode vrijelijk over haar vermogen kon beschikken. Daar komt bij dat - naast hetgeen hiervoor is overwogen over de aanwezigheid van een eventueel hogere verkoopopbrengst op de peildatum - ook voor het overige geen stellingen zijn ingenomen op basis waarvan de rechtbank binnen het kader van de voorliggende vorderingen aanleiding ziet om nader onderzoek hiernaar te (laten) verrichten dan wel de informatievordering op dit punt toe te wijzen. Integendeel. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf hierover verklaard: “Op uw vraag wat dit voor de verdeling zou betekenen, voor zover dat juist is, zeg ik u dat ik denk dat we er weinig mee kunnen. Er is niets te bewijzen. Het is een vermoeden en dat wil ik uitgezocht hebben. Ik zal mij erbij moeten neerleggen dat we er niets mee kunnen.” Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen belang heeft bij zijn vordering die ertoe strekt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] wordt bevolen medewerking te verlenen aan de verkrijging van informatie over de verkoop van de woning. Dit onderdeel van de vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
7. Gegevens betreffende (de reden voor) de aan Notaria [naam notariskantoor] in [vestigingsplaats 1] (Spanje) door moeder betaalde "successie" op 13 februari 2013
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat uit een bankafschrift blijkt dat moeder bij een notaris in Spanje op 13 februari 2013 € 1.650,23 aan successierechten heeft betaald, wat zou kunnen duiden op een schenking van moeder aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] (productie 1.20 bij conclusie van antwoord in conventie en eis (deels voorwaardelijk) in reconventie).
[naam executeur] heeft in zijn toelichting aangegeven hiermee niet bekend te zijn, maar dat indien wenselijk nader onderzoek kan worden verricht.
Uit het bankafschrift van de bankrekening van de Beleggingsmaatschappij B.V. van vader en moeder blijkt een betaling van € 1.650,23 op 13 februari 2013 met de omschrijving “NOTARIA [naam notariskantoor] AL SUCCESSIE MW. [naam] , [plaats 2] ZIE BRIEF VAN HEDEN” (productie 1.20 bij conclusie van antwoord in conventie en eis (deels voorwaardelijk) in reconventie van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat deze betaling verband houdt met een schenking aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] . [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag of zij schenkingen van moeder heeft ontvangen. Zij heeft verklaard dat zij dat niet meer weet en zij heeft erop gewezen dat het moeder vrij stond om schenkingen te doen. Dat laatste is zonder meer juist. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in reactie hierop erop gewezen dat moet worden vastgesteld of voor die (eventuele) schenking een inbrengplicht geldt. Hiervoor is echter al overwogen dat in het testament van moeder is opgenomen dat geen inbrengplicht van toepassing is. Als [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] denkt dat (mogelijk) een schenking is gedaan waarbij moeder, in afwijking van het testament, heeft bepaald dat een inbrengplicht van toepassing is, ligt het op zijn weg om zijn stellingen hierover in ieder geval in enige mate te concretiseren. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder r.o. 2.50. en r.o. 2.51. is overwogen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft echter, hoewel hij als erfgenaam recht heeft op deze informatie en door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] gemachtigd is om de door hem gewenste informatie op te vragen en ook [naam executeur] in zijn brief van 13 april 2022 heeft verklaard bereid te zijn hiertoe een machtiging te verstrekken, geen enkele poging ondernomen om de gewenste informatie boven water te krijgen teneinde zijn stellingen op dit punt te concretiseren. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank nu niets anders concluderen dan dat geen concreet aanknopingspunt bestaat om te veronderstellen dat deze betaling van moeder verband houdt met een schenking waarvoor een inbrengplicht geldt, die aldus in de verdeling van de nalatenschap dient te worden betrokken.
Gelet hierop wordt de informatievordering die op deze kwestie betrekking heeft bij eindvonnis afgewezen.
8. Gegevens betreffende de herkomst van het op 11 mei 2010 ontvangen bedrag ad € 249.880,- met kenmerk [kenmerk] ; van welke rekening van moeder dit bedrag komt en -mocht dit een nog onbekende rekening blijken- de transacties op die rekening vanaf de datum van overlijden van vader,
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] aansluitend aan de verkoop van de woning van de ouders in Spanje zelf een huis in Spanje heeft gekocht en dat het opmerkelijk is dat moeder op 11 mei 2010 een bedrag van € 249.880,- heeft ontvangen op een Spaanse bankrekening (productie 1.14, bijlage 13 bij conclusie van antwoord in conventie en eis (deels voorwaardelijk) in reconventie). Verder stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat die betaling afkomstig lijkt te zijn uit Georgië omdat het rekeningnummer het kenmerk dat “GE” vermeldt. Het is voor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet duidelijk waarom moeder opdrachtgeefster lijkt te zijn van de overboeking en waar het geld vandaan komt.
[naam executeur] heeft in zijn toelichting aangegeven hiermee niet bekend te zijn, maar dat indien wenselijk nader onderzoek kan worden verricht.
De rechtbank overweegt dat, voor zover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dit bedrag koppelt aan de aankoop door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] van haar woning in Spanje, onnavolgbaar is op welke wijze dit invloed zou kunnen hebben op de hier voorliggende vorderingen tot verdeling van de nalatenschap. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat het bedrag op de peildatum, de datum van overlijden van moeder, nog aanwezig was. Bovendien heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] deze transactie tijdens de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 ook gekoppeld aan de verkoop van de woning van vader en moeder in Spanje, hetgeen niet rijmt met zijn eerdere stelling dat dit verband houdt met de aankoop van een woning in Spanje door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] (conclusie van antwoord in conventie en eis (deels voorwaardelijk) in reconventie, pagina 15). Wat daar ook van zij, ook voor zover de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is dat dit verband houdt met de verkoop van de woning van vader en moeder in Spanje, heeft hij niet althans onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag op de peildatum, de datum van overlijden van moeder, nog aanwezig was. Aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat dit bedrag op de peildatum nog aanwezig was, kan het niet in de verdeling worden betrokken.
Voor de vordering die strekt tot verkrijging van informatie hierover, geldt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen dragen dat hij in relatie tot de afwikkeling van de nalatenschap van moeder belang heeft bij informatie over (de herkomst van) dit bedrag. Moeder heeft blijkens het in het geding gebrachte bankafschrift op 11 mei 2010 opdracht gegeven tot overboeking van dit bedrag van een buitenlandse bankrekening naar de bankrekening van [naam bv 1] Het mag zo zijn dat het voor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een raadsel is waar het geld vandaan komt, maar dat maakt op zichzelf niet dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] belang heeft bij zijn vordering. Hetzelfde geldt voor het feit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kennelijk wil weten vanaf welke bankrekening de overboeking heeft plaatsgevonden. Op moeder rustte bij leven al niet de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen aan haar kinderen over haar financiële reilen en zeilen of om daarover informatie te verstrekken. Voor zover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] meent dat zo’n verplichting na overlijden wel bestaat, vindt die opvatting geen steun in het recht. Om in deze procedure een belang te kunnen hebben bij verkrijging van informatie hierover moet op zijn minst aannemelijk zijn dat die informatie relevant is of kan zijn voor hetgeen in deze procedure ter beoordeling voorligt. Een concrete aanwijzing dat dit bedrag ten tijde van het overlijden van vader geheel dan wel gedeeltelijk tot diens nalatenschap behoorde is er echter niet. Ook overigens heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende concrete standpunten ingenomen op basis waarvan kan worden geoordeeld dat hij belang heeft bij toewijzing van deze vordering. De enkele verder niet geconcretiseerde en in het geheel niet onderbouwde stelling dat geld richting [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] moet zijn “verdwenen” of dat het nog ergens voorhanden moet zijn, is hiervoor onvoldoende. De rechtbank laat dan verder nog daar dat niet valt in te zien dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als erfgenaam deze informatie zelf had of zou kunnen verkrijgen. Deze vordering zal dan ook bij eindvonnis worden afgewezen.
9. De woning in [plaats 2]
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor het eerst een standpunt ingenomen over de woning van vader en moeder in [plaats 2] . De woning is door [naam executeur] aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verkocht en geleverd op 22 juli 2020 voor € 307.000,- (productie 19 bij akte aanvullende producties van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de woning een jaar later voor een bedrag van € 100.000,- meer heeft kunnen verkopen, hetgeen voor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voelt alsof een goed uit de nalatenschap is gehaald waarvan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft geprofiteerd.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betwist dat de verkoop van de woning haar geld heeft opgeleverd, omdat zij de woning heeft moeten opknappen wegens achterstallig onderhoud.
De rechtbank stelt vast dat de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betaalde koopsom van € 307.000,- op één van de tot de nalatenschap van moeder behorende bankrekeningen is terechtgekomen en op die wijze al in de verdeling wordt betrokken. [naam executeur] heeft de woning blijkens hetgeen hierover tijdens de mondelinge behandeling is verklaard, te koop aangeboden om schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. [naam executeur] is als executeur hiertoe gerechtigd. Kennelijk, want ook dat is tijdens de mondelinge behandeling verklaard, is de woning zowel aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] als aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aangeboden. Hoewel een en ander geen onderwerp is van deze procedure, overweegt de rechtbank - ter voorkoming van een nieuwe procedure hierover - het volgende.
Het dossier bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat [naam executeur] de woning voor een lager bedrag dan de reële marktwaarde aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft verkocht. Er is dus ook geen reden om te veronderstellen dat de nalatenschap en in het verlengde daarvan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als deelgenoot, door die verkoop is benadeeld. Als het al zo zou zijn, hoewel [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat bestrijdt (zij betoogt dat zij veel kosten heeft moeten maken vanwege herstel van achterstallig onderhoud), dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] nadien voordeel heeft genoten doordat zij de woning voor € 100.000,- heeft kunnen verkopen, dan is dat niet iets dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als deelgenoot ter discussie kan stellen. Omgekeerd geldt overigens ook dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet zou kunnen aanspreken in het geval zij de woning met verlies zou hebben verkocht. De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee voldoende is gezegd over de verkoop van de woning in [plaats 2] in relatie tot de afwikkeling van de nalatenschap.
De aandelen in de B.V., en de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] aan de B.V.
1. De schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] aan de B.V.
Tussen partijen is niet in geschil dat de oorspronkelijke schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in hoofdsom bedroeg een bedrag van € 180.000,- en dat is afgelost op deze schuld door middel van een schenking van moeder aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in 2013 van € 25.100,- en een schenking in 2014 van € 14.500,-. Ook is niet in geschil dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] na de vorige mondelinge behandeling op 30 september 2021 nog eens € 25.000,- heeft afgelost.
Partijen zijn het niet eens over de omvang van de openstaande schuld. Zij twisten over de vraag of de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] over de openstaande hoofdsom verschuldigde rente op enig moment is verlaagd van 3% naar 2% en of contractuele boetes verschuldigd zijn. Tijdens de mondelinge behandeling van 5 juli 2024 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ook nog de stelling ingenomen dat de rente over de schenkingsovereenkomst van 2019 op de schuld in mindering is gebracht, terwijl dat bij hem niet is gebeurd. Daarnaast dient volgens hem rekening te worden gehouden met de over de andere schenkingen verschuldigde rente.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 februari 2022 geoordeeld dat het op de weg van [naam bestuurder] , onafhankelijk bestuurder van de B.V. (hierna: [naam bestuurder] ) ligt om zich uit te laten over de omvang en samenstelling (hoofdsom en rente) van de schuld.
Bij brief van 30 maart 2022 heeft [naam bestuurder] het voorgaande toegelicht (productie 9 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en productie 30 bij akte na tussenvonnis van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). De rechtbank zal de onderwerpen hierna afzonderlijk en tegen de achtergrond van de toelichting van [naam bestuurder] en hetgeen partijen hierover nog naar voren hebben gebracht beoordelen.
a. De rente
[naam bestuurder] heeft toegelicht dat de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] over de lening aan de B.V. verschuldigde rente op grond van artikel 2 van de leningsovereenkomst 3% bedroeg, maar dat volgens de voormalige boekhouders, de heer [naam boekhouder 1] (hierna: [naam boekhouder 1] ) en de heer J [naam boekhouder 2] (hierna: [naam boekhouder 2] ), is afgesproken dat de rente zou worden verlaagd naar 2% in ieder geval sinds 2013-2014, hetgeen ook uit het meerjarig overzicht blijkt dat [naam boekhouder 1] aan [naam boekhouder 2] heeft toegestuurd (bijlagen bij toelichting [naam bestuurder] ).
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betwist dat de renteverlaging tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en de B.V. is overeengekomen. Hij stelt dat de geldleningsovereenkomst bepaalt dat het rentepercentage enkel bij schriftelijke overeenkomst tussen de B.V. en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] kan worden gewijzigd en dat een dergelijke overeenkomst hier ontbreekt. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] moet worden gerekend met een rente van 3%, waarbij (blijkens zijn akte na tussenvonnis en in weerwil van de eerder ingenomen stelling verwoord in r.o. 4.27. van het tussenvonnis) de rente vanaf juli 2010 tot en met juli 2018 moet worden meegenomen, omdat die rente volgens hem - behalve in 2012 toen deze wel deels is betaald - niet is betaald.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betwist dat. Hiertoe verwijst zij naar de toelichting van [naam bestuurder] . Ook beroept zij zich in dit verband op een e-mail van [naam boekhouder 1] van 30 maart 2022, die [naam bestuurder] bij e-mail van 4 april 2022 aan partijen heeft toegestuurd (productie 10 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ), waarin [naam boekhouder 1] heeft geschreven: “Het lagere rente percentage is destijds afgesproken in overleg met ALLE betrokkenen.”. Verder heeft zij tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 verklaard dat wel al rente is betaald, dat het restant verrekend zou worden met haar erfdeel en dat aan de destijds boekhouder of thans bestuurder van de B.V. een mate van beleidsvrijheid toekomt.
Artikel 2 van de geldleningsovereenkomst bepaalt (bijlage 1 bij toelichting [naam bestuurder] ): “De schuldenaar zal over het ter leen ontvangen bedrag of het onafgeloste gedeelte daarvan, hierna te noemen “de hoofdsom” een rente verschuldigd zijn van 3% per jaar.
De rentevoet kan steeds in onderling overleg worden gewijzigd door vermeerdering of vermindering met hetzelfde percentage als dat waarmee de depositorente van de Europese Centrale Bank in het afgelopen jaar is vermeerderd of verminderd, Rentewijzigingen zullen alleen voor de toekomst gelden, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.”.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat een rentewijziging te allen tijde schriftelijk moet plaatsvinden, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt. Ook overigens heeft hij onvoldoende onderbouwd dat de renteverlaging van 3 naar 2% waarop [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich beroept, niet is overeengekomen tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en (moeder als enig aandeelhouder en bestuurder van) de B.V. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van [naam boekhouder 1] , de toenmalige boekhouder van de B.V. , onjuist is. Ook bestaat geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [naam boekhouder 1] op dit punt op eigen initiatief zonder instructie van (moeder, die toen nog compos mentis was, als enig aandeelhouder en bestuurder van) de B.V. heeft gehandeld. Alle stellingen die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in dit kader poneert ontberen handen en voeten. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding om wat betreft de berekening van de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verschuldigde rente af te wijken van hetgeen in de praktijk door [naam boekhouder 1] en daarna door [naam boekhouder 2] en vervolgens door [naam bestuurder] is gedaan.
Over de periode waarover al dan niet nog rente moet worden betaald, overweegt de rechtbank als volgt. In het licht van het feit dat [naam bestuurder] als bestuurder van de B.V. op basis van de door hem van [naam boekhouder 1] en [naam boekhouder 2] verkregen informatie kennelijk geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de B.V. nog een vordering heeft op [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ter zake door haar voor 2013 verschuldigde rente, heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zijn stelling dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , behoudens een periode in 2012, geen rente heeft betaald onvoldoende onderbouwd. Die stelling strookt bovendien niet met de eerder door hem, onder verwijzing naar bijlage 16 bij productie 1.14 bij conclusie van antwoord tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie ingenomen stelling inhoudend dat enkel in 2010 rente is betaald. Ook hier geldt dat er geen concrete aanknopingspunten zijn op basis waarvan zou kunnen of moeten worden aangenomen dat (moeder als enig aandeelhouder en bestuurder van) de B.V. ermee akkoord zou gaan dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , hoewel daartoe verplicht, geen rente betaalde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verschuldigde rente op een hoger bedrag te becijferen dan [naam bestuurder] heeft gedaan.
b. De contractuele boetes
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt, overigens pas voor het eerst bij akte na tussenvonnis, dat artikel 2 van de geldleningsovereenkomst weliswaar bepaalt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] een rente van 3% verschuldigd was per jaar, maar aangezien [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] die rente in 2012 maandelijks heeft betaald (bijlage 16 bij productie 1.14 van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ), diende de rente in maandelijks termijnen te worden betaald. Bij niet tijdige betaling is [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] conform artikel 3.7 van de geldleningsovereenkomst een boete verschuldigd van 10% over het achterstallige bedrag met een minimum van € 1.000,-. Primair is [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van oordeel dat gerekend dient te worden met een contractuele boete van 10% en een rentepercentage van 3%, hetgeen neerkomt op een schuld aan hoofdsom, contractuele boetes en rente van circa € 8.000.000,-. Subsidiair is hij van mening dat gerekend dient te worden met het minimum bedrag aan contractuele boete van € 1.000,- en een rentepercentage van 3%, hetgeen tot en met juli 2018 neerkomt op een schuld aan hoofdsom en rente van € 183.544,19 en contractuele boetes van € 82.000,-.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betwist dat zij een contractuele boete verschuldigd is. Zij betoogt dat daar nooit aanspraak op is gemaakt, dat zij niet gehouden was om maandelijks de rente te voldoen en dat het restant zou worden verrekend met hetgeen zij uit de nalatenschap zou verkrijgen.
Artikel 3.7. van de geldleningsovereenkomst bepaalt (bijlage 1 bij toelichting [naam bestuurder] ): “Ingeval van overschrijding van enige betalingstermijn uit deze overeenkomst, met meer dan 30 dagen, is de schuldenaar een dadelijk opeisbare boete verschuldigd van 10% van het achterstallige bedrag met een minimum van € 1.000,-- ( een duizend euro).”.
De rechtbank kan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet volgen in zijn stelling dat het feit dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] op enig moment maandelijks of tweemaandelijks rente heeft voldaan, maakt dat zij in afwijking van de leningsovereenkomst, waarin is bepaald dat jaarlijks een rente van 3% verschuldigd is, gehouden is om maandelijks de rente te voldoen. Artikel 3.5. van de leningsovereenkomst bepaalt immers dat het [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] was toegestaan om in onderling overleg eerder, al dan niet maandelijks, vrij af te lossen. Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de contractuele boetes verschuldigd is omdat zij niet aan haar maandelijkse renteverplichtingen heeft voldaan, is in dat licht onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat, ook voor zover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] over een bepaalde periode niet aan haar verplichting om de jaarlijks verschuldigde rente te betalen heeft voldaan en zij conform de leningsovereenkomst een boete verschuldigd zou zijn, de B.V. de contractspartij is bij deze geldleningsovereenkomst. De B.V. heeft kennelijk nooit aanspraak gemaakt op betaling van boetes. In dat licht heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende onderbouwd dat en op grond waarvan de rechtbank nu, in het kader van de verdeling van de nalatenschap waarbij rekening dient te worden gehouden met de schuld aan de B.V., rekening zou kunnen of moeten houden met boetes waarop de B.V., die overigens geen partij is in deze procedure, nooit aanspraak heeft gemaakt. Deze stelling wordt dan ook verworpen.
c. De rente over de schenkingsovereenkomst van 2019
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat op de lening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] aan de B.V. als aflossing in mindering is gebracht de rente van € 1.265,- over de schenkingsovereenkomst (op papier) van 2019, zoals blijkt uit de jaarrekening van de B.V. over 2020 (bijlage 11 bij de toelichting van [naam bestuurder] ):
“Vordering op mevrouw [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1]
31-12-2020 31-12-2019
Stand per 1 januari 149.332 147.657
Bij: Rente 2.987 2.940
Af: Aflossing - 1.265
Stand per 31 december 152.319 149.332”
Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ontbreekt de rente in de vermogensopstelling van [naam executeur] , is de rente in ieder geval niet als aflossing in mindering gebracht op zijn lening en is ten onrechte ook geen rekening is gehouden met de over andere schenkingen te ontvangen rente.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verzet zich ertegen dat de vraag of en zo ja op welke manier over de schenkingen verschuldigde rente moet worden betrokken bij de vaststelling van de schulden van haar en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de B.V. ( [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) respectievelijk aan de nalatenschap ( [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ).
2.100. De rechtbank is van oordeel dat de eisen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat op deze pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 ingenomen stelling nog acht wordt geslagen. Enerzijds geldt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich niet hierop heeft kunnen voorbereiden en daar dus niet deugdelijk op heeft kunnen reageren. Anderzijds geldt dat bij tussenvonnis (r.o. 4.50.) is vastgesteld dat schenkingen aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ‘op papier’ zijn gedaan, die (blijkens de vermogensopstelling van [naam executeur] per 31 maart 2021) kennelijk notarieel zijn vastgelegd maar nog niet zijn uitbetaald, namelijk € 21.075,- aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en € 19.415,- aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Ook is overwogen dat geen verschil van opvatting bestaat tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over deze schulden van de nalatenschap en dat deze bij de verdeling worden betrokken. De rechtbank acht het in strijd met de eisen van de goede procesorde om dan alsnog en niet eens bij akte na tussenvonnis, maar pas ter gelegenheid van de derde mondelinge behandeling dit punt ter discussie te stellen. De rechtbank laat deze kwestie daarom bij de verdere beoordeling buiten beschouwing. Volledig ten overvloede merkt de rechtbank op dat in het geval [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] deze stelling tijdig had ingenomen, dit niet tot een ander oordeel had geleid. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft immers niet toegelicht waartoe een en ander in concreto zou moeten leiden.
2.101. Bij eindvonnis wordt met inachtneming van al het voorgaande rekening gehouden met de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] aan de vennootschap. In het geval na de laatste mondelinge behandeling nog aflossingen hebben plaatsgevonden dan wel na dit vonnis nog aflossingen plaatsvinden, dient [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat bij de door haar te nemen akte (waarover hierna meer) onderbouwd en gedocumenteerd inzichtelijk te maken, waarna [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierop zal kunnen reageren. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij (omdat zij daar dan geen wetenschap van heeft) geen rekening kan houden met eventuele aflossingen die na de laatst te nemen proceshandeling voordat eindvonnis wordt gewezen, nog worden verricht.
2. De aandelen in de B.V.
2.102. Bij tussenvonnis zijn [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de gelegenheid gesteld om hun keuze ter zake de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap behorende aandelen in de B.V. kenbaar te maken (r.o. 4.32.).
2.103. Bij akte na tussenvonnis hebben zowel [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] als [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geopteerd voor ontbinding en liquidatie van de B.V. Gebleken is echter dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] naar aanleiding van het besluit van [naam executeur] om over te gaan tot liquidatie van de B.V. een procedure is gestart, omdat hij niet wil dat [naam executeur] de B.V. vereffent. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 is echter besproken dat het de bestuurder, [naam bestuurder] , is die op de voet van artikel 2:23 BW tot vereffening dient over te gaan, bij gebreke van een andere aangewezen vereffenaar in de statuten van de vennootschap. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vreest echter dat het feitelijk [naam executeur] zal zijn die alsdan de touwtjes in handen heeft.
2.104. Hoe dan ook, nu [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het erover eens zijn dat in het kader van de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap behorende aandelen in de vennootschap, de B.V. moet worden ontbonden en vereffend, dient dat ook te gebeuren. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dienen alles te doen wat hiervoor nodig is en hiertoe alle noodzakelijk medewerking te verlenen. Zij worden in gelegenheid gesteld om, na uitvoering hiervan, zich uit te laten over de waarde van het nominaal aandelenkapitaal na vereffening. Dit kapitaal treedt namelijk in de plaats van de tot de nalatenschap behorende aandelen en dient alsdan in de verdeling daarvan te worden betrokken.
2.105. Uiteraard is zoals al bij tussenvonnis besproken de vordering van de B.V. op [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] medebepalend voor die waarde. De hoogte van die vordering wordt in deze procedure vastgesteld en dit bedrag moet door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] worden voldaan (eventueel na verrekening met haar aandeel in het aandelenkapitaal). Bij eindvonnis zal met inachtneming van het voorgaande een beslissing worden genomen over de verdeling van dat kapitaal.
2.106. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen in afwachting van de uitlatingen van partijen hierover.
De schuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de nalatenschap
1. De schuld van € 65.000,- van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in privé
2.107. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een bedrag van € 65.000,- heeft geleend van vader en moeder. Bij tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] met betrekking tot de rente heeft gesteld (a) dat hij in november 2007 de beschikking heeft gekregen over dit bedrag, (b) dat hij hierover aan zijn ouders dezelfde rente verschuldigd was als zij verschuldigd waren aan de hypotheekbank, (c) dat zijn ouders de desbetreffende hypotheekschuld hebben afgelost in 2012, en (d) dat hij sindsdien dus geen rente meer verschuldigd is over de uitstaande hoofdsom.
2.108. Aangezien [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] deze stellingen niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist en de stellingen aansluiten bij de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ingebrachte onderhandse akte (productie 29 van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ), heeft de rechtbank bij tussenvonnis geoordeeld uit te gaan van de juistheid van die stellingen (r.o. 4.35.). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is vervolgens in de gelegenheid gesteld een deugdelijk gemotiveerd en gedocumenteerd standpunt in te nemen over de vraag hoeveel rente hij uitgaande van zijn stellingen verschuldigd is over de uitstaande hoofdsom van € 65.000,-.
2.109. Bij akte na het tussenvonnis heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vervolgens een nieuwe stelling ingenomen. Hij stelt dat hij in de stukken van de zakelijke (B.V.) rekening van ouders een afschrift heeft aangetroffen waaruit blijkt dat op 28 december 2009 € 100.000,- is afgelost op een hypotheek bij BLG met omschrijving “0964112000BLG aflossing hyp. 92 36 41 556” (productie 33 van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat in de aangifte successiebelasting die naar aanleiding van het overlijden van vader is gedaan, ook één hypotheek bij BLG is vermeld waarbij ten tijde van de aangifte nog € 101.700,- aan hypotheekschuld openstond (productie 27, bijlage 9 bij akte aanvullende producties van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt dat, hoewel deze aflossing vanaf de zakelijke bankrekening van de ouders heeft plaatsgevonden en BLG als hypotheekhouder is vermeld, in tegenstelling tot de in de geldleningsovereenkomst genoemde ABN Amro Bank, de hypotheek al op 28 december 2009 is afgelost, dat vader en moeder dit hebben verrekend met de B.V. en dat zij zich hebben vergist in de bank die als hypotheekhouder is vermeld in de geldleningsovereenkomst. Daarbij acht [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van belang dat hij vanaf de datum van de aflossing geen rente meer betaalde en dat hij sindsdien ook nooit meer is aangesproken op rentebetalingen. Primair stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat hij nog tot december 2009 rente is verschuldigd wat neerkomt op € 563,34 en subsidiair dat hij tot ultimo 2012 € 10.703,46 aan rente is verschuldigd.
2.110. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betwist dat de hypotheek bij BLG de hypotheek van vader en moeder in privé betreft en dat zij zich hebben vergist zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt. Daarbij wijst zij erop dat ook de accountant de rente heeft berekend tot en met 31 december 2012 (productie 32 van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). In het verlengde daarvan betwist zij dus ook dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] nog tot december 2009 rente is verschuldigd. Wel is zij bereid om december 2012 als einddatum te nemen voor de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te betalen rente over de hoofdsom.
2.111. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in het licht van de betwisting daarvan door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat vader en moeder de hypothecaire geldlening die is afgesloten met het oog op de aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te verstrekken geldlening al op 28 december 2009 hebben afgelost, zodat hij vanaf dat moment geen rente meer is verschuldigd over de openstaande hoofdsom. In de geldleningsovereenkomst is expliciet vermeld dat ABN AMRO Bank de hypotheekhouder is en niet BLG. Dat op dit punt sprake is van een vergissing ligt niet in de rede. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in ieder geval geen argumenten aangedragen die zijn aanname ondersteunen. Bovendien valt niet in te zien waarom moeder tot en met eind 2012 rente in rekening zou brengen als zij de hypothecaire geldlening al in 2009 zou hebben afgelost. Het feit dat de hypothecaire geldlening niet in de aangifte successiebelasting is vermeld, kan niet tot een ander oordeel leiden. In deze zaak staat immers vast dat allerlei vermogensbestanddelen die op het moment van overlijden van vader aanwezig waren, niet in de aangifte zijn vermeld. Zo is bijvoorbeeld ook de lening aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet daarin vermeld. Op basis hiervan kan dus niet, ook niet in samenhang met het door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in het geding gebrachte bankafschrift ter zake de aflossing op een hypotheek bij BLG, worden afgeleid dat de hypothecaire geldlening al in 2009 was afgelost.
2.112. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank in lijn met de eerder door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ingenomen stelling waartegen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich niet verzet, ervan uitgaat dat de hypothecaire geldlening eind 2012 is afgelost, waardoor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vanaf dat moment ook geen rente meer over de lening van € 65.000,- is verschuldigd. Aangezien [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ook geen verweer voert tegen de bijbehorende berekening van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van het nog verschuldigde bedrag aan rente, volgt de rechtbank hem hierin. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in ieder geval nog aan de nalatenschap is verschuldigd een bedrag van € 65.000,- te vermeerderen met rente tot en met 31 december 2012 (38 x € 281,67 = € 10.703,46), aldus in totaal € 75.703,46. De rechtbank komt hierna nog terug op deze schuld en op het bedrag waarmee bij eindvonnis ter zake rekening wordt gehouden.
2. De gestelde schuld van € 220.514,- van de [naam bv 2] .
2.113. Bij tussenvonnis is vastgesteld dat de gestelde schuld is ontstaan doordat de [naam bv 2] . waarin [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] enig aandeelhouder en bestuurder was, door haar verschuldigde huurpenningen aan vader en moeder niet tijdig heeft voldaan en dat het faillissement van de B.V. heeft verhinderd dat deze schuld later alsnog is voldaan. Het beroep van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] op vereenzelviging in de procedure met zaak- en rolnummer C/03/294855 HA ZA 21-392 heeft de rechtbank bij tussenvonnis verworpen (r.o. 4.39.).
2.114. Wat vervolgens resteert is de stelling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat ‘is overeengekomen’ dat de schuld van de [naam bv 2] als privéschuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zou worden betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschappen van vader en moeder. Zoals al is overwogen in het tussenvonnis beroept [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich daarbij op e-mails van [naam boekhouder 1] (onderdeel van productie 29 van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , tevens productie 16 in procedure met nummer 294855), waarin [naam boekhouder 1] schrijft dat “(…) de duidelijke afspraak [was] dat de schulden van [naam bv 2] aan jouw ouders beschouwd zouden worden als persoonlijke schulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en daardoor ook verrekend konden en zouden worden met de erfenissen(…)'. Verder beroept zij zich op een brief van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan vader van 13 februari 2007, waarin hij schrijft “(…) Ja, ik weet dat de huurachterstand enorm is en er nog geen vooruitzicht inzit dat deze weer normaal maandelijks betaald kan worden. Met accountant overeengekomen dat de (zakelijke) huurschuld naar mij in privé wordt overgeschreven. Dat geeft bij een eventueel faillissement dan geen zin voor een ander om dat aan te vragen, omdat ikzelf de grootste schuldeiser ben. (…)” (productie 7 conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie in de zaak met nummer 294855). Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] bevestigt laatstgenoemde brief de, met medeweten van [naam boekhouder 1] gemaakte, ‘duidelijke afspraak’ omdat [naam boekhouder 1] de accountant is waar [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn brief op doelt.
2.115. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betwist dat een dergelijke afspraak met vader en moeder is gemaakt. Over de brief die hij aan vader heeft geschreven, heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] verklaard dat de “overschrijving naar (…) privé” enkel en alleen was bedoeld om een eventueel faillissement af te wenden en de [naam bv 2] . overeind te houden. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft daarbij aangevoerd dat hij in de brief aan vader doelt op zijn eigen accountant, [naam accountant] te [vestigingsplaats 2] , en niet op [naam boekhouder 1] (conclusie van antwoord in reconventie in procedure met nummer 294855).
2.116. De rechtbank heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld te reageren op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uitsluitend wat betreft (de interpretatie van) de brief aan vader, waarop [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vervolgens bij antwoordakte heeft gereageerd (r.o. 4.43.). De rechtbank overweegt hierover als volgt.
2.117. Anders dan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] betoogt kan op basis van de brief die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] naar vader heeft gestuurd, niet worden geconcludeerd dat de door haar gestelde afspraak, inhoudend dat schulden van de [naam bv 2] . in de afwikkeling van de nalatenschap worden betrokken als ware het een privéschuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en vader en moeder is gemaakt. Die brief gaat hier immers niet over. De brief gaat over het voorkomen van een faillissement van de vennootschap en over de actie die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ondernomen ter voorkoming daarvan. Het feit dat kennelijk met het oog daarop de “huurschuld” is “overgeschreven” “naar privé”, zegt niets over de vraag of wel of niet is overeengekomen dat de huurschuld van de vennootschap in de afwikkeling van de nalatenschap dient te worden betrokken. De inhoud van die brief biedt dan ook geen steun voor de juistheid van de stelling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , reden waarom het aanbod van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om zijn toenmalige accountant te horen, geen bespreking behoeft.
2.118. Dit ligt anders voor het e-mailbericht van [naam boekhouder 1] . Dit e-mailbericht biedt voldoende steun voor de juistheid van de stelling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] . [naam boekhouder 1] schrijft immers klip en klaar dat is overeengekomen dat schulden van de vennootschap aan de ouders in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap worden beschouwd als privéschulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en dat verrekening van deze schulden met de erfdelen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zou plaatsvinden. In het licht van de inhoud van dit e-mailbericht, dat dezelfde strekking heeft als het e-mailbericht van kennelijk eveneens 28 september 2020 waarin hij schrijft “(…) Tijdens de periode dat ik accountant was van jouw vader en moeder is duidelijk afgesproken dat ALLE gelden die te vorderen waren van zowel [naam bv 2] als [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] persoonlijk in de toekomst verrekend worden met de erfenis (…)”, is de betwisting door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van het bestaan van deze afspraak onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft geen enkel argument aangedragen op basis waarvan aan de juistheid van de inhoud van het e-mailbericht van [naam boekhouder 1] kan of moet worden getwijfeld.
2.119. Als het al zo is, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betoogt, dat hij noch inzake privé noch inzake zakelijke aangelegenheden een relatie met [naam boekhouder 1] heeft gehad, leidt dat niet tot een ander oordeel. Dat doet niets af aan de wetenschap die [naam boekhouder 1] als accountant van vader en moeder had over tussen de ouders en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in privé en als bestuurder van de [naam bv 2] . gemaakte afspraken. Hetzelfde geldt voor het feit dat [naam boekhouder 1] de schuld van de [naam bv 2] . als zodanig heeft geadministreerd. Deze vennootschap was immers de schuldenaar. Deze handelwijze van [naam boekhouder 1] strookt bovendien met de inhoud van de volgens hem gemaakte afspraak. [naam boekhouder 1] verklaart immers niets over schuldoverneming door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Hij verklaart enkel dat is afgesproken dat schuld van de [naam bv 2] . aan vader en moeder in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap als privé schulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden beschouwd en dat “verrekening” met het erfdeel zal plaatsvinden.
2.120. Het feit dat de schuld niet voorkomt op een jaren later door [naam boekhouder 2] als opvolgend accountant opgesteld meerjarenoverzicht, althans dat [naam boekhouder 2] in het overzicht rekening houdt met twee varianten (verloop lening vóór en ná correctie, waarbij de huurschuld in de laatste variant niet is opgenomen) en evenmin is opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting van moeder over 2017, is op zichzelf - zonder enige toelichting - onvoldoende om de juistheid van de verklaring van [naam boekhouder 1] in twijfel te trekken. Ook kan op basis hiervan niet worden geconcludeerd dat deze schuld toch niet in de afwikkeling dient te worden betrokken. Deze omstandigheid doet immers als zodanig geen afbreuk aan de gemaakte afspraak over de “verrekening” van deze schuld. Het had op de weg van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gelegen om zijn stelling op dit punt meer handen en voeten te geven, bijvoorbeeld door toe te lichten wat de reden is voor het niet meer voorkomen van de schuld op het meerjarenoverzicht althans voor de correctie die blijkens het overzicht op dit punt heeft plaatsgevonden. Dit klemt te meer nu in deze zaak vast staat dat allerlei vermogensbestanddelen niet dan wel niet correct zijn geadministreerd. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de schuld tussentijds is afgelost. Ook is niet gesteld of gebleken dat het faillissement van de [naam bv 2] . ertoe heeft geleid dat de afspraak over de “verrekening” van de schuld van de [naam bv 2] . aan vader en moeder met het erfdeel van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is gewijzigd dan wel dat daarop is teruggekomen in die zin dat niet langer aanspraak werd gemaakt op de voldoening van de huurschuld door middel van die “verrekening” met het erfdeel.
2.121. De rechtbank laat hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in dit kader aanvoeren over de handgeschreven brief van moeder, die al dan niet (wel volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en niet volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) steun zou bieden voor het bestaan van de afspraak, onbesproken. De inhoud van de brief, voor zover de rechtbank deze heeft kunnen ontcijferen, verschaft onvoldoende duidelijkheid om steun te kunnen bieden voor de juistheid van het standpunt van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] of [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] .
2.122. De conclusie is dus dat de huurschuld van de [naam bv 2] . in de afwikkeling van de nalatenschap dient te worden betrokken, in die zin dat deze als privéschuld wordt beschouwd en in mindering strekt op hetgeen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als erfgenaam in de nalatenschap van vader en moeder toekomt. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2024 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] weliswaar aangevoerd dat, als vast komt te staan dat de afspraak tot “verrekening” is gemaakt, die overeenkomst nietig is op grond van artikel 4:4 lid 2 BW omdat dan is beschikt over een nog niet opengevallen nalatenschap, maar hieraan gaat de rechtbank voorbij. Dit standpunt is in een veel te laat stadium van de procedure ingenomen. De rechtbank acht dit in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is geoordeeld over voor het eerst tijdens de derde mondelinge behandeling ingenomen standpunten.
2.123. Het beroep op verjaring door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] slaagt evenmin. Tegen de achtergrond van de inhoud van de gemaakte afspraak zoals deze uit het e-mailbericht van [naam boekhouder 1] blijkt, heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat deze afspraak inhoudt, dan wel zo moet worden uitgelegd, dat de schuld van de vennootschap alleen in de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders dient te worden betrokken in het geval de rechtsvordering van de ouders althans moeder bij overlijden van de langstlevende op de [naam bv 2] . nog niet zou zijn verjaard. Integendeel, in de afspraak om kort gezegd de huurschuld te verrekenen met het aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toekomende erfdeel lijkt eerder besloten te liggen dat is overeengekomen dat de huurschuld pas opeisbaar is bij overlijden van de langstlevende. In het verlengde hiervan slaagt het beroep van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHARL:2019:10619 niet. Voor het in dit kader pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling gedane beroep op het vonnis van deze rechtbank van 5 juli 2023, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBLIM:2023:4196, geldt dat het net als het beroep op artikel 4:4 lid 2 BW veel te laat is gedaan.
2.124. Wel geldt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] al in een eerder stadium heeft aangevoerd dat in het geval wordt geoordeeld dat de schuld van de [naam bv 2] . in mindering strekt op zijn erfdeel, eerst verrekening moet plaatsvinden met zijn schadevergoedingsvordering op de nalatenschap van moeder wegens het geen uitvoering geven aan een ten gunste van hem verleend voorkeursrecht voor de woning aan de Stationsstraat, groot € 570.000,-.
2.125. Voor zover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] tijdens de mondelinge behandeling ook ten aanzien hiervan heeft betoogd dat dit verweer te laat wordt gevoerd, gaat dat betoog niet op. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor het eerst een beroep op verrekening van de huurschuld met zijn (gestelde) schadevergoedingsvordering heeft gedaan bij conclusie van antwoord in reconventie in de zaak met zaaknummer 294855. Nu de processtukken uit die procedure deel uitmaken van deze procedure, volgt de rechtbank [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet in haar verweer dat dit punt tardief naar voren is gebracht en daardoor in strijd is met een goede procesorde. In de omstandigheid dat in de zaak met zaaknummer 294855 nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank wel aanleiding [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in de gelegenheid te stellen bij akte te reageren op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie in die procedure ter zake de schadevergoedingsvordering die volgens hem is ontstaan uit een voorkeursrecht waaraan geen uitvoering is gegeven en het in dat kader gedane beroep op verrekening. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal in de gelegenheid worden gesteld daar weer op te reageren.
2.126. Toch zal de rechtbank om proceseconomische redenen nu ook al ingaan op de omvang van de mogelijk - afhankelijk van het oordeel over de gestelde vordering uit hoofde van het voorkeursrecht - in de verdeling te betrekken schuld van de [naam bv 2] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betwist gemotiveerd dat deze schuld € 220.514,- exclusief rente bedraagt, zoals [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] - kennelijk op basis van de bevindingen en in navolging van de conclusie van [naam executeur] - stelt.
2.127. De rechtbank constateert dat het bedrag van € 220.514,- is gebaseerd op het feit dat dit bedrag is vermeld in de aangifte erfbelasting die naar aanleiding van het overlijden van vader is gedaan. Daarbij wordt (door [naam executeur] ) ervan uitgegaan dat die aangifte is gedaan door de “huisnotaris” van de ouders en dat deze is gebaseerd op de administratie van vader en op de mededelingen van moeder. Ook neemt [naam executeur] het standpunt in dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de op die aangifte gebaseerde vaststelling van de door hem verschuldigde erfbelasting, zodat die aanslag, in de optiek van [naam executeur] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , de juistheid van de aangifte weerspiegelt. De rechtbank volgt dit niet.
2.128. Het in de aangifte successiebelasting opgenomen bedrag is namelijk niet te rijmen met het overzicht van de schulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en de [naam bv 2] . per 31 december 2012, in het geding gebracht door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als productie 30 en 32 bij akte na tussenvonnis. In het overzicht per 31 december 2012 is vermeld dat de huurschuld van de [naam bv 2] . in hoofdsom € 75.044,- bedraagt en dat de daarover verschuldigde rente over 2008 tot en met 2012 € 16.258,- bedraagt. Daarnaast is vermeld dat de privéschuld in hoofdsom € 65.000,- bedraagt. Dat de privéschuld in hoofdsom € 65.000,- bedroeg staat niet ter discussie. Op dit punt is het overzicht dus in ieder geval correct. Concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat de ter zake de huurschuld opgenomen hoofdsom daarentegen niet correct is, zijn er niet. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft daar in ieder geval geen argumenten, anders dan dat het bedrag van € 220.514,- in de aangifte erfbelasting is opgenomen, voor aangedragen. Er zijn geen gegevens in het geding die steun bieden voor haar stelling. Zo zijn geen gegevens, bijvoorbeeld van de “huisnotaris” in het geding gebracht die de opname van dit bedrag in de aangifte erfbelasting verklaren dan wel ondersteunen. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de huurschuld in hoofdsom € 75.044,- bedraagt en dat de tot en met 31 december 2012 daarover verschuldigde rente € 16.258,- bedraagt.
2.129. Blijkens het overzicht per 31 december 2014, door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als productie 32 bij akte na tussenvonnis in het geding gebracht, is de rente over de jaren 2008 tot en met 2012 van € 16.258,- bij de hoofdsom van € 75.044,- opgeteld. In het overzicht is immers vermeld dat het saldo per 31 december 2012 aan “onbetaalde huren” € 91.302,- bedraagt. Op het overzicht (hiervoor al aangeduid als meerjarenoverzicht) dat als bijlage bij de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] als productie 9 bij akte na tussenvonnis in het geding gebrachte brief van [naam bestuurder] is gevoegd, is ditzelfde bedrag vermeld onder het kopje “verloop lening [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vóór correctie”. Bij gebrek aan aanknopingspunten die tot een andere conclusie leiden, gaat de rechtbank daarom ervan uit dat de schuld per 1 januari 2016 € 100.282,- bedroeg. Daarbij is blijkens het overzicht, net als bij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , vanaf enig moment gerekend met een rente van 2% in plaats van 3% per jaar. Hiervan uitgaande bedraagt de schuld per 1 januari 2017 (afgerond) € 102.288,- en per 1 januari 2018 € 104.334,-. Met dit laatste bedrag wordt, in het geval het oordeel over de gestelde schadevergoedingsvordering ter zake het voorkeursrecht daartoe noopt, bij eindvonnis rekening gehouden.
De legaten voor de kleinkinderen, waaronder het het legaat aan [eiser in conventie sub 4] en zijn (eventuele) schuld aan de nalatenschap
2.130. De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat het op de weg van [naam executeur] ligt om inzage te geven in de wijze waarop de geldstromen bij het uitkeren van de legaten aan de kleinkinderen zijn verlopen. [naam executeur] heeft deze toelichting bij brief van 13 april 2022 gegeven (productie 8 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en productie 29 bij akte na tussenvonnis van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ):
“(…) In totaal zijn er aan drie (klein)kinderen legaten toegekend van € 100.000 per
kleinkind. Het gaat om [eiseres in conventie sub 3] , [eiser in conventie sub 4] (dit betreft de kinderen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) en om [eiser in conventie sub 2] (de zoon van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). Over de legaten is geen rente uitgekeerd.
Deze bedragen zijn als volgt betaald aan de navolgende personen:
[eiseres in conventie sub 3]
[eiser in conventie sub 4]
[eiser in conventie sub 2]
€ 50.000 in september 2020
€ 50.000 in september 2020
€ 50.000 in september 2020
€ 14.805,00 op 31 oktober 2020
€ 35.667,00 op 31 oktober 2020
€ 35.667,00 op 31 oktober 2020
€ 14.333 in januari 2022
aan successierechten aan de fiscus
€ 14.333 in januari 2022 aan successierechten aan de fiscus
€ 14.333 in januari 2022 aan successierechten aan de fiscus
€ 19.497,00 en
€ 1.365,00
verrekening met
studieschuld
Voor wat betreft de studieschuld van [eiseres in conventie sub 3] geldt dat deze per 31 december 2014 € 19.497,00 inclusief rente bedroeg. Ik verwijs naar het overzicht dat bijgevoegd is als bijlage 2A. Overigens is ervoor een deel van deze schuld ook een schriftelijke overeenkomst die ik bijvoeg als bijlage 2B.
De rente vanaf 31 december 2014 tot en met datum overlijden van de oma van mevrouw [eiseres in conventie sub 3] bedraagt € 1.365,00. Dit betekent dat het totale te verrekenen bedrag € 20.862,00 bedroeg. Dit is in mindering gebracht op het legaat, evenals de succesrechten.
Het overeengekomen rentepercentage bedraagt 2%. (…)”.
2.131. Geen van partijen heeft hierbij kanttekeningen geplaatst, zodat van de juistheid van deze informatie wordt uitgegaan.
1. Een (mogelijk) tekort van de nalatenschap
2.132. Tussen partijen is niet in geschil dat, als blijkt dat de nalatenschap een tekort heeft en de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap uit hoofde van het vooroverlijden van vader niet kunnen worden voldaan, de reeds uitgekeerde legaten dienen te worden verminderd op de voet van artikel 4:120 BW. Gelet op het feit dat ter zake de legaten geen vorderingen zijn ingesteld en een eventuele vermindering daarvan geen onderwerp is van deze procedure, zal de rechtbank het bij deze constatering laten. Bovendien kan op dit moment (nog) niet worden beoordeeld of sprake is van een tekort en zo ja van welke omvang. Nadat eindvonnis is gewezen, kunnen partijen in onderling overleg bezien of vermindering van de legaten aan de orde is.
2. De lening van [eiser in conventie sub 4]
2.133. Bij tussenvonnis is geoordeeld dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over het bestaan van een lening aan [eiser in conventie sub 4] en de (al dan niet geschiedde) terugbetaling ervan niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Deze gang van zaken leidt ertoe dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat [eiser in conventie sub 4] in of na 2007 € 42.000,- heeft geleend van vader en moeder (zijn grootvader en grootmoeder).
2.134. De rechtbank heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in de gelegenheid gesteld zich enkel uit te laten over de (eventuele) aflossing van de genoemde lening door [eiser in conventie sub 4] . [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft ondanks het verzoek van de rechtbank echter toch verzocht om op het oordeel terug te komen dat sprake is van een geldlening aan [eiser in conventie sub 4] van (groot)vader en (groot)moeder.
2.135. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vindt niet dat van deze bindende eindbeslissing kan worden teruggekomen, omdat geen nieuwe informatie naar boven is gekomen die niet eerder kon worden gegeven.
2.136. De rechtbank verwijst naar het hiervoor onder r.o. 2.14. in een ander verband al geschetste toetsingskader. In de zaak die heeft geleid tot het hiervoor onder r.o. 2.14. al genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2015, was een bij memorie van grieven ingenomen stelling bij memorie van antwoord niet weersproken. Pas na het (eerste) tussenarrest van het hof heeft eiseres in cassatie dat wel gedaan, terwijl zij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij dat niet eerder had kunnen doen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld: “Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een door het hof begane feitelijke of juridische misslag, nu de gegeven beslissing dat de gemeente de woning als bedrijfswoning heeft aanmerkt is gegrond op de desbetreffende stelling van [verweerder] in de memorie van grieven, die door [eiseres] in de memorie van antwoord niet is weersproken. [eiseres] bestrijdt ook niet dat zij bedoeld standpunt van [verweerder] in de memorie van antwoord niet heeft weersproken, maar stelt dat zij dat alsnog bij akte doet.
Het hof overweegt dat, nu in hoger beroep in beginsel slechts plaats is voor het nemen van een conclusie van eis (memorie van grieven) en een memorie van antwoord, een geïntimeerde het verweer dat hij wil voeren volledig in de memorie van antwoord moet opnemen. [eiseres] heeft in dit geval pas nadat het hof vorenbedoelde eindbeslissingen had gegeven, bij akte betwist dat de woning als bedrijfswoning moet worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat [eiseres] bedoeld standpunt ook in de memorie van antwoord had kunnen innemen. (…)Het hof acht het daarom en gelet op het standpunt van [verweerder], in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van een goede procesorde om alsnog rekening te houden met het onderhavige standpunt van [eiseres] dat de woning als burgerwoning moet worden aangemerkt. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat daardoor een beslissing in stand wordt gelaten die, gelet op de betwisting door [verweerder] mogelijkerwijs, niet berust op juiste feiten. Het hof zal daarom niet tot heroverweging van de onderhavige beslissing overgaan.”
2.137. De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld: “Aldus heeft het hof de rechtens juiste maatstaf aangelegd (zie het arrest van 25 april 2008). Ook het door hem aan de hand van deze maatstaf gegeven oordeel is juist. Indien een geïntimeerde voor het eerst een verweer voert nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan een bindende eindbeslissing omtrent een geschilpunt heeft gegeven, terwijl hij dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en het mede ertoe strekt dat het hof terugkomt van die eindbeslissing, handelt hij in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel. Dit geldt ook voor een geval als het onderhavige, waarin dat nieuwe verweer niet kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (zie ook rov. 2.4.4, slot, van het arrest HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 ([…]/[…])”.
2.138. In dit geval doet zich hetzelfde voor als in de zaak die heeft geleid tot het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Pas na tussenvonnis heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over de lening van [eiser in conventie sub 4] van zijn grootouders gemotiveerd weersproken. Ook hier geldt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dit verweer al eerder had kunnen en moeten voeren. Feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel zijn door haar in ieder geval niet aangedragen. De rechtbank zal dus niet terugkomen op de bij tussenvonnis genomen beslissing over het door [eiser in conventie sub 4] van zijn grootouders geleende bedrag. Als een partij deze beslissing ter discussie wil stellen, zal hij, nadat eindvonnis is gewezen, hiertoe een rechtsmiddel moeten aanwenden.
2.139. Gelet op het voorgaande en op het feit dat de rechtbank constateert dat bij akte na tussenvonnis geen gegevens in het geding zijn gebracht waaruit blijk dat die lening geheel of gedeeltelijk is afgelost, concludeert de rechtbank dat tot de nalatenschap behoort een vordering van € 42.000,- op [eiser in conventie sub 4] .
De vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap van moeder uit hoofde van de “vadersdelen” en de schenkingen aan hen door hun moeder
2.140. Ten slotte verdient, gelet op r.o. 4.49. en volgende van het tussenvonnis, de omvang van de schuld van de nalatenschap van moeder uit hoofde van erfdelen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de nalatenschap van vader én de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap van moeder uit hoofde van schenkingen op papier, bespreking.
2.141. Bij tussenvonnis (r.o. 4.47.) heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de “vadersdelen” € 308.730,- per persoon bedragen. Bij akte na tussenvonnis betoogt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] echter dat de nalatenschap van vader € 119.749,- “groter” is dan de aangifte successiebelasting vermeldt, omdat, zo begrijpt de rechtbank [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , moet worden aangenomen dat het al eerder in dit vonnis besproken bedrag van € 219.504,- er ten tijde van het overlijden van vader op [overlijdensdatum] 2008 al moet zijn geweest. De rechtbank volgt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierin niet. Het feit dat het bedrag op 5 januari 2010, vóór de verkoop van het huis in Spanje, op de bankrekening bij Fortis ABN Amro bank eindigend op [rekeningnummer 5] stond, is hiervoor onvoldoende. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] werpt de vraag op waar moeder “plots” al dat geld vandaan zou moeten hebben al het er bij overlijden van vader niet zou zijn geweest, maar het opwerpen van die vraag kwalificeert niet als een deugdelijk onderbouwde stelling. Dit klemt te meer nu om en nabij anderhalf jaar is gelegen tussen het overlijden van vader en 5 januari 2010, het moment waarop het bedrag kennelijk voor het eerst op een bankrekening is aangetroffen. De rechtbank gaat daarom hieraan voorbij en komt niet terug op hetgeen bij tussenvonnis over de omvang van de “vadersdelen” is geoordeeld.
2.142. Verder heeft de rechtbank bij tussenvonnis (r.o. 4.49.) geoordeeld dat [naam executeur] moet toelichten (a) hoe hij de omvang van de schuld uit hoofde van de ‘vadersdelen’ heeft berekend en waarom hij dit aldus heeft gedaan, (b) of deze wijze van berekenen naar zijn opvatting in overeenstemming is met het testament van vader, en zo ja, waarom, en zo neen, waarom hij niettemin aldus heeft gerekend, (c) of, als een andere wijze van rekenen - al dan niet bij nader inzien - wel (of meer) in overeenstemming is met het testament van vader, hoe groot de schulden aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dan zijn.
2.143. [naam executeur] heeft de door de rechtbank gevraagde toelichting gedeeltelijk gegeven. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft in dat kader gesteld dat de vraag hoe hoog de rente is niet veel uitmaakt, dat zij de op het testament gebaseerde stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over de indexering en de rente niet weerspreekt en dat de rechtbank kan uitgaan van de tekst van het testament. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betoogt naar aanleiding van de toelichting van [naam executeur] dat zijn berekening nog steeds verkeerd is, onder andere omdat hij geen rekening houdt met de indexering en omdat hij ter zake de overlijdensdatum van moeder een verkeerde datum hanteert. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] becijfert ieders erfdeel, rekening houdend met de indexering en de rente, op € 535.474,07 per persoon. De rechtbank leidt uit de daarbij gegeven toelichting af dat deze is gebaseerd op een oorspronkelijke hoofdsom, na aftrek van de verschuldigde successiebelasting, van € 308.730,- per persoon.
2.144. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een nieuwe stelling betrokken over zijn eigen berekening. Hij heeft gesteld dat de rente verschuldigd is tot aan de dag van uitbetaling en niet tot aan de datum van overlijden van moeder. Daarnaast dient de verschuldigde successiebelasting pas ná betaling in mindering te worden gebracht, in plaats van vóór betaling zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] klaarblijkelijk in zijn berekening heeft gedaan. Deze nieuwe stelling is te laat ingenomen, zodat deze alleen al hierom buiten beschouwing blijft. Afgezien daarvan heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet geconcretiseerd wat een en ander betekent voor zijn berekening, zodat - zo wel met deze stelling rekening zou worden gehouden - dit niet tot een ander oordeel zou leiden.
2.145. Gelet hierop en op het feit dat de juistheid van de bij akte na tussenvonnis door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gemaakte berekening door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet is betwist, zal de rechtbank bij eindvonnis ter zake de omvang van de schulden van de nalatenschap van moeder uit hoofde van de “vadersdelen” van dit bedrag uitgaan. Vanzelfsprekend staat het [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vrij om bij de afwikkeling die naar aanleiding van het eindvonnis moet plaatsvinden, als zij hierover overeenstemming hebben (waar het wel op lijkt aangezien ook [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich op het standpunt stelt dat een en ander conform het testament moet gebeuren), alsnog op dit punt een herberekening te maken.
2.146. Voor de vorderingen op de nalatenschap uit hoofde van schenkingen die op papier zijn gedaan, geldt het volgende. Bij tussenvonnis (r.o. 4.50.) is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de nalatenschap van moeder bedragen is verschuldigd aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit hoofde van schenkingen die door moeder in 2019 (dit jaartal zal een vergissing zijn, gelet op de overlijdensdatum van moeder, blijkens de vermogensopstelling van 30 maart 2021 gaat het om schenkingsovereenkomsten van 30 december 2009) zijn gedaan van € 21.075,- aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en € 19.415,- aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Hierover bestaat nog steeds overeenstemming, zodat hiermee bij eindvonnis rekening wordt gehouden.
2.147. Hiervoor is in het kader van de bespreking van de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] al aan de orde geweest dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vindt dat rekening moet worden gehouden met uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten aan hem en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verschuldigde rente. De rechtbank verwijst naar hetgeen in dat kader is geoordeeld (r.o. 2.100. van dit vonnis). Bij eindvonnis wordt dus uitsluitend rekening gehouden met een vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten van € 21.075,- ( [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) en € 19.415,- ( [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) en niet ook met al dan niet aan hen verschuldigde rente.
2.148. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] is bij tussenvonnis (r.o. 4.52.) in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over haar betwisting naar aanleiding van de stellingen die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de zaak met zaaknummer 294855 heeft ingenomen over de schenkingen die volgens hem moeten worden afgeboekt op de schuld van € 65.000,- in hoofdsom (hiervoor aan de orde geweest) die hij aan vader en moeder in privé had. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gaat het om een bedrag van € 25.100,- netto in 2013 en om een bedrag van € 20.255,- in 2013 en een bedrag van € 14.650,- in 2014. De rechtbank gaat ervan uit dat ook laatstgenoemde bedragen “netto” bedragen zijn. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft namelijk niet betwist dát de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gestelde schenkingen zijn gedaan, maar zij heeft wel betwist dat alle schenkingen in mindering strekken op de schuld van in hoofdsom € 65.000,-.
2.149. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft die toelichting niet gegeven. Zij heeft in dit kader niet meer gesteld dan dat alle door [naam boekhouder 1] genoemde schenkingen juist zijn en in mindering zijn gebracht op de schulden. Voor zover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] hiermee wil betogen dat de betreffende bedragen al in mindering zijn gebracht op de schuld die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in privé aan vader en moeder had, slaagt dat betoog niet. Bij de berekening van de omvang van de schuld, waarvan niet ter discussie staat dat deze in hoofdsom € 65.000,- bedroeg, is immers enkel rekening gehouden met de daarover verschuldigde rente. Dit brengt, gelet op het feit dat hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ter zake deze schuld aan de nalatenschap is verschuldigd een bedrag van € 65.000,- te vermeerderen met rente tot en met 31 december 2012 (38 x € 281,67 = € 10.703,46), aldus in totaal € 75.703,46, mee dat daarop in mindering strekken € 25.100,-, € 20.255,- en € 14.650,-. Dat leidt ertoe dat bij eindvonnis ter zake de schuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de nalatenschap uit hoofde van de lening van in hoofdsom € 65.000,- in privé, rekening wordt gehouden met een bedrag van (afgerond) € 15.698,-, dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ter zake déze schuld nog aan de nalatenschap is verschuldigd.
2.150. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] is daarnaast in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag op welke leningen [naam boekhouder 1] doelt in zijn e-mails van 28 september 2020. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft zich hierover uitgelaten en gesteld dat [naam boekhouder 1] daarmee doelt op één lening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en twee leningen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , de schuld van € 65.000,- in privé en de schuld van de [naam bv 2] . van volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] € 220.514,-. Deze onderwerpen zijn, net als de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , uitgebreid besproken en beoordeeld. De rechtbank laat een en ander voor wat het is. Er is in ieder geval geen aanknopingspunt om aan te nemen dat er naast deze schulden nog andere schulden zijn waarmee bij de afwikkeling van de nalatenschap rekening moet worden gehouden.
Slotsom
2.151. Al het voorgaande leidt tot het volgende:
Schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] :
- In het geval na de laatste mondelinge behandeling nog aflossingen hebben plaatsgevonden dan wel na dit vonnis nog aflossingen plaatsvinden, dient [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat bij de door haar te nemen akte onderbouwd en gedocumenteerd inzichtelijk te maken, waarna [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierop zal kunnen reageren. De rechtbank acht het aangewezen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich hierover uitlaat in de door haar nadat de vereffening van de B.V. is voltooid, te nemen akte. De te nemen akten dienen uiterlijk twee weken voor indiening te zijn uitgewisseld, zodat partijen in de door hen te nemen akten gelijktijdig in kunnen gaan op de akte van de ander.
Vereffening van [naam bv 1] :
- de B.V. moet worden ontbonden en vereffend. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden in gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de waarde van het nominaal aandelenkapitaal na vereffening. Dit kapitaal treedt namelijk in de plaats van de tot de nalatenschap behorende aandelen en dient alsdan in de verdeling daarvan te worden betrokken. Aangezien de rechtbank inschat dat hiermee enige tijd gemoeid zal zijn, verwijst de rechtbank de zaak naar de rol van 13 augustus 2025, voor akte uitlating over de waarde van het nominaal aandelenkapitaal. In het geval de vereffening eerder is voltooid, kunnen partijen zich hiertoe eerder tot de rechtbank wenden.
Schadevergoedingsvordering uit hoofde van voorkeursrecht:
- [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] wordt in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie in de zaak met zaaknummer 294855 ter zake de schadevergoedingsvordering die volgens hem is ontstaan, omdat moeder in strijd met een hem toekomend voorkeursrecht zou hebben gehandeld en het in dat kader gedane beroep op verrekening van die vordering met de in de afwikkeling van de nalatenschap te betrekken schuld van de [naam bv 2] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal in de gelegenheid worden gesteld daar weer op te reageren. Hij dient dat gelet op de uitwisseling van de akten voor indiening daarvan, meteen bij de eerst door hem te nemen akte te doen.
3. De beslissing
De rechtbank:
draagt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op alles te doen wat nodig is om de ontbinding en vereffening van [naam bv 1] te bewerkstelligen en hiertoe alle benodigde medewerking te verlenen,
stelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de gelegenheid om zich uit te laten over hetgeen hiervoor onder r.o. 2.151. is overwogen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 13 augustus 2025,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
JC