ECLI:NL:RBLIM:2026:10022

ECLI:NL:RBLIM:2026:10022

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 03.037619.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Veroordeling wegens het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, 4-MMC, hasjiesj, hennep en ketamine. De verdachte heeft bekend dat hij de verdovende middelen en ketamine opzettelijk aanwezig heeft gehad in de woning van zijn broer. Geen sprake van medeplegen. Oplegging van een gevangenisstraf van 13 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.037619.26

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 september 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 2000,

thans gedetineerd in [naam PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03-037624-26.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 5 februari 2026 te Schinveld:

Feit 1: samen met een of meer anderen 633,13 gram MDMA en/of 119,7 gram MDMA en/of 4-MMC opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 2: samen met een of meer anderen 448,2 gram hasjiesj en/of 7075,5 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 3: samen met een of meer anderen 1.862,71 gram ketamine HCI, waarvoor geen handelsvergunning gold, al dan niet opzettelijk in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld (primair), dan wel deze zonder registratie al dan niet opzettelijk in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden of daarin een groothandel heeft gedreven (subsidiair).

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de tenlastegelegde middelen onder feit 1 en feit 2 opzettelijk aanwezig heeft gehad. Deze middelen zijn aangetroffen in de woning van de broer van de verdachte, waar de verdachte zich op 5 februari 2026 bevond. Uit de bekennende verklaring van de verdachte blijkt dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van deze middelen in de woning en dat hij daarover beschikkingsmacht had. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij de door de raadsman gesignaleerde onduidelijkheden in de nummering en monsterkoppeling onderkent, maar dat naar haar oordeel uit het dossier voldoende blijkt op welke aangetroffen middelen de onderzoeksresultaten van het NFI betrekking hebben. Ten aanzien van feit 3 komt de officier van justitie tot een bewezenverklaring van het in het subsidiaire feit tenlastegelegde ‘in voorraad hebben’. Uit het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd blijkt dat de onderzochte monsters voldoen aan het begrip ‘werkzame stof’ als bedoeld in de Geneesmiddelenwet. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van alle feiten is volgens de officier van justitie sprake van medeplegen, nu de medeverdachte [naam medeverdachte] eveneens wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning en daarover beschikkingsmacht had.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3, met dien verstande dat de ‘chain of custody’ ten aanzien van de MDMA uit slaapkamer 2 (feit 1) niet duidelijk is. De verdachte heeft bekend dat hij de betreffende goederen zelf in de woning heeft gelegd, hij wist van de aanwezigheid daarvan en had daarover beschikkingsmacht. De raadsman heeft zich echter wel op het standpunt gesteld dat de in het proces-verbaal genoemde monsternummers niet terug te vinden zijn in het NFI-rapporten met betrekking tot MDMA, waardoor niet duidelijk is welke specifieke monsters door het NFI zijn onderzocht. Daarnaast heeft hij gewezen op een mogelijke verwisseling van de goednummers 1878033 en 1878036, waarbij de omschrijving van de goederen op verschillende plaatsen in het dossier niet met elkaar overeen lijkt te komen ten aanzien van de kleur en hoeveelheid. Daardoor is niet duidelijk welk goednummer betrekking heeft op de groene tabletten en welk goednummer op de bruinige blokken. Van medeplegen is volgens de raadsman geen sprake, omdat de medeverdachte [naam medeverdachte] geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning en daarover geen beschikkingsmacht had. Tot slot heeft de raadsman het verzoek gedaan om de personen die de MMA-melding hebben gedaan als getuige te horen.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman namens hem geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk 633,13 gram MDMA en 119,7 gram 4-MMC aanwezig heeft gehad, op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2026;

de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1] over het aantreffen van de middelen op 5 februari 2026;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen;

- de deskundigenrapporten van het NFI.

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat de raadsman terecht heeft opgemerkt dat in de NFI-rapporten op pagina’s 212 tot en met 215 van het dossier de goednummers in plaats van de monsternummers worden genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende duidelijk dat het door het NFI onderzochte materiaal afkomstig is uit dezelfde partijen als waaruit de monsters zijn genomen. Uit de rapporten blijkt dat het NFI materiaal afkomstig van de volgende partijen heeft getest: AARP7406NL, AARP7407NL, AARP7408NL en AARP7409NL. Uit het dossier blijkt verder dat van ieder van deze partijen één monster is genomen. De partijen AARP7406NL en AARP7407NL zijn gesplitst uit een partij met SIN AAT00304NL (goednummer 1878033) en de partijen AARP7408NL en AARP7409NL uit een partij met SIN AAT00305NL (goednummer 1878036). De partijen met goednummers 1878033 en 1878036 zijn op 5 februari 2026 in slaapkamer 2 van de woning inbeslaggenomen. Dat de afzonderlijke monsternummers niet in het NFI-rapport zijn vermeld, maakt dus niet dat onduidelijk is wat door het NFI is getest. De rapporten vermelden immers wel de uitgesplitste SIN-nummers en de bijbehorende hoeveelheden. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij.

Ten aanzien van de door de raadsman genoemde onduidelijkheid met betrekking tot de goednummers 1878033 en 1878036 bij de foto’s op pagina’s 183 en 184 van het dossier constateert de rechtbank dat bij de foto’s van de groene tabletten inderdaad goednummer 1878033 wordt genoemd en bij de foto’s van de bruinige blokken goednummer 1878036. Uit de overige stukken in het dossier blijkt echter duidelijk dat goednummer 1878033 aan de bruinige blokken is gekoppeld en goednummer 1878036 aan de groene pillen. De goednummers zijn dus uitsluitend op het fotoblad op pagina 183 en 184 van het dossier met elkaar verwisseld. Uit de NFI-rapporten blijkt bovendien dat zowel het onder goednummer 1878033 als het onder goednummer 1878036 onderzochte materiaal MDMA bevat. Daarnaast komen de in het dossier vermelde hoeveelheden van de tabletten en blokken overeen met de hoeveelheden die in de NFI-rapporten worden genoemd. De omstandigheid dat op het fotoblad kennelijk een onjuiste aanduiding van de goednummers is opgenomen, brengt daarom niet mee dat de resultaten van het NFI-onderzoek niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de herkomst of identificatie van het door het NFI onderzochte materiaal en zal daarom ook voorbij gaan aan dit verweer van de raadsman.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman namens hem geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk 448,2 gram hasjiesj en 7075,5 gram hennep aanwezig heeft gehad, op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2026;

de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1] over het aantreffen van de middelen op 5 februari 2026;

- de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 2] met betrekking tot de indicatieve test;

- de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 2] met betrekking tot de indicatieve test.

Vrijspraak feit 3 primair

De rechtbank is, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde. Uit de productbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd blijkt dat de aangetroffen substanties voldoen aan het begrip ‘werkzame stof’. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat sprake is van geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 primair tenlastegelegde.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman namens hem geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder registratie opzettelijk 1.862,71 gram ketamine HCI als werkzame stof in voorraad heeft gehad, op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2026;

de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1] over het aantreffen van dit middel op 5 februari 2026;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen;

- de deskundigenrapporten van het NFI;

- de productbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd;

- de bevoegdheidsbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Vrijspraak voor medeplegen met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 subsidiair

De rechtbank zal de verdachte met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten vrijspreken van het medeplegen. De medeverdachte [naam medeverdachte] was op 5 februari 2026 aanwezig in de woning, maar zowel de verdachte als [naam medeverdachte] hebben verklaard dat [naam medeverdachte] geen wetenschap van de in de woning aangetroffen middelen had. Op basis van het dossier kan ook niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat zij die wetenschap had. De rechtbank stelt allereerst vast dat van een groot deel van de in de slaapkamers aangetroffen middelen niet duidelijk is waar(in) deze zich precies bevonden. Hoewel een deel van die middelen volgens het dossier zichtbaar in slaapkamer 1 lag, blijkt uit het dossier niet welke middelen dan zichtbaar waren, waar deze middelen dan precies lagen en in hoeverre deze voor de medeverdachte zichtbaar waren. Uit het aanvullende proces-verbaal dat is opgemaakt om hierover duidelijkheid te verschaffen, volgt alleen dat in slaapkamer 1 afgesloten sporttassen werden aangetroffen die zich achter het bed uit het directe zicht bevonden. Van de hennep die in slaapkamer 2 in een kast met half open deuren is aangetroffen, is evenmin duidelijk in hoeverre deze hennep voor de medeverdachte zichtbaar was. De foto van deze kast (foto 50, pagina 61) schept hierover geen duidelijkheid. En uit het dossier volgt ook niet dat daar een hennepgeur waarneembaar was, waaruit wetenschap van de aanwezigheid van de hennep zou kunnen worden afgeleid. Wat de ketamine betreft, volgt uit het dossier dat deze in de kast op de overloop en in een nachtkastje op slaapkamer 3 lag. Voor de kast geldt dat deze gesloten was, hetgeen met zich meebrengt dat de ketamine niet direct zichtbaar was. Voor het nachtkastje geldt dat naast het zakje met ketamine het rijbewijs van de medeverdachte lag, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat – als zij al zag dat dat zakje daar lag, tussen allerlei andere rommel die op de foto’s te zien is – zij wist of had kunnen vermoeden dat de inhoud van dat zakje ketamine betrof. Nu niet kan worden vastgesteld dat de medeverdachte wetenschap had van de verdovende middelen in de woning, kan ook niet worden vastgesteld dat zij en de verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt. Van medeplegen is daarom geen sprake.

Verzoek tot het horen van getuigen

Nu de rechtbank de MMA-melding niet voor het bewijs bezigt, ziet zij geen noodzaak tot het horen van de melders als getuige en wijst zij het verzoek van de raadsman dan ook af.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. feit 1:

op 5 februari 2026 te Schinveld opzettelijk aanwezig heeft gehad 633,13 gram (495,04+32,83+103,21+2,05) van een materiaal bevattende MDMA en 119,17 gram van een materiaal bevattende mefedron, zijnde MDMA en 4-MMC, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

T.a.v. feit 2:

op 5 februari 2026 te Schinveld opzettelijk aanwezig heeft gehad 448,2 gram (109,7+325,8+12,7) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en 7.075,5 gram (231,5+5464+1380) hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

T.a.v. feit 3 subsidiair:

op 5 februari 2026 te Schinveld opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten 1.862,71 gram (616,2+789,04+457,47) van een stof bevattende (vrijwel) zuivere ketamine HCI in voorraad heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3 subsidiair:

overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden uit het reclasseringsadvies van 24 augustus 2026. Voor het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden harddrugs worden in beginsel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Ook voor het aanwezig hebben van ketamine dient volgens de jurisprudentie aansluiting te worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) voor harddrugs. Uitgaande van hoeveelheden van ongeveer 750 gram harddrugs en bijna twee kilogram ketamine wordt bij de straftoemeting uitgegaan van ongeveer 9 maanden gevangenisstraf. Voor de aanwezige hoeveelheid softdrugs geldt een oriëntatiepunt van ongeveer 4 maanden. Strafverzwarend wordt geacht dat de verdachte volgens zijn eigen verklaring de drugs heeft opgehaald, vervoerd en neergelegd en daarvoor geld ontving.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de duur van het voorarrest op de dag van de uitspraak. Het is niet passend om strafverzwarend mee te wegen dat de verdachte meer heeft bekend dan hetgeen hem ten laste is gelegd. Uitgaande van de LOVS-oriëntatiepunten dient te worden uitgegaan van een gevangenisstraf van 13 maanden. Gelet op het feit dat de verdachte heeft aangegeven open te staan voor toezicht van de reclassering, zou een deel van deze straf voorwaardelijk moeten worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich op 5 februari 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hard- en softdrugs en het in voorraad hebben van ketamine in de woning van zijn broer. Volgens de verklaring van de verdachte bewaarde hij deze middelen voor een ander om zijn schuld aan deze persoon af te lossen. De rechtbank stelt vraagtekens bij deze verklaring. De verdachte heeft hier namelijk wisselend over verklaard. Zo heeft hij eerder verklaard dat hij voor het bewaren van de drugs € 100,- per week kreeg en dat hij het in de woning aangetroffen bedrag van € 4.090,- hiervan heeft gespaard. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte echter dat hij de drugs pas kort voor 5 februari 2026 is gaan bewaren en dat het aangetroffen geld niet van hem was. Hoe dan ook: met zijn handelen heeft de verdachte zich ingelaten met het criminele drugsmilieu.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van hard- en softdrugs schadelijk is voor de volksgezondheid en bezwarend is voor de samenleving. De handel in en het gebruik van verdovende middelen gaan bovendien veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit en overlast. Door de verdovende middelen voorhanden te hebben en in de woning te bewaren, heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Ook ten aanzien van het aanwezig hebben van ketamine kan volgens vaste rechtspraak aansluiting worden gezocht bij deze oriëntatiepunten. Voor het aanwezig hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid harddrugs en ketamine geldt bij de straftoemeting als uitgangspunt een gevangenisstraf van 9 maanden. Voor het aanwezig hebben van de aangetroffen hoeveelheid softdrugs geldt daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van 4 maanden. Gezamenlijk wordt aldus uitgekomen op een gevangenisstraf van 13 maanden.

Uit het strafblad van de verdachte van 28 juli 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen jaren meerdere malen door de strafrechter is veroordeeld. De verdachte is echter niet eerder veroordeeld voor Opiumwet-gerelateerde feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 augustus 2026. Uit dit advies volgt dat het recidiverisico als gemiddeld wordt ingeschat, mede omdat de verdachte uiteindelijk zal terugkeren naar dezelfde omgeving. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, deelname aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, dagbesteding en beheersing van middelengebruik.

Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 13 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel bovenstaande bijzondere voorwaarden koppelen. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal op de straf in mindering worden gebracht.

De opgelegde straf wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding ziet om strafverzwarende omstandigheden mee te wegen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal voorts het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

7. Het beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de hieronder opgesomde inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaren, omdat dit voorwerpen zijn die tot het begaan van de tenlastegelegde misdrijven zijn bestemd als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht en niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren, te weten:

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de hieronder opgesomde goederen onttrekken aan het verkeer, omdat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet:

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende van de hieronder opgesomde goederen. Op basis van het huidige dossier kan niet met zekerheid worden vastgesteld wie als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het betreft de goederen:

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet.

9. De beslissing

Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Beslag

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegde feit;

- Meldplicht bij de reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25, 6224 LA Maastricht / telefoonnummer 088-8041502.

- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

- Ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door een ambulante begeleidingsorganisatie en indien geïndiceerd meewerkt aan diagnostiek en eventueel daaruit voortkomende behandeling bij Mondriaan Forensische Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- Dagbesteding

Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- Beheersing middelengebruik

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Voorlopige hechtenis

- heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf;

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- 2 STK Weegschaal, goednummer 1878042;

- 1 STK Tas, goednummer 1878046;

- 1.253 GR Sticker, goednummer 1878098;

- 27 STK Verpakkingsmateriaal, goednummer 1878100;

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- 231 GR Hennep, goednummer 1877972;

- 109 GR Hashish, goednummer 1877978;

- 5 GR Hennep, goednummer 1878026;

- 19 STK Verdovende Middelen, goednummer 1877999;

- 74 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878003;

- 74 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878013;

- 25 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878015;

- 39 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878020;

- 120 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878024;

- 5 STK Hashish, goednummer 1878030;

- 525 GR Amfetamine, goednummer 1878033;

- 1 STK Medicijn, goednummer 1878040;

- 1 STK Medicijn, goednummer 1878041;

- 109 GR Xtc, goednummer 1878036;

- 1.380 GR Hennep, goednummer 1878078;

- 12 GR Hashish, goednummer 1878087;

- 462 GR Medicijn, goednummer 1878073;

- 10 STK Verdovende Middelen, goednummer 1878106;

- 796 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878075;

- 623 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878090;

- 1.326 GR Medicijn, goednummer 1878112;

- 22 STK Medicijn, goednummer 1878122;

- 15 STK Cocaine, goednummer 1878131;

- 1 STK Verdovende Middelen, goednummer 1878141;

- 3 GR Verdovende Middelen, goednummer 1878136;

- gelast de bewaring van de volgende in beslag genomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende:

- 1 STK Fiets Atb;

- 1 STK Horloge;

- 1 STK Telefoontoestel;

- 1 STK Telefoontoestel;

- 1 STK Telefoontoestel;

- 1 STK Kentekenplaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. D.J.E. Hamers-Aerts en

mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 september 2026.

Mr. S.S. Vijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Schinveld, gemeente Beekdaelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 633,13 gram (495,04+32,83+103,21+2,05), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 119,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron en/of 4-methylmethcathinon zijnde MDMA en/of 4-MMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Schinveld, gemeente Beekdaelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 448,2 gram bruto (109,7+325,8+12,7), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 7075,5 gram bruto (231,5+5464+1380), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

T.a.v. feit 3 primair:

hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Schinveld, gemeente Beekdaelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten 1862,71 gram (616,2+789,04+457,47) van een stof bevattende (vrijwel) zuivere ketamine HCl in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld;

T.a.v. feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Schinveld, gemeente Beekdaelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 1862,71 gram (616,2+789,04+457,47) van een stof bevattende (vrijwel) zuivere ketamine HCl in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand