RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.227340.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 2004,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.R. Smeets, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 03.227327.24), [medeverdachte 2] (parketnummer 03.227373.24), [medeverdachte 3] (parketnummers 03.227267.24 en 03.076582.25 (ttz.gev.)), [medeverdachte 4] (parketnummer 03.227291.24), [medeverdachte 5] (parketnummer 03.227213.24) en [medeverdachte 6] (parketnummer 03.227252.24).
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne heeft vervaardigd, bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;
Feit 2: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne aanwezig heeft gehad.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit, wegens onvoldoende bewijs. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard voor zover het ziet op het aanwezig hebben van de in de zitruimte en verpakkingsruimte aangetroffen drugs. De drugs lagen in het zicht van de verdachte. De verdachte heeft daar een geruime tijd gebleven. De verdachte had daarmee wetenschap van en feitelijke macht over de drugs. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat medeplegen van het aanwezig hebben van de drugs niet bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit wegens onvoldoende bewijs.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ook vrijgesproken dient te worden van het hem onder 2 tenlastegelegde feit. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de drugs op de salontafel in de zitruimte en de drugs op de tafel in de verpakkingsruimte daar lagen voordat de politie binnentrad. De verbalisanten die als eerste het pand binnentraden verbaliseren niks over dat ze iets hebben zien liggen op de salontafel. De verbalisant die over die blokken drugs verbaliseert, was niet aanwezig bij het binnentreden. Tevens is op de fotobladen te zien dat enkele telefoons in de verpakkingsruimte verschoven zijn tijdens het maken van de foto’s of op een ander moment. Dit wijst erop dat de spullen in de zitruimte en verpakkingsruimte mogelijk verplaatst zijn, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de verdachte überhaupt in de nabijheid is geweest van drugs of dat hij ze heeft kunnen zien liggen. Ook een soort prop naast een verdachte op de bank is op een andere foto niet (meer) te zien.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 2 tenlastegelegde feit, omdat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte beschikkingsmacht had over de drugs die in de zitruimte en verpakkingsruimte zijn aangetroffen. Van wat zich bevond of afspeelde in de productiekamer had de verdachte überhaupt al geen wetenschap.
Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat enkel bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de drugs aanwezig heeft gehad die in de zitruimte en verpakkingsruimte lagen. Het medeplegen van het aanwezig hebben van die drugs kan volgens de verdediging niet bewezen worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank hierna in haar overwegingen zonder nadere verwijzingen de voor partijen genoegzaam bekende benamingen uit het proces-verbaal zal hanteren ter aanduiding van locaties binnen de woning waar het tenlastegelegde betrekking op heeft. Relevant zijn daarin met name de zitruimte (alwaar een salontafel met bankstel stond, in het dossier aangeduid als ruimte 4) en de verpakkingsruimte (gelegen vlak achter de bank, alwaar een hogere tafel met stoelen stond, in het dossier aangeduid als ruimte 5). Ruimte 4 en ruimte 5 betreffen in werkelijkheid een open ruimte, waarin ook de open keuken van het pand, in het dossier aangeduid als ruimte 2, is gelegen. Daarnaast is relevant de productieruimte (zijnde een afzonderlijke kamer achterin de woning gelegen, in het dossier aangeduid als ruimte 9).
Vrijspraak (feit 1)
Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het plegen of medeplegen van feit 1 niet bewijsbaar. Uit het dossier is gebleken dat de verpakkingsruimte (ruimte 5) en de productieruimte (ruimte 9) ingericht waren voor het bewerken van harddrugs. Niet alleen zijn daar grote hoeveelheden harddrugs aangetroffen, maar er zijn ook meerdere mondkapjes, handschoenen en attributen om verdovende middelen te wegen en te verpakken aangetroffen.
De verdachte ontkent daar iets mee te maken te hebben. Hij was naar eigen zeggen op bezoek bij zijn oom en zou enkel in de zitruimte en verpakkingsruimte zijn geweest. De rechtbank overweegt dat de verdachte daarom dus wel wist wat in de verpakkingsruimte aanwezig was, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat de verdachte als pleger of medepleger betrokkenheid heeft gehad bij het bewerken van de in de verpakkingsruimte aangetroffen drugs. Daarnaast is er geen bewijs dat de verdachte wetenschap had van de in productieruimte 9 aangetroffen drugs of van hetgeen zich in die productieruimte afspeelde. Wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid als pleger of als medepleger van één van de in feit 1 gestelde gedragingen zal de rechtbank de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Bewijsmiddelen (feit 2)
In het proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2024 staat (in samenhang bezien met het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2024), zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Op 13 juli 2024, liepen wij verbalisanten, [naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] , [naam verbalisant 4] en [naam verbalisant 5] naar de voordeur van het pand [adres 2] te Amstenrade om binnen te treden. Om 15:36 uur stonden wij voor de woning waarbij de voordeur toevallig werd geopend door [medeverdachte 3] . Wij zagen dat de overige aangehouden verdachten in de half open keuken/woonkamer zaten. Wij zagen dat direct achter hen een tafel stond met daarop sealtjes, weegschalen en zakjes met wit poeder. Gezien deze bevindingen hebben wij op zaterdag 13 juli 2024 om 15:37 uur alle aanwezige verdachten aangehouden ter zake handel in harddrugs: [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .
In het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Op 13 juli 2024 om 14:30 uur had ik, [naam verbalisant 5] , zicht op de woning en de garage
gelegen aan de [adres 2] te Amstenrade. Ik stond op geschatte afstand van 40
meter van het pand. Ik had vrij zicht op de garage van perceel 80 aan de [adres 2]
te Amstenrade. Ik had gedeeltelijk zicht op de voordeur. Ik zag enkel de bovenzijde
van de voordeur daar er een mini-Cooper, welke op de oprit stond, gedeeltelijk mijn
zicht beperkte. Ik kon de gehele oprit zien. Hierdoor kan ik met zekerheid verklaren
dat vanaf 14:30 uur tot 15:27 uur niemand het genoemde pand of de garage heeft
betreden of verlaten.
Om 15:28 uur is de later aangehouden verdachte [medeverdachte 2] , de eerste en de enige persoon welke het pand heeft betreden. De enige andere persoon welke het pand heeft verlaten om 15:32 uur, vervolgens direct de garage is ingegaan en vervolgens weer retour de woning is ingegaan om 15:34 uur is de later aangehouden verdachte [medeverdachte 6] .
Alle overige aangehouden verdachten waren derhalve al aanwezig in het pand vanaf
14:30 uur.
In het proces-verbaal van doorzoeking van 13 juli 2024 staat zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Op 13 juli 2024, om 15.36 uur, werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning op de [adres 2] , 6436CH te Amstenrade.
Het pand is ingedeeld in 9 ruimtes, zijnde:
1. Garage
2. Keuken
3. Hal
4. Zitruimte
5. Verpakkingsruimte
6. Badkamer
7. Gang
8. Slaapkamer
9. Productieruimte
Ik, [naam verbalisant 2] , heb het pand op deze wijze ingedeeld ten behoeve van de inbeslagname. De enige wijziging met de daadwerkelijke situatie is dat ruimtes 2, 4 en 5, zijnde de keuken, zitruimte en verpakkingsruimte in werkelijkheid 1 ruimte betrof.
In de kennisgevingen van inbeslagneming staat gerelateerd dat de volgende goederen op 13 juli 2024 in beslag zijn genomen aan de [adres 2] , 6436 CH te Amstenrade:
Aangetroffen in ruimte 4 (zitruimte):
- geperst blok bruin, goednummer 1721922;
- onbekende zak met inhoud, goednummer 1721928.
Aangetroffen in ruimte 5 (verpakkingsruimte):
- wit poeder, goednummer 1721994;
- wit poeder, goednummer 1722000;
- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722003;
- wit poeder, goednummer 1722007;
- zakjes met wit poeder, goednummer 1722009;
- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722010;
- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722015;
- wit poeder, goednummer 1722016;
- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722020;
- gripzakjes met mogelijk heroïne, goednummer 1722022;
- gripzakjes met wit poeder, goednummer 1722025.
In het proces-verbaal van het onderzoek naar de verdovende middelen van 19 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 6] en [naam verbalisant 7] , verklaren het volgende. Op 18 juli 2024 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek verricht aan aangeboden onderzoeksitems in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit het volgende.
Goednummer 1721922
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4101NL (netto gewicht 561,09 gram)
Goednummer 1721928
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4100NL (netto gewicht 484,61 gram)
Goednummer 1721994
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4096NL (netto gewicht 10,35 gram)
Goednummer 1722000
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4097NL (netto gewicht 0,96 gram)
Goednummer 1722003
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4130NL (netto gewicht 6,91 gram)
Goednummer 1722007
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4095NL (netto gewicht 2,44 gram)
Goednummer 1722009
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4094NL (netto gewicht 0,80 gram)
Goednummer 1722010
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4099NL (netto gewicht 32,10 gram)
Goednummer 1722015
Uniek Voorwerp Nummer: AARPA098NL (netto gewicht 3,63 gram)
Goednummer 1722016
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4134NL (netto gewicht 1,28 gram)
Goednummer 1722020
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4133NL (netto gewicht 0,17 gram)
Goednummer 1722022
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4132NL (netto gewicht 39,14 gram)
Goednummer 1722025
Uniek Voorwerp Nummer: AARP4131NL (netto gewicht 10,01 gram)
In de NFiDENT-rapporten van 18 en 19 juli 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
De volgende onderzoeksmaterialen bevatten heroïne:
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4101NL (netto gewicht 561,09 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4100NL (netto gewicht 484,61 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4132NL (netto gewicht 39,14 gram).
De volgende onderzoeksmaterialen bevatten cocaïne:
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4096NL (netto gewicht 10,35 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4097NL (netto gewicht 0,96 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4130NL (netto gewicht 6,91 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4095NL (netto gewicht 2,44 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4094NL (netto gewicht 0,80 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4099NL (netto gewicht 32,10 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARPA098NL (netto gewicht 3,63 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4134NL (netto gewicht 1,28 gram);
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4133NL (netto gewicht 0,17 gram)’
o Uniek Voorwerp Nummer: AARP4131NL (netto gewicht 10,01 gram).
In het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] van 16 augustus 2024 staat, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
M: Jij bent op 13 juli om 15.37 uur aangehouden in het pand op de
[adres 2] in Amstenrade.
A: Ik kwam die bewuste dag binnen en ik zag dingen waar ik zelf ook wel van geschrokken was.
M: Je zegt dat je die bewuste dag binnen kwam en dat je schrok.V: Waarvan schrok je?A: Wat ik op tafel zag liggen.V: Wat zag je op tafel liggen?A: Het leek op hasj en andere verdovende middelen.V: Op welke tafel lag de vermoedelijke hasj?A: Op de salontafel.
V: Voor welke tafel was je geschrokken?A: Ik schrok van de spullen wat op de salontafel en op grote tafel lagen in de woonkamer.V: Wat lag er op de grote tafel in de woonkamer?A: Ik zag iets liggen wat niet deugt.V: Wat maakt voor jou dat het niet deugde?A: Ik zag een weegschaal staan met vermoedelijk drugs erom heen liggen. Op de lage tafel zag ik een blok hasj liggen.
Bewijsoverweging (feit 2)
Zitruimte en verpakkingsruimte
De rechtbank stelt vast dat er in ruimte 4, de zitruimte, van het pand aan de [adres 2] te Amstenrade op 13 juli 2024 op de aldaar aanwezige salontafel bij de bank 1.045,70 gram heroïne is aangetroffen. In de verpakkingsruimte, ruimte 5, is 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne aangetroffen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de spullen in de zitruimte en verpakkingsruimte mogelijk verplaatst zijn nadat de politie is binnengetreden en daarom niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de drugs op de salontafel in de zitruimte en de drugs op de tafel in de verpakkingsruimte daar lagen voordat de politie binnentrad. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
[medeverdachte 6] heeft verklaard dat toen hij het pand in ging hij al de drugs op de salontafel (ruimte 4) en de grote tafel in de woonkamer (ruimte 5) heeft zien liggen. Volgens de observerende verbalisanten waren [medeverdachte 6] en zijn medeverdachten, met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 2] , in ieder geval al vanaf 14:30 uur in het pand aan de [adres 2] te Amstenrade aanwezig. De politie heeft het pand betreden om 15:36 uur. De rechtbank concludeert hieruit dat de drugs op het moment van binnentreden door de politie op zijn minst al een uur in de zitruimte (ruimte 4) en verpakkingsruimte (ruimte 5) lagen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [medeverdachte 6] bij binnenkomst andere hoeveelheden heeft gezien, nu hij heeft verklaard over een blok op de salontafel en een weegschaal met drugs eromheen op de hoge tafel, hetgeen ook is aangetroffen door de verbalisanten na binnenkomst in het pand.
Nu afgezien van (een) telefoon(s) niets anders op de bedoelde foto’s anders is ten opzichte van eerder gemaakte foto’s, geeft de situatie qua drugs en attributen op de salontafel en op de hogere tafel naar de overtuiging van de rechtbank nog altijd de situatie weer ten tijde van het binnenkomen door de politie. De door de raadsman bedoelde “soort prop” op een bank komt de rechtbank, wat daar overigens ook van zij, voor als een broodje. Dat dit eventueel op een andere foto weg is, verontrust de rechtbank niet qua betrouwbaarheid van het beeldmateriaal.
De rechtbank stelt voorts vast dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het opzettelijk ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet noodzakelijk is dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen, én dat deze goederen zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Gelet op de door [medeverdachte 6] afgelegde verklaring lagen de in de zit- en verpakkingsruimte (ruimtes 4 en 5) aangetroffen drugs al op zijn minst een uur op de plek waar die drugs ruim een uur later ook door de politie zijn aangetroffen. In deze ruimte is de verdachte op het moment van binnentreden ook aangetroffen. De verdachte zat in de zitruimte op de bank met voor hem de salontafel met daarop drugs. Direct achter deze bank stond de grotere, hogere tafel met daarop eveneens drugs. De drugs lagen dus in de directe nabijheid van de verdachte. De drugs lagen daarnaast duidelijk in het zicht. De verdachte heeft daarom wetenschap gehad van die drugs.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook over die drugs kúnnen beschikken.
Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft immers niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Of de verdachte zeggenschap had, of anders gezegd mócht beschikken, over de drugs is dus volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in dit kader niet relevant.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte samen met een ander of anderen de harddrugs aangetroffen in de zitruimte en verpakkingsruimte aanwezig heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het tenlastegelegde medeplegen. De verdachte en zijn medeverdachten waren weliswaar in dezelfde ruimte aanwezig, maar niet is gebleken dat de verdachten actieve handelingen hebben verricht die tot het oordeel zouden moeten leiden dat zij nauw en bewust samen hebben gewerkt om de harddrugs opzettelijk aanwezig te hebben.
De rechtbank acht dus bewezen dat de verdachte als pleger 1.045,70 gram heroïne, aangetroffen op de salontafel in de zitruimte, en 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne, aangetroffen in de verpakkingsruimte, opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Productieruimte
De verdachte ontkent iets te weten van wat zich in de productieruimte (ruimte 9) bevond of wat zich daar afspeelde. Hij zou enkel in de zitruimte en verpakkingsruimte (ruimtes 4 en 5) zijn geweest. De rechtbank overweegt dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte wetenschap had van de drugs aangetroffen in de productieruimte (ruimte 9). Wegens onvoldoende wettig bewijs zal de rechtbank de verdachte daarom vrijspreken van het aanwezig hebben van hetgeen is aangetroffen in de productieruimte
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
Feit 2
op 13 juli 2024 te Amstenrade opzettelijk aanwezig heeft gehad 68,65 gram cocaïne en 1084,84 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft aansluiting gezocht bij de OM-richtlijnen voor de straftoemeting en rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en overeenkomstig een taakstraf op te leggen. De verdediging heeft verzocht hoogstens een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 68,65 gram cocaïne en 1084,84 gram heroïne. Hoewel de rechtbank ten laste van de verdachte niet komt tot een bewezenverklaring van de bewerking van harddrugs duidt de aangetroffen hoeveelheid erop dat de voorraad bestemd was voor handel. Dit bleek voorts uit het feit dat hoeveelheden harddrugs klaar lagen om gewogen en verpakt te worden in kleinere zakjes of seals, waarmee de woning waar dit alles zich bevond een echt drugspand was. De verdachte kon dit alles ook zo zien liggen, en heeft daar kennelijk geen althans onvoldoende probleem in gezien, nu hij er minstens een uur lang heeft verbleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat met name harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (zware) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend. De verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd en dat rekent de rechtbank hem aan.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 12 september 2024 blijkt dat de verdachte recent niet is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. De reclassering heeft tevergeefs meerdere malen geprobeerd contact op te nemen met de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat het mogelijk een misverstand is geweest, dat hij een brief heeft gestuurd met zijn contactgegevens, dat hij moest wachten tot hij teruggebeld zou worden, maar dat dat nooit gebeurd is. De reclassering had uiteindelijk in ieder geval niet genoeg recente informatie om tot een gedegen advies te komen. Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat hij het mentaal zwaar heeft gehad in de gevangenis. Hij is hard aan het werk een leven op te bouwen zodat hij dat nooit meer hoeft mee te maken. De rechtbank neemt in haar overwegingen mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels ruim twee jaren is geschorst en dat de verdachte in die tijd niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorts vast dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt in de onderhavige zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van aanhouding, 13 juli 2024, als uitgangspunt. Dat betekent dat de redelijke termijn op het tijdstip van de uitspraak met ruim twee maanden is overschreden. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of aan deze overschrijding een consequentie dient te worden verbonden. De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief, omdat er gezien de aard en omvang van de zaak met zeven verdachten sprake is van een geringe en aanvaardbare overschrijding. De rechtbank volstaat dan ook met de enkele constatering dat de redelijke termijn met ruim twee maanden is overschreden.
Conclusie
Alles overwegend zal de rechtbank niet overgaan tot oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Zij vindt wel een vrijheidsbenemende straf de enige strafsoort die recht doet aan de belangen die de wetgever met de Opiumwet heeft willen beschermen; bij hoeveelheden harddrugs als in dit geval bewezenverklaard is een taakstraf - behoudens heel speciale uitzonderingen waarvan hier geen sprake is - niet toe te passen. De rechtbank zal aan de verdachte daarnaast wel nog een voorwaardelijke straf opleggen. Op die manier wordt de verdachte enerzijds geconfronteerd met de ernst van het bewezenverklaarde en komt die ernst ook voldoende tot uitdrukking en anderzijds fungeert de voorwaardelijke straf als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 53 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Nu de verdachte 97 dagen in voorarrest heeft gezeten, heft de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden op.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Gevangenisstraf
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.M. Geuns, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.