ECLI:NL:RBLIM:2026:10454

ECLI:NL:RBLIM:2026:10454

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 03.227291.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Drugspand in Amstenrade - De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 13 juli 2024 opzettelijk als pleger 1,78 gram cocaïne en 3114,67 gram heroïne en als medepleger 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Ook heeft de rechtbank bewezenverklaard dat de verdachte op 13 juli 2024 als pleger 1,78 gram cocaïne en 2068,97 gram en als medepleger 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne heeft bewerkt. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 5.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.227291.24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum 1] 1988,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M. van Stratum, advocaat kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 03.227327.24), [medeverdachte 2] (parketnummer 03.227373.24), [medeverdachte 3] (parketnummers 03.227267.24 en 03.076582.25 (ttz.gev.)), [medeverdachte 4] (parketnummer 03.227340.24), [medeverdachte 5] (parketnummers 03.227213.24) en [medeverdachte 6] (parketnummer 03.227252.24).

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne heeft vervaardigd, bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;

Feit 2: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard voor zover die zien op het bewerken en opzettelijk aanwezig hebben van de aangetroffen drugs. In het pand wordt een grote hoeveelheid drugs aangetroffen alsmede weegschalen, persen, stempels en ander gerei om drugs mee te bereiden en verwerken. De verdachte had op 10 juli 2024 toegang tot het pand middels een sleutel, enkele van de medeverdachten verklaren bij hem op 13 juli 2024 op bezoek te zijn geweest en zijn DNA wordt op verschillende mondkapjes in het pand aangetroffen. De officier van justitie acht de verklaring van de verdachte dat hij nergens wat vanaf wist om diezelfde redenen ongeloofwaardig. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs. De verdediging wijst daarbij op het feit dat de verdachte niet degene is die in het pand woonde of verbleef. Dat de verdachte eerder een sleutel van het pand heeft gehad, zegt niks over betrokkenheid bij de daadwerkelijke productie of het aanwezig hebben van de drugs die zijn aangetroffen in het gehele pand. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens de coronaperiode mondkapjes heeft gedragen, omdat hij kwetsbare familieleden had en hij hen wilde beschermen door mondkapjes op te doen, welke verklaring volgens de verdediging niet zonder meer in strijd is met de bevindingen in het dossier. Het enkele feit dat vaststaat is dat de verdachte in de nabijheid van een blok heroïne in de zitruimte is aangetroffen. Uit die enkele omstandigheid kan niet worden afgeleid dat de verdachte beschikkingsmacht over die blok heroïne had. Aan de hand van het dossier kan daarnaast niet worden vastgesteld dat de verdachte überhaupt wetenschap had van dan wel beschikkingsmacht had over de drugs aangetroffen in de verpakkingsruimte en productieruimte.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank hierna in haar overwegingen zonder nadere verwijzingen de voor partijen genoegzaam bekende benamingen uit het proces-verbaal zal hanteren ter aanduiding van locaties binnen de woning waar het tenlastegelegde betrekking op heeft. Relevant zijn daarin met name de zitruimte (alwaar een salontafel met bankstel stond, in het dossier aangeduid als ruimte 4) en de verpakkingsruimte (gelegen vlak achter de bank, alwaar een hogere tafel met stoelen stond, in het dossier aangeduid als ruimte 5). Ruimte 4 en ruimte 5 betreffen in werkelijkheid een open ruimte, waarin ook de open keuken van het pand, in het dossier aangeduid als ruimte 2, is gelegen. Daarnaast is relevant de productieruimte (zijnde een afzonderlijke kamer achterin de woning gelegen, in het dossier aangeduid als ruimte 9).

Bewijsmiddelen (feit 1 en 2)

In het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 10 juli 2024, waren wij verbalisanten, [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , belast met een verdovende middelen project naar aanleiding van een TCI-verbaal met proces-verbaalnummer 2024-0238. In dit verbaal werd gesproken over de verwerking en het distribueren van heroïne vanuit het pand [adres 2] te Amstenrade. Wij verbalisanten waren in burger gekleed en verplaatsten ons in onherkenbare voertuigen van de Nationale Politie.

Omstreeks 13.50 uur zag ik, [naam verbalisant 1] , dat een persoon die ik herkende als [naam] werd binnengelaten op het adres [adres 2] te Amstenrade door een NN-man. Een paar minuten later zag ik dat [naam] weer naar buiten kwam, samen met nog een man. Ik herkende de broer van [naam] , als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1988 te Brunssum. Ik zag dat [verdachte] plaatsnam op de bijrijdersstoel en geruime tijd doende was met iets. Ik kon niet zien wat. Vervolgens gaat men de woning weer in.

