RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.227373-24
Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 1978,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 03.227327-24), [medeverdachte 2] (parketnummers 03.227267-24 en 03.076582-25 (ttz.gev.)),
[medeverdachte 3] (parketnummer 03.227291-24), [medeverdachte 4] (parketnummer 03-227340-24),
[medeverdachte 5] (parketnummer 03.227213-24) en [medeverdachte 6] (parketnummer 03-227252-24).
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne heeft vervaardigd, bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;
Feit 2: op 13 juli 2024 te Amstenrade samen met (een) ander(en) ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne aanwezig heeft gehad.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank hierna in haar overwegingen zonder nadere verwijzingen de voor partijen genoegzaam bekende benamingen uit het proces-verbaal zal hanteren ter aanduiding van locaties binnen de woning waar het tenlastegelegde betrekking op heeft. Relevant zijn daarin met name de zitruimte (alwaar een salontafel met bankstel stond, in het dossier aangeduid als ruimte 4) en de verpakkingsruimte (gelegen vlak achter de bank, alwaar een hogere tafel met stoelen stond, in het dossier aangeduid als ruimte 5). Ruimte 4 en ruimte 5 betreffen in werkelijkheid een open ruimte, waarin ook de open keuken van het pand, in het dossier aangeduid als ruimte 2, is gelegen. Daarnaast is relevant de productieruimte (zijnde een afzonderlijke kamer achterin de woning gelegen, in het dossier aangeduid als ruimte 9).
Uit het dossier komt naar voren dat in ruimte 4, de zitruimte, van het pand aan de [adres 2] te Amstenrade op 13 juli 2024 op de aldaar aanwezige salontafel bij de bank 1.045,70 gram heroïne is aangetroffen. In de verpakkingsruimte, ruimte 5, is 68,65 gram cocaïne en 39,14 gram heroïne aangetroffen en in de productieruimte, ruimte 9, 1,78 gram cocaïne en 2.068,97 gram heroïne.
De verdachte ontkent iets met de aangetroffen drugs te maken te hebben. Hij was op bezoek, en had, net voordat de politie binnentrad, eten bezorgd. Zoals de verdachte zelf heeft verklaard zou hij daar zelf ook blijven eten en daarna snel vertrekken.
Uit het dossier is gebleken dat de verdachte pas enkele minuten voordat de politie binnentrad in het pand aanwezig was. Voordat de verdachte ter plaatse kwam en het pand aan de [adres 2] binnenging, was er ruim een uur niets of niemand in of uit dat pand gegaan. De politie had gedurende die tijd voortdurend zicht op het pand. Medeverdachte Dogan heeft bij de politie verklaard dat op het moment dat hij binnen kwam in het pand, naar de rechtbank begrijpt: dus minstens een uur voordat de politie het pand binnentrad, de drugs zichtbaar aanwezig lagen op de salontafel (zitruimte 4) en de grote tafel in de woonkamer (verpakkingsruimte 5). Na binnentreden van de politie is de verdachte aangetroffen in de zitruimte. De rechtbank overweegt dat de verdachte daarom dus wel wetenschap had van de in de zit- en verpakkingsruimte aanwezige drugs. De zit- en verpakkingsruimte zijn immers daadwerkelijk één open ruimte en de drugs lagen duidelijk in het zicht. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over die drugs. De verdachte is slechte enkele minuten in het pand aanwezig geweest en verder zijn er onvoldoende aanwijzingen om vast te stellen dat hij over die drugs kón beschikken. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte op de ten laste gelegde datum betrokkenheid heeft gehad bij het bewerken van de in de verpakkingsruimte aangetroffen drugs.
Wat betreft de drugs aangetroffen in de productieruimte (ruimte 9) valt niet uit het dossier op te maken of de verdachte überhaupt wetenschap had van wat in de productieruimte lag of wat zich daar afspeelde, laat staan dat hij daar beschikkingsmacht over had.
Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, ter plaatse kwam om voor enkele mensen eten te bezorgen, acht de rechtbank genoegzaam gestaafd met de verklaringen van andere verdachten, en concreet ook met het aantreffen van een doos waarin eten gebracht was, welk eten grotendeels nog onaangeroerd op tafel stond. Tenslotte toont een kassabon daarbij dat het eten diezelfde dag rond het middaguur in Rotterdam betaald was, en naar de rechtbank gevoeglijk aanneemt, ook toen daar gekocht was, zoals ook door verdachte is verklaard.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs niet kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en zij zal daarom de verdachte daarvan vrijspreken.
4. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.M. Geuns, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2 hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,43 gram cocaïne en/of 3154,31 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.