ECLI:NL:RBLIM:2026:1050

ECLI:NL:RBLIM:2026:1050

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer ROE 23/2006
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een door verweerder bij het bestreden besluit in stand gelaten last onder dwangsom ten aanzien van een paardenstal die geplaatst is in strijd met het bestemmingsplan. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank het door verweerder genomen besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het besluit van verweerder in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de paardenstal, bestaande uit een tentzeil met tentstokken, is aan te merken als een gebouw hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop was er ten tijde van de last onder dwangsom sprake van een overtreding en was verweerder bevoegd om aan eiser de last onder dwangsom op te leggen. Verweerder heeft ook in redelijkheid gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. De gemaakte knip in de lasten onder dwangsom (hiermee wordt bedoeld het intrekken van de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide en het handhaven van de last onder dwangsom ten aanzien van de paardenstal) is namelijk, anders dan door eiser gesteld, voldoende gemotiveerd en deze is ook niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tenslotte slaagt ook het beroep van eiser op het gelijksbeginsel niet aangezien er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van gelijke gevallen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 23 / 2006

(gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. C.M.J.J. Erdkamp en mr. J.P.M. Bergmans).

Deze uitspraak gaat over een door verweerder aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij de last onder dwangsom ten aanzien van een kunststof paardenstal in stand heeft gelaten. Aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank het door verweerder genomen besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het besluit van verweerder in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van een perceel als paardenweide en wegens de op dat perceel geplaatste bouwwerken in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij besloten om de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide in te trekken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft vervolgens op het beroep gereageerd met een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder

mr. C.M.J.J. Erdkamp. Verder hebben [belanghebbende 1] en de [belanghebbende 2] als toehoorder de zitting bijgewoond. Ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden tot een nader te bepalen datum.

De rechtbank heeft op 28 mei 2025 het onderzoek ter zitting hervat. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. De [belanghebbende 2] heeft als toehoorder de zitting bijgewoond. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het overgangsrecht van de Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op de opgelegde last onder dwangsom het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald of de last is opgeheven.

Aangezien in deze zaak de last onder dwangsom is opgelegd op 15 april 2022, en dus vóór 1 januari 2024, is hierop de Wabo van toepassing.

De feiten

2. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [perceel] in [plaats] , kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] (hierna: het perceel). Op het perceel zijn een schuilgelegenheid voor paarden, een soort kunststof paardenstal in de vorm van een tent (hierna: de paardenstal) en een container voor de opslag van paardenvoer (hierna: de container) geplaatst.

Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ (hierna: het bestemmingsplan) met - voor zover hier relevant - de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed’. Op grond van artikel 4.2.1 en artikel 18.2 van het bestemmingsplan mogen op of in het perceel geen gebouwen worden gebouwd.

3. Op 9 februari 2021 heeft verweerder, naar aanleiding van een klachtmelding en een verzoek tot handhaving, geconstateerd dat op het perceel de paardenstal en container zijn geplaatst. Naar het oordeel van verweerder was dit in strijd met het ter plaatste geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft eiser vervolgens op 15 maart 2021 een waarschuwingsbrief gestuurd.

4. Op 20 september 2021 heeft verweerder tijdens een tweede controle geconstateerd dat de paardenstal en container nog steeds op het perceel aanwezig waren. Tijdens de controle zijn geen dieren aangetroffen. Naar aanleiding van de controle heeft verweerder op 3 december 2021 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom uitgebracht en eiser verzocht de overtreding te beëindigen binnen vier weken na verzenddatum van het voornemen. Eiser heeft tegen het voornemen geen zienswijze ingediend.

5. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Volgens verweerder volgt ook uit een nieuwe controle van 14 april 2022 dat (nog steeds) sprake is van overtredingen omdat het gebruik van het perceel als paardenweide niet is beëindigd en de paardenstal en de container niet zijn verwijderd. Verweerder heeft eiser gelast om binnen een termijn van vier weken het gebruik als paardenweide te staken en gestaakt te houden en de in strijd met het bestemmingsplan gebouwde/geplaatste voorzieningen (de kunststof paardenstal en de opslagcontainer), te verwijderen en verwijderd te houden. Dit of straffe van het verbeuren van een dwangsom ter hoogte van

€ 1.500,- voor het afwijkend gebruik als paardenweide, € 1.000,- voor de paardenstal en

€ 1.500,- voor de container per maand dat niet of niet volledig wordt voldaan aan de last onder dwangsom met een maximum van € 8.000,-.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit maar enkel voor zover dit ziet op het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel als paardenweide.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom gedeeltelijk gegrond verklaard.

Verweerder heeft besloten om de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide in te trekken.

Verweerder heeft voor de last onder dwangsom voor zover het gaat om de paardenstal en container wel in stand gelaten omdat volgens verweerder sprake is van een overtreding, geen sprake is van concreet zicht op legalisatie en ook anderszins moet worden aangenomen dat er geen dringende redenen aanwezig zijn om van handhavend optreden af te zien. Eiser moet daarom uiterlijk 1 oktober 2023 de paardenstal verwijderen en verwijderd houden op straffe van het verbeuren van een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- met een maximum van € 2.000,-. De container is al verwijderd door eiser en deze moet op grond van de last onder dwangsom ook verwijderd blijven.

7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, zal de rechtbank hierna ingaan.

De gronden van beroep en de beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding

8. Uit artikel 8:69, eerste lid, van de Awb volgt dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Voordat de rechtbank zal ingaan op de beroepsgronden van eiser, zal zij eerst ingaan op de vraag wat in deze zaak onderdeel uitmaakt van de omvang van het geding en wat dus ter toetsing aan haar voorligt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide heeft ingetrokken. Aangezien de last onder dwangsom voor zover die ziet op het strijdige gebruik geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, valt deze niet binnen de omvang van het geding en ligt deze dus niet ter beoordeling voor aan de rechtbank.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat verweerder bij het bestreden besluit de last onder dwangsom ten aanzien van de container in stand heeft gelaten. Eiser heeft de container echter al verplaatst en heeft hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd. Gelet hierop maakt de last onder dwangsom voor zover die ziet op de container geen onderdeel uit van de omvang van het geding en ligt ook deze dus niet ter toetsing voor aan de rechtbank.

Verweerder heeft tenslotte bij het bestreden besluit de last onder dwangsom ten aanzien van paardenstal in stand gelaten en eiser heeft in beroep ook beroepsgronden hiertegen heeft aangevoerd. Gelet hierop maakt deze last onder dwangsom onderdeel uit van de omvang van het geding. De rechtbank kan daarom hierna enkel de rechtmatigheid beoordelen van de last onder dwangsom voor zover die ziet op de paardenstal.

Toetsingskader

9. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ op 1 januari 2013 is vastgesteld en onherroepelijk is. De rechtbank heeft ter zitting ook besproken dat, ondanks het feit dat eiser geen weet heeft gehad van de wijziging in het bestemmingsplan en dat kennelijk vroeger meer was toegestaan, het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ het leidende toetsingskader is. De rechtbank zal aan de hand van dit bestemmingsplan dan ook beoordelen of verweerder bevoegd was de last onder dwangsom aan eiser op te leggen.

Was er ten tijde van de last onder dwangsom sprake van een overtreding?

10. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom geen sprake was van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, zodat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat de bewuste paardenstal niet is aan te merken als een bouwwerk waardoor er geen sprake was van een overtreding van artikel 4.2.1 en artikel 18.2 van het bestemmingsplan. De paardenstal is volgens eiser niet meer dan een tentzeil met stokken zonder vaste bodem die met een relatief eenvoudige handeling kan worden verplaatst c.q. kan worden verwijderd. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt enkele foto’s overgelegd.

11. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ter plaatse van het perceel geldt, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ met voor zover - hier relevant - de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed’.

Op grond van artikel 4.2.1 van de planregels behorende bij dit bestemmingsplan mogen op of in de gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ geen gebouwen worden gebouwd. Verder mag op grond van artikel 18.2 van de planregels op de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' bestemde gronden niet worden gebouwd.

In artikel 1.39 van het bestemmingsplan is de volgende definitie voor het begrip “gebouw” opgenomen: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Het begrip bouwwerk is in de Wabo als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wabo aansluiting worden gezocht bij de definitie van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". De definitie van het begrip “bouwwerk” in artikel 1.27 van het bestemmingsplan sluit daarop aan: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond”.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de paardenstal is aan te merken als een gebouw. Uit de door eiser in beroep overgelegde foto’s volgt namelijk dat dit een constructie is van enige omvang, bestaande uit een tentzeil met tentstokken, die direct met de grond verbonden is. Daarnaast blijkt uit het controlerapport van 10 februari 2021 en de daarbij toegevoegde foto’s dat de paardenstal (in ieder geval) al vanaf 9 februari 2021 op het perceel aanwezig is. Dit is door eiser ook niet betwist. Gezien de langdurige periode dat de paardenstal ter plaatse van het perceel aanwezig is en gezien de functie hiervan, namelijk het bieden van een schuilplek voor de paarden tegen de warmte en de kou, heeft deze naar het oordeel van de rechtbank ook een plaatsgebonden karakter en is deze bedoeld om ter plaatse te functioneren. Verder blijkt uit de door eiser in beroep overgelegde foto’s dat de paardenstal een voor mensen toegankelijke, overdekte ruimte vormt die gedeeltelijk met wanden is omsloten waardoor er sprake is van een gebouw.

Nu de paardenstal is aan te merken als een gebouw was er ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake van strijd met artikel 4.2.1 en artikel 18.2 van het bestemmingsplan. Aangezien verweerder hiervoor geen omgevingsvergunning heeft verleend, was er sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo waardoor verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Beginselplicht tot handhaving

12. Nu sprake is van een overtreding geldt de beginselplicht tot handhaving.

Dat betekent dat verweerder in de regel, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van de beginselplicht tot handhaving worden afgeweken. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden tegen eiser.

Bijzondere omstandigheden?

Concreet zicht op legalisatie

13. De rechtbank is van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft hierin geen reden hoeven zien om van handhavend optreden af te zien.

Het opknippen van de lasten onder dwangsom

14. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de last onder dwangsom ten aanzien van de illegale bouwwerken op het perceel in stand heeft gelaten terwijl hij de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide heeft ingetrokken. Eiser stelt zich daartoe op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het gebruik als paardenweide wel toestaat maar de illegale bouwwerken die nodig zijn voor de paarden niet. Zo heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de eenvoudige en niet duurzaam met de grond verbonden tent bestaande uit louter tentzeil van negatieve invloed is op de ecologische zone en deze daarom niet wordt toegestaan. Als er al sprake is van enige invloed op de ecologische zone dan is dit volgens eiser het gevolg van de paarden zelf en niet van de tent. Daarnaast heeft verweerder zich volgens eiser ook niet op het standpunt kunnen stellen dat de knotwilgen op het perceel kunnen dienen als schuilgelegenheid voor de paarden in plaats van de tent. De knotwilgen op het perceel zijn volgens eiser ontoereikend als schuilgelegenheid voor de paarden, hetgeen verweerder had kunnen weten als hij de situatie ter plekke had beoordeeld. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om op grond van artikel 3:2 van de Awb de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Bovendien heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de op eiser rustende verplichting om zorg te dragen voor een goede verzorging van de paarden en de gevolgen voor eiser als hij niet aan deze verplichting voldoet. Eiser heeft in dit kader erop gewezen dat verweerder ten onrechte de knotwilgen op het perceel heeft aangemerkt als groenvoorzieningen waar de paarden kunnen schuilen bij hoge en lage temperaturen. Als eiser niet zorgt voor een goede verzorging van de paarden door middel van het bieden van een schuilplaats overtreedt hij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houden van dieren. Hierop staat een gevangenisstraf van maximaal drie jaar dan wel een geldboete van maximaal € 22.500,- hetgeen volgens eiser niet in verhouding staat tot de gevolgen van het tot nader order toestaan van de schuilgelegenheid.

Gelet op het voorgaande stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit door de gemaakte “knip” in de lasten onder dwangsom in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

15. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van twee aparte overtredingen en dat in zoverre ook sprake is van een “knip” tussen de twee lasten onder dwangsom. Verweerder heeft zich verder op juiste gronden op het standpunt kunnen stellen het (tijdelijk) gedogen van het gebruik van het perceel als paardenweide niet automatisch met zich meebrengt dat ook moet worden afgeweken van het bestemmingsplan ten behoeve van het toestaan van de illegale bouwwerken op het perceel. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit toegelicht dat de last met betrekking tot het gebruik als paardenweide is ingetrokken omdat ten aanzien van het hobbymatig houden van dieren in het buitengebied nieuw beleid wordt opgesteld dat -uiteindelijk- wordt vastgelegd in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Tot dit beleid is vastgesteld wordt door het college vooralsnog niet handhavend opgetreden ten aanzien van het hobbymatig houden van dieren in het buitengebied. Verweerder heeft vervolgens toegelicht dat sprake is van een verschil tussen het gedogen van het gebruik van het perceel als paardenweide en het in stand laten van illegale bouwwerken. Het perceel van eiser bevindt zich namelijk in een gebied dat een aparte status als natuurgebied heeft met een bijzondere waterloop. Deze open landschappelijke weide waar de beek de “Kanjel” doorstroomt wordt ook wel de “Kanjelzone” genoemd. Dit is een belangrijke ecologische zone. Dit gebied wordt gekenmerkt door bijzondere landschappelijke waarden en hierin mogen geen bouwwerken worden toegevoegd. De paarden (het gebruik van het perceel) tasten deze ecologische hoofdstructuur met de daarbij behorende landschappelijke waarden niet aan, terwijl de paardenstal (en container) in de ecologische hoofstructuur wel in onaanvaardbare mate afbreuk doen aan de landschappelijke waarden in het gebied. Verweerder heeft daarom op juiste gronden overwogen dat de beide overtredingen in aard en zwaarte verschillen en dat het (tijdelijk) gedogen van het gebruik van het perceel als paardenweide niet automatisch met zich meebrengt dat ook moet worden afgeweken van het bestemmingsplan ten behoeve van het toestaan van de illegale bouwwerken op het perceel.

De rechtbank overweegt verder dat de beide overtredingen evenwel niet geheel los van elkaar kunnen worden gezien. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder daar bij de besluitvorming voldoende rekening mee gehouden door de wet- en regelgeving betreffende dierenwelzijn en de situatie ter plaatse in zijn besluitvorming betrekken en te motiveren dat hierin geen aanleiding wordt gezien om van handhavend optreden af te zien. Verweerder is in het kader van controles meerdere keren ter plaatse geweest en heeft zich op het standpunt gesteld dat op het perceel voldoende groenvoorzieningen (knotwilgen) aanwezig zijn waar de paarden kunnen schuilen. Naar aanleiding van het beroep van eiser heeft verweerder zowel in zijn verweerschrift als ter zitting toegelicht dat als de bestaande groenvoorzieningen op of bij het perceel (de knotwilgen) ontoereikend zijn als schuilgelegenheid voor de paarden, en dit mogelijk zou leiden tot een overtreding van de geldende wet- en regelgeving voor wat betreft dierenwelzijn, het eisers eigen verantwoordelijkheid is om hiervoor een andere oplossing te vinden. Verweerder heeft in dit kader ter zitting nader toegelicht dat er mogelijk in overleg met de gemeente passende groenvoorzieningen zouden kunnen worden aangeplant die wel genoeg beschutting voor de paarden bieden. Gelet hierop is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank ziet in het voorgaande evenmin aanleiding voor het oordeel dat handhaving onevenredig zou zijn. De beroepsgronden van eiser slagen daarom niet.

Gelijkheidsbeginsel

16. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient immers sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Het gelijkheidsbeginsel vergt dat in gevallen waarin door verschillende overtreders een reeks van vergelijkbare overtredingen plaats vindt, een consistent en doordacht bestuursbeleid gevoerd wordt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van handhavend optreden in rechtens gelijke gevallen.

17. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel gesteld dat aan de [perceel] in [plaats] , op vijftig meter afstand van zijn perceel vandaan, twee paardenstallen staan waartegen verweerder geen handhavingstraject heeft opgestart. De rechtbank stelt vast dat, anders dan op het perceel van eiser, ter plaatse van die percelen waarop de andere paardenstallen zijn geplaatst de bestemming ‘Agrarisch’ en niet de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ geldt. Daarnaast zijn de andere percelen, anders dan het perceel van eiser, niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur. Reeds gelet hierop is geen sprake van gelijke gevallen waardoor het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

De conclusie en gevolgen

18. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Genders, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 2 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?