Omstreeks 15.40 uur, zag ik, verbalisant [naam verbalisant 2] , dat [naam] samen met een man in een zwart T-shirt de woning verliet door de deur naast de garagepoort. De man in het zwarte T-shirt bleek later te zijn [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] de deur afsloot door middel van een sleutel.

In het proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2024 staat (in samenhang bezien met het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2024), zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 13 juli 2024, liepen wij verbalisanten, [naam verbalisant 3] , [naam verbalisant 4] , [naam verbalisant 5] , [naam verbalisant 6] en [naam verbalisant 7] naar de voordeur van het pand [adres 2] te Amstenrade om binnen te treden. Om 15:36 uur stonden wij voor de woning waarbij de voordeur toevallig werd geopend door [medeverdachte 3] . Wij zagen dat de overige aangehouden verdachten in de half open keuken/woonkamer zaten. Wij zagen dat direct achter hen een tafel stond met daarop sealtjes, weegschalen en zakjes met wit poeder. Gezien deze bevindingen hebben wij op zaterdag 13 juli 2024 om 15:37 uur alle aanwezige verdachten aangehouden ter zake handel in harddrugs: [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .

In het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 13 juli 2024 om 14:30 uur had ik, [naam verbalisant 7] , zicht op de woning en de garage

gelegen aan de [adres 2] te Amstenrade. Ik stond op geschatte afstand van 40

meter van het pand. Ik had vrij zicht op de garage van perceel [adres 2]

te Amstenrade. Ik had gedeeltelijk zicht op de voordeur. Ik zag enkel de bovenzijde

van de voordeur daar er een mini-Cooper, welke op de oprit stond, gedeeltelijk mijn

zicht beperkte. Ik kon de gehele oprit zien. Hierdoor kan ik met zekerheid verklaren

dat vanaf 14:30 uur tot 15:27 uur niemand het genoemde pand of de garage heeft

betreden of verlaten.

Om 15:28 uur is de later aangehouden verdachte [medeverdachte 2] , de eerste en de enige persoon welke het pand heeft betreden. De enige andere persoon welke het pand heeft verlaten om 15:32 uur, vervolgens direct de garage is ingegaan en vervolgens weer retour de woning is ingegaan om 15:34 uur is de later aangehouden verdachte [medeverdachte 6] .

Alle overige aangehouden verdachten waren derhalve al aanwezig in het pand vanaf

14:30 uur.

In het proces-verbaal van doorzoeking van 13 juli 2024 staat zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 13 juli 2024, om 15.36 uur, werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning op de [adres 2] , 6436CH te Amstenrade.

Het pand is ingedeeld in 9 ruimtes, zijnde:

1. Garage

2. Keuken

3. Hal

4. Zitruimte

5. Verpakkingsruimte

6. Badkamer

7. Gang

8. Slaapkamer

9. Productieruimte

Ik, [naam verbalisant 4] , heb het pand op deze wijze ingedeeld ten behoeve van de inbeslagname. De enige wijziging met de daadwerkelijke situatie is dat ruimtes 2, 4 en 5, zijnde de keuken, zitruimte en verpakkingsruimte in werkelijkheid 1 ruimte betrof.

Het schoudertasje met daarin het identiteitsbewijs van verdachte [verdachte] werd aangetroffen aan de binnenzijde van de deur van de productieruimte.

In het proces-verbaal van forensisch onderzoek van 17 juli 2024 staat zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 14 juli 2024 kwam ik, verbalisant [naam verbalisant 8] , naar aanleiding van een partij aangetroffen harddrugs voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] , 6436 CH Amstenrade.

De woning werd bewaakt door medewerkers van de basis politiezorg. Op een salontafel naast een hoekbank zag ik restanten van een maaltijd en twee met plastic ingepakte blokken met onbekende inhoud [foto 5 en 6]. In de woonkamer zag ik een tafel met daarop attributen om verdovende middelen te wegen en te verpakken (foto 8 en 9]. In de doorgang naar de slaapkamer en de achterkamer zag ik een bank staan [foto 13]. In de achterkamer zag ik een tafel, enkele stoelen en een rek. Op de tafel zag ik een beige poederachtige substantie [foto 16 t/m 18].

Achterkamer

In de achterkamer zag ik op een stoel een gebruikt mondkapje liggen (goednummer 1722128) [foto 19]. Op de vloer van deze achterkamer zag ik meerdere gebruikte latex handschoenen liggen [foto 20]. Op de vloer naast een kartonnen doos zag ik een gebruikt mondkapje liggen (goednummer 1722125) [foto 21]. Op het rek aan de achterzijde van deze ruimte zag ik twee dichtgeknoopte plastic zakken met daarin beige poeder [foto 22).

Tussenruimte

Op de bank zag ik twee gebruikte mondkapjes liggen (goednummer 1722129 en 1722130). Deze twee mondkapjes heb ik veiliggesteld [foto 13, 23 en 24].

Woonkamer

Naast de tafel in de woonkamer zag ik een doos met daarin een gebruikt mondkapje

[foto 25]. Op de tafel zag ik een gebruikte latex handschoen. Onder de tafel zag ik

een gebruikte latex handschoen [foto 26 en 27].

In de kennisgevingen van inbeslagneming staat gerelateerd dat de volgende goederen op 13 juli 2024 in beslag zijn genomen aan de [adres 2] , 6436 CH te Amstenrade:

Aangetroffen in ruimte 4 (zitruimte):

- geperst blok bruin, goednummer 1721922;

- onbekende zak met inhoud, goednummer 1721928.

Aangetroffen in ruimte 5 (verpakkingsruimte):

- wit poeder, goednummer 1721994;

- wit poeder, goednummer 1722000;

- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722003;

- wit poeder, goednummer 1722007;

- zakjes met wit poeder, goednummer 1722009;

- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722010;

- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722015;

- wit poeder, goednummer 1722016;

- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722020;

- gripzakjes met mogelijk heroïne, goednummer 1722022;

- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722025;

Aangetroffen in ruimte 9 (productieruimte):

- bruin poeder, goednummer 1721929;

- bruin poeder, goednummer 1721931;

- wit poeder, drie noozepacks en drie gripzakjes, goednummer 1721952.

In het proces-verbaal van het onderzoek naar de verdovende middelen van 19 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 9] en [naam verbalisant 10] , verklaren het volgende. Op 18 juli 2024 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek verricht aan aangeboden onderzoeksitems in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit het volgende.

Goednummer 1721922

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4101NL (netto gewicht 561,09 gram)

Goednummer 1721928

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4100NL (netto gewicht 484,61 gram)

Goednummer 1721994

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4096NL (netto gewicht 10,35 gram)

Goednummer 1722000

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4097NL (netto gewicht 0,96 gram)

Goednummer 1722003

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4130NL (netto gewicht 6,91 gram)

Goednummer 1722007

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4095NL (netto gewicht 2,44 gram)

Goednummer 1722009

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4094NL (netto gewicht 0,80 gram)

Goednummer 1722010 ​​​​​​​

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4099NL (netto gewicht 32,10 gram)

Goednummer 1722015

Uniek Voorwerp Nummer: AARPA098NL (netto gewicht 3,63 gram)

Goednummer 1722016

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4134NL (netto gewicht 1,28 gram)

Goednummer 1722020

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4133NL (netto gewicht 0,17 gram)

Goednummer 1722022

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4132NL (netto gewicht 39,14 gram)

Goednummer 1722025

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4131NL (netto gewicht 10,01 gram)

Goednummer 1721929

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4104NL opgesplitst in: AAQX1340NL (netto gewicht 494,62 gram)

AAQX1341NL (netto gewicht 514,18 gram) AAQX1342NL (netto gewicht 576,65 gram)

Goednummer 1721931

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4103NL (netto gewicht 483,52 gram)

Goednummer 1721952

Uniek Voorwerp Nummer: AARP4102NL opgesplitst in AAQX1343NL (netto gewicht 1,16 gram)

AAQX1344NL (netto gewicht 0,62 gram)

In de NFiDENT-rapporten van 18 en 19 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

De volgende onderzoeksmaterialen bevatten heroïne:

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4101NL (netto gewicht 561,09 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4100NL (netto gewicht 484,61 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4132NL (netto gewicht 39,14 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AAQX1340NL (netto gewicht 494,62 gram)

o Uniek Voorwerp Nummer: AAQX1341NL (netto gewicht 514,18 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AAQX1342NL (netto gewicht 576,65 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4103NL (netto gewicht 483,52 gram).

De volgende onderzoeksmaterialen bevatten cocaïne:

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4096NL (netto gewicht 10,35 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4097NL (netto gewicht 0,96 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4130NL (netto gewicht 6,91 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4095NL (netto gewicht 2,44 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4094NL (netto gewicht 0,80 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4099NL (netto gewicht 32,10 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARPA098NL (netto gewicht 3,63 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4134NL (netto gewicht 1,28 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4133NL (netto gewicht 0,17 gram)’

o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4131NL (netto gewicht 10,01 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AAQX1343NL (netto gewicht 1,16 gram);

o Uniek Voorwerp Nummer: AAQX1344NL (netto gewicht 0,62 gram).

In de kennisgevingen van inbeslagneming staat gerelateerd dat de volgende goederen op 13 juli 2024 in beslag zijn genomen in Amstenrade:

mondkapje, goednummer 1722125;

mondkapje, goednummer 1722128;

mondkapje, goednummer 1722129;

mondkapje, goednummer 1722130.

In het proces-verbaal van het vooronderzoek lab van 18 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 18 juli 2024 te Amstenrade werd op verzoek van de Eenheid Limburg mij, Wishaupt, een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendragers:

o mondkapje, goednummer 1722125; SIN: AAPP1585NL;

o mondkapje, goednummer 1722128, SIN: AAPP1587NL;

o mondkapje, goednummer 1722129, SIN: AAPP1588NL;

o mondkapje, goednummer 1722130, SIN: AAPP1589NL.

Onderzoek mondkapje met SIN: AAPP1585NL

Ik zag dat het een wit met blauw gekleurd stoffen mondkapje betrof, met daaraan twee wit gekleurde elastische koorden. Ik zag dat het mondkapje beschadigd en bevuild was. Ik heb de gehele draagzijde en beide koorden van het mondkapje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN: AARX1316NL, verpakt en verzegeld.

Onderzoek mondkapje met SIN AAPP1587NL

Ik zag dat het een wit met blauw gekleurd stoffen mondkapje betrof, met daaraan twee wit gekleurde elastische koorden. Ik zag dat het mondkapje beschadigd en bevuild was. Ik heb de gehele draagzijde en beide koorden van het mondkapje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN: AARX1315NL, verpakt en verzegeld.

Onderzoek mondkapje met SIN AAPP1588NL

Ik zag dat het een wit met blauw gekleurd stoffen mondkapje betrof, met daaraan twee wit gekleurde elastische koorden. Ik zag dat het mondkapje beschadigd en bevuild was. Ik heb de gehele draagzijde en beide koorden van het mondkapje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN: AARX1313NL, verpakt en verzegeld.

Onderzoek mondkapje met SIN AAPP1589NL

Ik zag dat het een wit met blauw gekleurd stoffen mondkapje betrof, met daaraan twee wit gekleurde elastische koorden. Ik zag dat het mondkapje beschadigd en bevuild was. Ik heb de gehele draagzijde en beide koorden van het mondkapje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN: AARX1314NL, verpakt en verzegeld.

In de rapportage van Eurofins m.b.t. het DNA-onderzoek van 23 juli 2024 staat het volgende gerelateerd:

Op 18 juli 2024 werd forensisch onderzoek verricht naar de veiliggestelde biologische sporen (SIN: AAPP1585NL, SIN: AAPP1587NL, SIN: AAPP1588NL, SIN: AAPP1589NL).

Uit de celmaterialen van SIN: AAPP1588NL en SIN: AAPP1589NL zijn DNA-profiel verkregen. Het betreft steeds een enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De additionele DNA-kenmerken van de steeds minder prominent aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. De DNA-kenmerken in de verkregen profielen matchen met het DNA-profiel van [verdachte] .

Uit het celmateriaal SIN: AAPP1587NL is een DNA-profiel verkregen. Het betreft een enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De DNA-kenmerken in het verkregen profiel matchen met het DNA-profiel van [verdachte] .

Uit het celmateriaal SIN: AAPP1585NL is een DNA-profiel verkregen. Het betreft een DNA-mengprofiel, afkomstig van minimaal vier donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. De DNA-kenmerken in het verkregen profiel matchen met het DNA-profiel van [verdachte] .

In de kennisgevingen van inbeslagneming staat gerelateerd dat de volgende goederen op 13 juli 2024 in beslag zijn genomen in Amstenrade:

o een wegwerphandschoen, goednummer 1722138;

o een wegwerphandschoen, goednummer 1722137.

In het proces-verbaal van het vooronderzoek lab van 18 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 18 juli 2024 te Amstenrade werd op verzoek van de Eenheid Limburg mij, Wishaupt, een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendragers:

o een wegwerphandschoen, goednummer 1722138; SIN: AAOE4843NL;

o een wegwerphandschoen, goednummer 1722137; SIN: AAOE4842NL.

Onderzoek handschoen met SIN:AAOE4943NL

Ik zag dat het een zwart gekleurde kunststof wegwerphandschoen betrof. Ik zag dat

alle vingertoppen deels naar binnen gekeerd waren, waardoor de buitenzijde bij

aantreffen vermoedelijk de draagzijde betreft. Ik zag dat de handschoen bevuild was.

Ik heb van de handschoen de gehele buitenzijde bij aantreffen bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN: AARX1311NL, verpakt en verzegeld.

Onderzoek handschoen met SIN AAOE4842NL

Ik zag dat het een zwart gekleurde kunststof wegwerphandschoen betrof. Ik zag dat

alle vingertoppen deels naar binnen gekeerd waren, waardoor de buitenzijde bij

aantreffen vermoedelijk de draagzijde betreft. Ik zag dat de handschoen bevuild was.

Ik heb van de handschoen de gehele buitenzijde bij aantreffen bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb het spoor, epitheel, veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AARX1312NL, verpakt en verzegeld.

In de rapportage van Eurofins m.b.t. het DNA-onderzoek van 5 augustus 2024 staat het volgende gerelateerd:

Op 5 augustus 2024 werd forensisch onderzoek verricht naar de veiliggestelde biologische sporen (SIN: AARX1311NL en SIN: AARX1312NL)

Uit het celmateriaal SIN: AARX1311NL is een DNA-profiel verkregen. Het betreft een enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De DNA-kenmerken in het verkregen profiel matchen met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] .

Uit de celmaterialen van SIN: AARX1312NL is een DNA-profiel verkregen. Het betreft een DNA-mengprofiel, afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. De DNA-kenmerken in het verkregen profiel matchen met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] .

In het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] van 16 augustus 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

M: Jij bent op 13 juli om 15.37 uur aangehouden in het pand op de

[adres 2] in Amstenrade.

A: Ik kwam die bewuste dag binnen en ik zag dingen waar ik zelf ook wel van geschrokken was.

M: Je zegt dat je die bewuste dag binnen kwam en dat je schrok.V: Waarvan schrok je?A: Wat ik op tafel zag liggen.V: Wat zag je op tafel liggen?A: Het leek op hasj en andere verdovende middelen.V: Op welke tafel lag de vermoedelijke hasj?A: Op de salontafel.

V: Voor welke tafel was je geschrokken?A: Ik schrok van de spullen wat op de salontafel en op grote tafel lagen in de woonkamer.V: Wat lag er op de grote tafel in de woonkamer?A: Ik zag iets liggen wat niet deugt.V: Wat maakt voor jou dat het niet deugde?A: Ik zag een weegschaal staan met vermoedelijk drugs erom heen liggen. Op de lage tafel zag ik een blok hasj liggen.

In het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 16 augustus 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

A: Ik ben die dag opgehaald door mijn neefje. We hadden nog geen echte plannen en ben met hem meegegaan. Mijn neefje wilde nog even met zijn oom (de rechtbank begrijp hierin: [verdachte] ) gaan praten. Toen kwamen we aan in Amstenrade en ben ik mee naar binnen gelopen.

V: Hoe heet je neefje die je heeft opgehaald?A: [medeverdachte 4] .

De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 9 september 2026 als volgt:

Het geld dat in de slaapkamer in de ladekast lag, was van mij. Ik had dat daar verborgen.

Bewijsoverweging (feit 1 en 2)

De rechtbank stelt vast dat er in ruimte 4, de zitruimte, van het pand aan de [adres 2] te Amstenrade op 13 juli 2024 op de alwaar aanwezige salontafel bij de bank 1.045,70 gram heroïne is aangetroffen. In de verpakkingsruimte, ruimte 5, is 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne aangetroffen en in de productieruimte, ruimte 9, 1,78 gram cocaïne en 2.068,97 gram heroïne.

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat toen hij het pand in ging hij al de drugs op de salontafel (ruimte 4) en de grote tafel in de woonkamer (ruimte 5) heeft zien liggen. Volgens de observerende verbalisanten waren [medeverdachte 6] en zijn medeverdachten, met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 2] , in ieder geval al vanaf 14:30 uur in het pand aan de [adres 2] te Amstenrade aanwezig. De politie heeft het pand betreden om 15:36 uur. De rechtbank concludeert hieruit dat de drugs op het moment van binnentreden door de politie op zijn minst al een uur in de zitruimte (ruimte 4) en verpakkingsruimte (ruimte 5) lagen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [medeverdachte 6] bij binnenkomst andere hoeveelheden heeft gezien, nu hij heeft verklaard over een blok op de salontafel en een weegschaal met drugs eromheen op de hoge tafel, hetgeen ook is aangetroffen door de verbalisanten na binnenkomst in het pand.

Zitruimte en verpakkingsruimte

De rechtbank stelt vast dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het opzettelijk ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet noodzakelijk is dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen, én dat deze goederen zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden.

Gelet op de door [medeverdachte 6] afgelegde verklaring lagen de in de zit- en verpakkingsruimte (ruimtes 4 en 5) aangetroffen drugs al op zijn minst een uur op de plek waar die drugs ruim een uur later ook door de politie zijn aangetroffen. In deze ruimte is de verdachte op het moment van binnentreden ook aangetroffen. De verdachte zat in de zitruimte op de bank met voor hem de salontafel met daarop drugs. Direct achter deze bank stond de grotere, hogere tafel met daarop eveneens drugs. De drugs lagen dus in de directe nabijheid van de verdachte. De drugs lagen daarnaast duidelijk in het zicht. De verdachte heeft daarom wetenschap gehad van die drugs.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook over die drugs kúnnen beschikken. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft immers niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Of de verdachte zeggenschap had, of anders gezegd mócht beschikken, over de drugs is dus volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in dit kader niet relevant.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte samen met een ander of anderen de harddrugs in de zitruimte aanwezig heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het tenlastegelegde medeplegen voor zover het gaat om de drugs aangetroffen in de zitruimte (ruimte 4). De verdachte en zijn medeverdachten waren weliswaar in dezelfde ruimte aanwezig, maar niet is gebleken dat de verdachten actieve handelingen hebben verricht die tot het oordeel zouden moeten leiden dat zij nauw en bewust samen hebben gewerkt om de harddrugs aanwezig te hebben. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte als pleger 1.045,70 gram heroïne, aangetroffen in de zitruimte, aanwezig heeft gehad. Op het al dan niet medeplegen van het aanwezig hebben van de harddrugs aangetroffen in de verpakkingsruimte (ruimte 5) komt de rechtbank verderop terug.

Productieruimte

Wat betreft de drugs die in de productieruimte zijn aangetroffen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier is gebleken dat het pand was ingericht voor het bewerken van harddrugs. Niet alleen zijn in het pand in Amstenrade grote hoeveelheden harddrugs aangetroffen, maar er zijn ook meerdere mondkapjes, handschoenen en attributen om verdovende middelen te wegen en te verpakken aangetroffen.

De verdachte ontkent iets te weten van wat zich in de productieruimte bevond of wat zich daar afspeelde. Uit het dossier komt naar voren dat het schoudertasje van de verdachte aan de binnenzijde van de deur van de productieruimte hing, hetgeen wijst op het in de ruimte aanwezig zijn geweest, of op zijn minst op het open hebben gestaan van die deur toen het tasje aan de deurklink werd gehangen, en dus ook op wetenschap van wat er zich in die ruimte afspeelde. Daarnaast, en dat acht de rechtbank voor de bewijsvoering nog belangrijker, is op een viertal mondkapjes verspreid door het pand, maar met name in de productieruimte (ruimte 9) het DNA van de verdachte aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij tijdens de coronaperiode mondkapjes heeft gebruikt ter bescherming van enkele kwetsbare familieleden en dat die via via in het pand in Amstenrade terecht zouden zijn gekomen, acht de rechtbank onaannemelijk. Hoe, door wie en waarom de mondkapjes dan zouden zijn verplaatst vanaf een andere locatie naar het pand in Amstenrade, is in de verklaring van de verdachte niet nader geduid. Op de vraag of het pand überhaupt aan iemand uit zijn familie toebehoorde of bij iemand van zijn familieleden in gebruik was, ook in de jaren na de coronaperiode, heeft de verdachte ter terechtzitting verder geen antwoord willen geven. De rechtbank ziet er in het dossier ook geen enkele aanleiding voor dat iemand de door de verdachte gebruikte mondkapjes in het pand in Amstenrade heeft neergelegd.

Mondkapjes worden bij uitstek gebruikt bij het bewerken van harddrugs ter bescherming van de eigen gezondheid van degene die bijvoorbeeld heroïne bewerkt. Het aantreffen van zijn DNA op die mondkapjes wijst er dan ook op dat de verdachte de in de productieruimte aanwezige drugs heeft bewerkt. Daarnaast heeft de verdachte enkele dagen voor het binnentreden van de politie toegang gehad tot het pand door middel van een sleutel. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 4] meegekomen was, die op zijn beurt nog even zijn oom, zijnde de verdachte, wilde bezoeken. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij bij zijn vriend, [verdachte] , op bezoek was in de woning in Amstenrade ten tijde van zijn aanhouding. De verdachte heeft zelf verklaard dat de hoeveelheid cash die lag opgeslagen in de slaapkamer van het pand van hem was. Op grond van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte op 13 juli 2024 de kennelijke gebruiker van het pand was, wist wat zich in het pand afspeelde en, gelet op zijn positie als gebruiker van het pand, een coördinerende rol heeft gehad in het bewerken van harddrugs. Om diezelfde redenen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over alle drugs die zijn aangetroffen in het pand.

Omdat er in het dossier geen concrete aanwijzingen zijn dat in de productieruimte met verschillende mensen harddrugs is bewerkt, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte als pleger 1,78 gram cocaïne en 2.068,97 gram heroïne, aangetroffen in de productieruimte, opzettelijk heeft bewerkt. Met name is daar van niemand anders dan van de verdachte DNA aangetroffen. Ook niet is gebleken dat hij deze harddrugs samen met een ander aanwezig heeft gehad, zodat de rechtbank bewezen zal verklaren dat hij deze hoeveelheid harddrugs eveneens als pleger opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Uit het dossier is gebleken dat niet alleen de productieruimte (ruimte 9) maar ook de verpakkingsruimte (ruimte 5) ingericht was voor het bewerken van harddrugs en dat medeverdachte [medeverdachte 3] daar in die verpakkingsruimte ook daadwerkelijk ook aan het werk is geweest. Er zijn weliswaar geen aanwijzingen dat de verdachte daar, in die verpakkingsruimte (ruimte 5), zelf harddrugs heeft bewerkt, maar voor het medeplegen daarvan is dat ook niet vereist. Gelet op de coördinerende rol die de verdachte als feitelijke gebruiker van het pand aan de [adres 2] heeft gehad, acht de rechtbank daarom bewezen dat de verdachte 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne, aangetroffen in de verpakkingsruimte (ruimte 5), samen met een ander, te weten samen met medeverdachte [medeverdachte 3] , heeft bewerkt. Om diezelfde reden acht de rechtbank eveneens bewezen dat de verdachte samen met die ander de aldaar aangetroffen harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Eendaadse samenloop

Ten aanzien van het medeplegen van het bewerken van de heroïne en cocaïne aangetroffen in de verpakkingsruimte (ruimte 5), feit 1, en het aanwezig hebben van diezelfde drugs, feit 2, is de rechtbank van oordeel dat deze zich laten zich kwalificeren als in eendaadse samenloop begane feiten. De gedragingen leveren een in zodanige mate samenhangend feitencomplex op, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen in grote mate overeenkomt, dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Datzelfde geldt voor het plegen van bewerken van de heroïne en cocaïne aangetroffen in de productieruimte, feit 1, en het aanwezig hebben van diezelfde drugs, feit 2.

Voorts beschouwt de rechtbank a. de als medeplegen te beschouwen gedragingen in de verpakkingsruimte, en b. de als plegen te beschouwen gedragingen in de productieruimte en c. de als plegen te beschouwen gedragingen in de zitruimte als begaan in meerdaadse samenloop, waar deze op steeds afzonderlijke hoeveelheden harddrugs zien.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

Feit 1

op 13 juli 2024 te Amstenrade opzettelijk heeft bewerkt 1,78 gram cocaïne en 2068,97 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

op 13 juli 2024 te Amstenrade, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bewerkt 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2

op 13 juli 2024 te Amstenrade opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,78 gram cocaïne en 3114,67 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

op 13 juli 2024 te Amstenrade, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1 en 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft aansluiting gezocht bij de OM-richtlijnen voor de straftoemeting en rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen die niet langer is dan het reeds ondergane voorarrest. De verdediging heeft daarnaast verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken van een grote hoeveelheid harddrugs, in samenloop met het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs. In de productieruimte werd een grote hoeveelheid cocaïne en vooral heroïne aangetroffen welke hij als pleger heeft bewerkt. Gelet op de werkzaamheden die daar plaatsvonden en de daar aangetroffen mondkapjes met DNA erop van de verdachte en van niemand anders van de aanwezigen ziet de rechtbank de verdachte als degene die de harddrugs daar prepareerde en versneed. De bewerking van de harddrugs in de verpakkingsruimte (ruimte 5) vond plaats samen met een ander, die zijn werkzaamheden slechts met direct medeweten van de verdachte, als feitelijk gebruiker van het pand, kon vervullen. Op de salontafel in de zitruimte lag daarnaast ook nog een grote hoeveelheid heroïne welke de verdachte aanwezig heeft gehad. Dit heeft allemaal plaatsgevonden in een pand dat aan hem toebehoorde en terwijl meerdere personen zich in het pand bevonden. De verdachte had daarbij een coördinerende rol. Hij heeft daarmee een sturende en bepalende bijdrage geleverd aan de uitvoering van de werkzaamheden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schadelijk zijn voor de gezondheid. Het bezit van een dergelijke hoeveelheid (hard)drugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat harddrugs zoals cocaïne en heroïne middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van gebruikers. Door het bewerken en bezit hiervan heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit, waarvan een sterk ondermijnende en maatschappelijk ontwrichtende werking uitgaat. Bovendien gaat de handel in drugs veelal gepaard met illegale geldstromen en andersoortige criminaliteit, zoals delicten tussen handelaren onderling en strafbare feiten die gebruikers plegen om aan de drugs te kunnen komen. De verdachte heeft voor dit alles blijkbaar geen oog gehad en zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Ter zitting heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid en probleembesef getoond, hetgeen de rechtbank hem kwalijk neemt. Degenen die op 13 juli 2024 aangetroffen zijn in het bij de verdachte in gebruik zijnde drugspand, hebben allemaal een strafvervolging en berechting opgelopen door de situatie die onder verantwoordelijkheid van de verdachte ter plaatse gold. Ofschoon eenieder natuurlijk een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn aanwezigheid in een drugspand, heeft de verdachte, als feitelijk gebruiker van het pand, hen wel allen in deze situatie gebracht.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van 12 september 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder soortgelijke feiten van hetzelfde gewicht heeft begaan. De reclassering heeft de verdachte op 3 augustus 2026 uitgenodigd voor een gesprek ten behoeve van het opstellen van een adviesrapport. De verdachte is hier echter nooit komen opdagen en heeft niet gereageerd op oproepen van hen. Ter zitting heeft hij aangegeven geen hulp nodig te hebben. De verdachte ervaart geen problemen. Hij is bezig met zijn bedrijf en de opstart van een gezin. De verdachte is gestopt met gebruik van alcohol, zo zegt hij zelf.

De rechtbank neemt in haar overwegingen mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels ruim twee jaren is geschorst en dat de verdachte in die tijd niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt in de onderhavige zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van aanhouding, 13 juli 2024, als uitgangspunt. Dat betekent dat de redelijke termijn op het tijdstip van de uitspraak met ruim twee maanden is overschreden. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of aan deze overschrijding een consequentie dient te worden verbonden. De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief, omdat er gezien de aard en omvang van de zaak met zeven verdachten sprake is van een geringe en aanvaardbare overschrijding. De rechtbank volstaat dan ook met de enkele constatering dat de redelijke termijn met ruim twee maanden is overschreden.

Conclusie

In weerwil van de algehele ontkenning door de verdachte dat hij enig strafbaar feit heeft gepleegd, acht de rechtbank hem schuldig. Voor clementie is dan ook geen ruimte. Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht een passende strafrechtelijke reactie is. Zij vindt een vrijheidsbenemende straf uitdrukkelijk de enige strafsoort die recht doet aan de belangen die de wetgever met de Opiumwet heeft willen beschermen; bij hoeveelheden harddrugs als in dit geval bewezenverklaard is een taakstraf - behoudens heel speciale uitzonderingen waarvan hier geen sprake is - niet toe te passen en daarnaast is de rol van de verdachte niet slechts te bestraffen met wat hij in voorarrest reeds heeft ondergaan. Voor de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Omdat de verdachte het bewerken van de harddrugs (deels) in samenloop heeft begaan met het opzettelijk aanwezig hebben van diezelfde drugs, is de rechtbank enkel uitgegaan van de straffen die in het geval van bewerken van harddrugs worden weergegeven. De rechtbank zal daarom conform de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank merkt hierbij voor alle duidelijkheid op dat in afwijking van het standpunt van de officier van justitie voor een deel van het tenlastegelegde wel het medeplegen is bewezen verklaard. Al met al geeft dit dan geen reden om een hogere dan de geëiste straf op te leggen.

Daarnaast zal de rechtbank de verdachte een geldboete opleggen. De Opiumwet als bijzondere strafwet kende reeds van oudsher, al voordat dit tegenwoordig algemeen mogelijk is, de mogelijkheid om deze hoofdstraf naast een vrijheidsbenemende straf op te leggen teneinde een schuldige indien dit geraden was ook financieel te kunnen treffen. Gelet op de wijze waarop het pand was ingericht en de omstandigheden waaronder de werkzaamheden plaatsvonden, volgt dat het handelen van de verdachte was gericht op winstbejag. De verdachte beschikte ook over contant geld, wat niet ongebruikelijk is in relatie tot drugscriminaliteit. De verdachte was kennelijk degene aan wie het pand toebehoorde en, zoals eerder vastgesteld, had hij een coördinerende rol bij hetgeen daar plaatsvond. Gelet hierop zal de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 5.000,- opleggen. Dat de verdachte draagkracht heeft om een dergelijke boete te betalen, volgt uit de hoogte van het cash geld dat van hem in beslag was genomen.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7. Het beslag

Onttrekking aan het verkeer

Op de beslaglijst onder nummer 19 en 21 staan “tabletteermachines” genoemd. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier naar voren komt dat de goednummers van die tabletteermachines in het dossier, mede gelet op het fotoblad, corresponderen met de inbeslaggenomen heroïnepers en stempels. De rechtbank zal er daarom vanuit gaan dat de laatstgenoemde goederen daadwerkelijk in beslag zijn genomen.

De heroïnepers, de stempels en de inbeslaggenomen verdovende middelen, op de beslaglijst onder 3 tot en met 18 vermeld, zijn voorwerpen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan (de drugs) dan wel met behulp waarvan de feiten zijn voorbereid dan wel tot het begaan van welk feit zij zijn bestemd (pers en stempels) en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemene belang. Deze zijn daarmee vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal deze goederen dan ook onttrekken aan het verkeer.

Teruggave aan verdachte

Het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag genoemd onder 1, 2 en 20 op de beslaglijst, dient te worden teruggegeven aan de verdachte, aangezien geen voor verbeurdverklaring vereist verband met het onder 1 en 2 bewezenverklaarde als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangenomen en dit geld dus niet vatbaar is voor verbeurdverklaring en de verdachte redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 33, 33a, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Gevangenisstraf

Geldboete

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.M. Geuns, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand