RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11628888 \ CV EXPL 25-1738
Vonnis van de kantonrechter van 17 september 2025
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gedaagde partij in verzet,
gemachtigde DAS Rechtsbijstand
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam] B.V.,
statutair gevestigd te Venray en zaakdoende te Arnhem,
gedaagde partij,
eisende partij in verzet,
gemachtigde In-Kas Intermediair BV,
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:
het door de kantonrechter op 3 juli 2024 tussen [eiser] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 11153645 CV EXPL 3120;
de verzetdagvaarding van 29 maart 2025;
de conclusie van antwoord in verzet;
de conclusie van repliek in verzet.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
[eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 22.900,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
Bij verstekvonnis van 3 juli 2024 is de vordering aan [eiser] toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] vordert in het verzet te worden ontheven van de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordelingen en dat de vordering van [eiser] alsnog wordt afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
Het meest verstrekkende verweer van [eiser] is dat [gedaagde] niet tijdig in verzet is gekomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het verstekvonnis niet in persoon aan [gedaagde] is betekend. De vraag is dan of, en zo ja, wanneer [gedaagde] een daad van bekendheid als bedoeld in artikel 143 Rv heeft verricht waaruit blijkt dat het vonnis hem bekend was. Overwogen wordt als volgt.
Als maatstaf voor een daad van bekendheid heeft te gelden dat de veroordeelde enige daad heeft gepleegd ‘waaruit ondubbelzinnig voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is’. De veroordeelde moet zelf een handeling hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de veroordeelde bekend is met de eiser(s), de vordering, de veroordeling jegens wie en het gerecht waardoor hij is veroordeeld; kortom met de hoofdinhoud van het vonnis. Van de veroordeelde die bekend raakt met deze inhoud van een tegen hem gewezen verstekvonnis mag verwacht worden dat hij het vonnis zelf ook tracht te verkrijgen om te controleren of hij wel met alle essentiële onderdelen van de veroordeling op de hoogte is. Daarom moet, als hij dat nalaat, voor zijn risico blijven dat hij niet bekend is met onderdelen van de veroordeling.
Uit de overgelegde stukken volgt dat er ná de (derden)beslaglegging op 17 januari 2025 op 30 januari 2025 contact is geweest tussen [gedaagde] en de deurwaarder. Dit heeft geresulteerd in een brief van de deurwaarder van 6 februari 2025, waarin [gedaagde] is medegedeeld de hoogte van de vordering, de eiser daarvan en degene jegens wie de vordering zich richt. Hoewel [gedaagde] stelt dat de verzettermijn daarmee niet is gaan lopen omdat hij nog niet beschikte over het verstekvonnis zelf en/of het inleidend processtuk, had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [gedaagde] gelegen om op dat moment nadere informatie op te vragen bij de deurwaarder. Dat zij dit eerst heeft gedaan bij brief van haar advocaat op 17 maart 2025 moet voor haar risico komen. De termijn om verzet te doen was ten tijde van het verzet-exploot dan ook verstreken. [gedaagde] is daarom niet ontvankelijk in haar verzet.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 543,00 aan salaris gemachtigde.
4. De beslissing
De kantonrechter
verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in haar verzet,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 543,00, voor gemachtigdensalaris,
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.
type: ksf
coll: