RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.082507.26 en 09.037803.24 (tul)
tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2004,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.S. Jordan, advocaat te 's-Gravenhage.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1 (primair): op 15 oktober 2025 samen met anderen [benadeelde 1] heeft opgelicht; subsidiair is dit ten laste gelegd in de vorm van medeplichtigheid;
Feit 2 (primair): op 15 oktober 2025 samen met anderen heeft geprobeerd om [benadeelde 2] op te lichten; subsidiair is dit ten laste gelegd in de vorm van medeplichtigheid.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht ten aanzien van beide feiten het primair ten laste gelegde bewezen. Daartoe heeft zij verwezen naar de aangiftes, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en de camerabeelden waaruit blijkt dat de auto die de verdachte die dag huurde in de buurt was van de plaatsen delict.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit, zowel van de primaire, als van de subsidiair ten laste gelegde variant. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor betrokkenheid van de verdachte bij de oplichtingen. Uit de verklaringen van [medeverdachte] blijkt niet dat de verdachte wetenschap had van de oplichtingen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht ten aanzien van beide feiten het primair ten laste gelegde bewezen. Zij zal eerst de bewijsmiddelen bespreken en vervolgens overwegen waarom zij de lezing van de verdachte niet volgt en waarom zij de verdachte als medepleger aanmerkt.
Op 15 oktober 2025 heeft [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] 1934) aangifte gedaan van oplichting. Zij heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Op 15 oktober 2026 omstreeks 14.00 uur werd ik gebeld op mijn vaste telefoon. Ik hoorde een mannelijke stem. Hij vertelde dat hij van de politie was en dat ze zojuist twee mensen aan hadden gehouden en mij wilde waarschuwen. De mensen hadden namelijk sieraden gestolen in een flat. De man vertelde dat er dadelijk een echte politieagent aan de deur kwam. Deze zou met mij willen praten en mij willen waarschuwen wat er was gebeurd. De man vroeg aan de telefoon of ik waardevolle spullen in mijn woning had. Ik gaf aan dit niet te hebben, dat ik enkel wat tientjes in de portemonnee zou hebben. Toch zou hij iemand langs sturen om met mij te praten. Ik denk dat ik wel bijna twee uur aan de lijn heb gehangen. De politieagent zou [naam 1] heten die aan mijn deur zou komen. Hij gaf mij een code waaraan ik kon controleren of [naam 1] ook echt aan de deur kwam. De code betreft 105902. Omstreeks 15.20 uur kwam er een jongedame die zich uitgaf als politieagent in burger aan mijn deur (woning gelegen aan [adres 2] ). Ze stelde zich voor als zijnde [naam 1] van de politie in Venlo. [naam 1] maakte overal foto's van in mijn woning. Onder andere van mijn ringen, kistje met sieraden, kettingen, mijn geld en van de meterkast. Ze vroeg mij om mijn ringen af te doen en hielp mij hierbij. Dit lukte uiteindelijk niet. Hierna zag ze dat ik twee gouden kettingen om had. Eén ketting is een aandenken van mijn moeder. [naam 1] vroeg aan mij of ik de kettingen wilde afdoen. Dit lukte mij niet en daarop heeft [naam 1] mij geholpen om beide kettingen af te doen. [naam 1] heeft de kettingen gepakt en de woning verlaten.
Op 18 oktober 2025 heeft [benadeelde 1] een aanvullende aangifte gedaan, inhoudende onder meer:
Op 15 oktober 2025 kwam er een jonge dame aan de deur die zich uitgaf als zijnde politieagent [naam 1] . [naam 1] heeft toen foto’s van mijn sieraden gemaakt op mijn slaapkamer. Onder andere van de sieraden op een tafeltje, zijnde een gouden arm-band en een gouden ring. Een dag later wilde ik mijn gouden armband en gouden ring omdoen, die daarvoor op het tafeltje lagen. Ik zag toen dat de gouden armband en de gouden ring weg waren. Ik heb niet gezien wie dit gedaan heeft, maar dit kan door niemand anders gedaan zijn dan door [naam 1] . De armband is van mijn overleden zus en daardoor van emotionele waarde.
Op 15 oktober 2025 is aangifte gedaan van poging tot oplichting door [benadeelde 2] . Zij heeft – zakelijk weergegeven - als volgt verklaard:
Pleegplaats/pleegdatum: [adres 3] , 15 oktober 2025.
Ik hoorde dat omstreeks 14.15 uur onze vaste huistelefoon overging. Ik pakte de telefoon op en nam de oproep aan. Ik hoorde dat de personen zich voorstelden als [naam 2] en [naam 3] . Ik hoorde de mannen vragen of wij thuis goud, zilver of geld hadden. Ik gaf aan dat wij wel wat hadden liggen. Ik hoorde tijdens het gesprek dat een collega naar de woning kwam. Ik hoorde dat de mannen met mij een code afspraken, de code was 105902. Ik hoorde de mannen zeggen dat een collega aan de deur kwam. Terwijl ik nog in gesprek was met de mannen hoorde ik dat de deurbel ging. Ik hing de telefoon op. Ik hoorde omstreeks 14.20 uur, dat eerst de deurbel ging van de centrale hal en na een paar minuten werd er aangebeld bij de voordeur. Ik zag dat mijn man naar de deur liep, ik liep achter hem aan. Ik zag dat mijn man de deur opende. Ik zag dat voor de deur een meisje stond en vertelde de code 105902. Ik hoorde het meisje zich voorstellen als [naam 1] . Ik zag dat het meisje naar binnen probeerde te komen. Ik hoorde mijn man zeggen dat ze er niet in kwam en dat ze weg moest gaan. Ik zag dat het meisje weg liep in de richting van de lift.
Op 15 oktober 2025 omstreeks 19:45 uur ter hoogte van toerit N279 bij [adres 4] heeft de politie een voertuig staande gehouden wegens een forse snelheidsovertreding. De bestuurder bleek na controle van het rijbewijs de verdachte te zijn. Omdat de snelheidsovertreding meer dan 50 km per uur was, is zijn rijbewijs ingevorderd. Op de passagiersstoel zat een jonge dame. Zij kon niet verder rijden, omdat ze geen rijbewijs heeft. De verdachte gaf aan dat hij een taxi moest regelen om terug te gaan naar Den Haag.
S. [medeverdachte] heeft bij de politie op 19 maart 2026 onder meer het volgende verklaard:
V: Wil je verder nog iets toevoegen aan je verklaring?A: Ja, het is overduidelijk dat ik het wel ben geweest. Dat ik met hem ben teruggereden in de auto klopt ook niet. Achteraf wist ik dat het niet klopte. Dat was mijn eigen domme fout maar ik vertrouwde hem blindelings.
V: Je zegt dat het niet klopt dat je met hem bent meegereden naar Den Haag, hoe is het dan gegaan?A: We kregen een stopteken, toen ben ik opgehaald. Ik ben niet met hem teruggereden naar Den Haag. Hij reed te hard en toen werden we aan de kant gezet. Toen mocht hij niet verder rijden en toen heb ik mijn neefjes gebeld en die hebben mij opgehaald.V: Dan gaat het dus om die controle waar we het eerder over gehad hebben. Bij de N weg?
A: Ja. Daar hebben ze zijn rijbewijs ingenomenV: Je bent wel op beide adressen aan de deur geweest?A: Ja.V: Hoe kwam je aan de code die je moest zeggen?A: Die heb ik doorgekregen.
V: Je hebt geen rijbewijs. Hoe ben je in Venlo gekomen?
A: Met de auto.
V: Was dat die auto waarvan de bestuurder gecontroleerd is en waar jij bij de controle in het voertuig zat? Waar de bestuurder het rijbewijs is kwijtgeraakt?
A: Ja.
V: Met hoeveel personen ben je je naar Venlo gegaan?
A: Ik en de bestuurder.
V: Wie vertelde dat jullie dit gingen doen?
A: Dat werd aan ons doorgegeven.
V: Hoe werd dit doorgegeven?
A: Niet via mij.
V: Kreeg de bestuurder deze berichten binnen?
A: Zoiets.
V: Hoe heb je die adressen doorgekregen, hoe wist je waar je moest zijn?
A: Ik reed de auto niet, ik had geen navigatie dus ik wist ook niet waar ik moest zijn.
V: Ben je op nog meer adressen geweest?
A: Alleen bij de McDonalds.
V: Welke McDonalds?
A: Dat zou ik niet meer weten maar was wel in Venlo. 5 minuten van de Lidl af. Naast het tankstation had je een McDonalds.
V: Tussen de adressen en het krijgen van het stopteken zitten nog een aantal uren. Wat heb je in de tussentijd gedaan?
A: We zijn van de McDonalds naar het adres gegaan, toen weer terug naar de Mc
Donalds en toen weer naar een adres. De McDonalds was ons standpunt zeg maar.
Op 31 augustus heeft [medeverdachte] onder meer als volgt verklaard bij de politie:
V: We gaan het vandaag hebben over de rol die jij en [verdachte] hebben gehad. Hoe kwamen jullie aan de adressen waar jullie naartoe moesten en aan de code die jij hebt doorgegeven?
A: Kreeg ik doorgestuurd.
V: Jij verklaarde eerder dat jullie deze doorkregen. En dat dit niet via jou ging. Kunnen wij dan concluderen dat dit via [verdachte] is gegaan? En zoniet, hoe anders?
A: Ga ik geen antwoord op geven.
V: Waarom niet?
A: Ja... het ging via hem.
V: En wie is hem?
A: [verdachte] .
De telefoon van de verdachte is naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte] onderzocht en daaruit is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 15 oktober 2025 om 16.34 uur in het gebied van de cell-id Odido- [telefoonnummer] ( [adres 7] ) is geweest. In dit geografisch gebied ligt McDonald's [adres 5] dat is gevestigd op [adres 6] in Venlo.
Ter terechtzitting van 15 september 2026 heeft de verdachte onder meer als volgt verklaard:
We reden richting Rotterdam en toen was al besproken dat we naar Venlo gingen, dus ik heb toen de navigatie aangepast.
Nadere overwegingen omtrent het bewijs
Allereerst acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte] voldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen gebruiken. Weliswaar heeft [medeverdachte] bepaald niet het achterste van haar tong laten zien waar het haar eigen rol betreft, maar haar verklaringen vinden op diverse punten steun in andere bewijsmiddelen.
Op basis van alle bewijsmiddelen staat het volgende vast. Op 15 oktober 2025 is [medeverdachte] met de verdachte in een door hem bestuurde auto vanuit Den Haag naar Venlo gereden. Doel van de rit was om mensen van aanzienlijke leeftijd in Venlo op te lichten via een zogenoemde politiebabbeltruc. In dat kader kreeg [medeverdachte] via de verdachte te horen op welke adressen zij moest aanbellen, wat daar moest gebeuren en welke code zij moest noemen. Uiteindelijk is [medeverdachte] op twee adressen geweest. Op één adres lukte het haar om sieraden te bemachtigen; op het andere adres is zij door de bewoners weggestuurd.
De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar met [medeverdachte] naar Venlo is gereden, maar dat hij niet wist dat zij mensen zou oplichten. Hij probeerde haar te versieren, maar is door haar belazerd. De rechtbank hecht evenwel geen geloof aan dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario. Allereerst vindt dit scenario zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de verdachte van de hoed en de rand wist. Maar ook daarnaast is het scenario buitengewoon onaannemelijk. Indien dit scenario immers opgeld zou doen, zou dat betekenen dat het vervoer van degene die bij de slachtoffers aan de deur moest gaan ( [medeverdachte] ) zou afhangen van de allerminst zekere instemming van de verdachte om niet naar Antwerpen, maar naar Venlo met [medeverdachte] te rijden. De rechtbank acht het uiterst onwaarschijnlijk dat een groep die uit is om over de rug van slachtoffers op leeftijd ‘geld te maken’ de belangrijke rol van chauffeur aan zo veel toeval zou overlaten.
Uit het voorgaande volgt dat de rol van de verdachte niet alleen die van chauffeur was, maar ook die van tussenman tussen de personen die de slachtoffers uitzochten en telefonisch benaderden aan de ene kant en [medeverdachte] aan de andere kant. Daarmee heeft de verdachte een zeer wezenlijke rol vervuld bij de oplichting en de poging daartoe, zodat hij als medepleger moet worden aangemerkt.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
op 15 oktober 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van sieraden, door
- [benadeelde 1] op te bellen en zich voor te doen als een politiemedewerker,
- [benadeelde 1] te vragen of zij waardevolle goederen in de woning heeft,
- [benadeelde 1] te vertellen dat er twee personen waren aangehouden voor de diefstal van sieraden,
- [benadeelde 1] te vertellen dat een politieagent langs zou komen,
- [benadeelde 1] een code te geven,
- naar de woning van [benadeelde 1] te gaan en zich voor te doen als een politieagent en zich voor te doen als [naam 1] ,
- voornoemde code aan [benadeelde 1] door te geven,
- sieraden van [benadeelde 1] aan te nemen en te pakken en
- de kettingen van de nek van [benadeelde 1] te verwijderen.
Feit 2 primair
op 15 oktober 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] te bewegen tot de afgifte van waardevolle goederen,
- [benadeelde 2] heeft gebeld en zich daarbij heeft voorgedaan als een politiemedewerker,
- [benadeelde 2] heeft gevraagd of zij waardevolle goederen in de woning had,
- tegen [benadeelde 2] heeft gezegd dat een collega zou langskomen,
- aan [benadeelde 2] een code heeft gegeven,
- naar de woning van [benadeelde 2] is gegaan en zich voor heeft gedaan als een politieagent en zich voor heeft gedaan als [naam 1] en
-voornoemde code aan [benadeelde 2] door heeft gegeven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair:
medeplegen van oplichting
Feit 2 primair:
medeplegen van poging tot oplichting
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de beperkte rol die de verdachte heeft gehad en zijn persoonlijke omstandigheden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een voltooide oplichting en een poging daartoe. Het gaat hierbij om zogenoemde babbeltrucs, waarbij oudere mensen worden gebeld door iemand die zich voordoet als politiemedewerker. Deze ‘politie-medewerker’ doet alsof waardevolle spullen van de betrokkene in gevaar zijn en zegt dat een collega-agent zal langskomen om die spullen veilig te stellen. Dit met het oogmerk om de betrokkene ertoe te bewegen in goed vertrouwen zijn of haar waardevolle bezittingen aan de nepagent af te geven. In casu is dat ook één keer gelukt.
Zoals gebruikelijk bij dit soort strafbare feiten, was ook hier een groep personen betrokken: degene(n) die het beoogde slachtoffer telefonisch benaderden, degene die de waardevolle spullen in de woningen moest ophalen ( [medeverdachte] ) en degene die de informatie van de bellers aan [medeverdachte] doorgaf en haar naar de betreffende adressen chauffeerde (de verdachte). Aldus is de verdachte een onmisbare schakel binnen de groep geweest. Met zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de politie en de medemens, van wie zij vaak afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Dat juist oudere vrouwen zijn benaderd (waarvan een 91-jarig slachtoffer succesvol), vindt de rechtbank extra kwalijk, omdat zij doorgaans kwetsbaarder en afhankelijker zijn van anderen. Daarnaast heeft de verdachte leed aan dat 91-jarig slachtoffer toegebracht door sieraden te ontvreemden die grote emotionele waarde voor haar hadden. Bovendien vertrouwt dit slachtoffer niemand meer, en durft zelfs haar deur niet meer te openen als de ‘echte’ politie aanbelt. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Uit de justitiële documentatie van 25 augustus 2026 blijkt dat de verdachte in een proeftijd liep tijdens het plegen van deze feiten. Dat betekent dat zelfs een ‘stok achter de deur’ van zes maanden de verdachte niet ervan heeft kunnen weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. De rechtbank houdt hier ten nadele van de verdachte rekening mee.
Uit het reclasseringsrapport van 10 september 2026 blijkt dat de verdachte reeds langere tijd in contact staat met de reclassering. Ook dit heeft echter niet kunnen voorkomen dat de verdachte opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Reeds daarom ziet de rechtbank, het advies van de reclassering ten spijt, geen heil in het opleggen van bijzondere voorwaarden. Ook ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is, mede omdat de reclassering heeft overwogen dat pedagogische beïnvloeding niet meer tot de mogelijkheden behoort en de verdachte zich conform zijn kalenderleeftijd gedraagt.
Uit het voorgaande volgt dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf is. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank, alles overwegend, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest passend en zal deze dan ook aan de verdachte opleggen.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).
7. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Den Haag van 13 juni 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de proeftijd te verlengen, dan wel om slechts een gedeelte van de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel de gehele tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ook geen aanleiding tot een andere beslissing. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie toewijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelasten.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
De vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09.037803.24
- wijst toe de vordering tenuitvoerlegging en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. D.W.H.M. Wolters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 september 2026.
Buiten staat
Mr. D.W.H.M. Wolters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 15 oktober 2025 te Venlo, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
de afgifte van meerdere sieraden, door
-die [benadeelde 1] op te bellen en zich voor te doen als een politiemedewerker,
-die [benadeelde 1] te vragen of zij waardevolle goederen in de woning heeft,
-die [benadeelde 1] te vertellen dat er twee personen waren aangehouden voor de diefstal van sieraden,
-die [benadeelde 1] te vertellen dat een politieagent langs zou komen,
-die [benadeelde 1] een beveiligingscode, althans enige code, te geven,
-naar de woning van die [benadeelde 1] te gaan en/of zich voor te doen als een politieagent en/of zich voor te doen als [naam 1] ,
-voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan die [benadeelde 1] door te geven,
-meerdere sieraden van die [benadeelde 1] aan te nemen en/of te pakken en/of
-de kettingen van de nek van die [benadeelde 1] te verwijderen;
T.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 15 oktober 2025 te Venlo, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 2] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
de afgifte van waardevolle goederen,
-die [benadeelde 2] heeft gebeld en/of zich (daarbij) heeft voorgedaan als een politiemedewerker,
-die [benadeelde 2] heeft gevraagd of zij waardevolle goederen in de woning had,
-tegen die [benadeelde 2] heeft gezegd dat een collega zou langskomen,
-aan die [benadeelde 2] een beveiligingscode, althans enige code heeft gegeven,
-naar de woning van die [benadeelde 2] is gegaan en/of zich voor heeft gedaan als een politieagent en/of zich voor heeft gedaan als [naam 1] en/of
-voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan die [benadeelde 2] door heeft gegeven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;