RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.080937.25, 03.222187.25 en 03.180243.26 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te Sittard op [geboortedatum verdachte] 1986,
thans gedetineerd in P.I. Grave.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
03.080937.25
De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op zitting verschenen, bijgestaan door de heer Prikken van Slachtofferhulp Nederland. Namens [slachtoffer 3] is op zitting verschenen mr. L.M.E. Kleczewski, advocaat te Venlo. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
03.080937.25
Feit 1: op 3 maart 2025 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven door met een vuurwapen door de woonkamerruit van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten (primair), dan wel heeft geprobeerd aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd (meer subsidiair);
Feit 2: op 15 maart 2025 809 gram versnijdingsmiddel voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van handel in heroïne en/of cocaïne;
Feit 3: in de periode van 1 januari 2025 tot en met 15 maart 2025 [slachtoffer 3] heeft bedreigd door een vuurwapen tegen haar hoofd te duwen;
Feit 4: in de periode van 10 augustus 2023 tot en met 17 maart 2025 [slachtoffer 3] heeft mishandeld;
03.222187.25
op 3 maart 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
03.180243.26
Feit 1: in de periode van 16 januari 2026 tot en met 28 januari 2026 heeft gehandeld in cocaïne en/of heroïne;
Feit 2: op 28 januari 2026 1,38 gram heroïne en 1,20 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
03.080937.25 en 03.222187.25
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat een [auto] op de camerabeelden is te zien rond de plaats delict zes minuten voordat de schoten zijn gelost op de woning. Kort na het incident stopt de auto op de Bosstraat in Born en rijdt daarna weg. Twee uur later parkeert de verdachte zijn [auto] op dezelfde plek op de Bosstraat waar eerder die ochtend de [auto] stond. Daarnaast is op twee hulzen die bij de woning lagen DNA van de verdachte aangetroffen en zijn er op zijn jas en heuptasje schotresten aangetroffen waarbij het waarschijnlijker is dat de schotresten afkomstig zijn van de aangetroffen hulzen dan dat ze dat niet zijn. Het kan dan niet anders dan dat het verdachte is geweest die op de woning heeft geschoten. Dit feit dient gekwalificeerd te worden als bedreiging, omdat de bewoners op dat moment niet op de begane grond waren en daardoor geen sprake was van een aanmerkelijke kans dat de slachtoffers dodelijk zouden worden getroffen of ernstig zouden worden verwond. Omdat bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die met een vuurwapen op de woning heeft geschoten, kan ook worden bewezen dat de verdachte op die dag een vuurwapen voorhanden heeft gehad zoals ten laste gelegd onder parketnummer 03.222187.25.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de versnijdingsmiddelen zijn getest en de verdachte dit feit heeft bekend.
Ten aanzien van feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] worden ondersteund door foto’s en beschrijvingen van het letsel, de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van verdachte dat hij corrigerende tikken aan [slachtoffer 3] heeft gegeven. Tevens volgt uit de rapporten van Veilig Thuis dat [zoon slachtoffer 3] spreekt over het duwen van zijn moeder door de verdachte en dat de verdachte een wapen tegen haar hoofd heeft gehouden.
03.180243.26
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De drugs zijn getest, het dossier bevat voldoende berichten afkomstig uit de telefoon van de verdachte en de verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.
Het standpunt van de verdediging
03.080937.25 en 03.222187.25
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden. Het staat niet vast dat de auto die is te zien op de camerabeelden ten tijde van het schietincident de auto is van de verdachte. Het is ook onduidelijk of dit de auto is van de schutter. Evenmin staat vast dat de jas en de tas waar schotresten op zijn aangetroffen van de verdachte zijn. Daarnaast heeft de verdachte een duidelijke en verifieerbare verklaring gegeven hoe het kan dat zijn DNA is aangetroffen op de hulzen. De aanwezigheid van het DNA kan dus niet betrokken worden bij de beschieting. Voorts komen de uiterlijke kenmerken van de verdachte niet overeen met die van de schutter, was de verdachte in de ochtend bij [getuige 1] en had hij geen telefoon bij zich, terwijl de schutter wel een telefoon bij zich droeg. Ook heeft de verdachte geen motief voor de beschieting.
Voorts bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De verdachte dient dus ook vrijgesproken te worden van het feit ten laste gelegd onder parketnummer 03.222187.25.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] geen betrouwbare getuige is. Bovendien heeft [slachtoffer 3] verklaard dat zij enkel iets heeft gevoeld op haar achterhoofd en dat ze niks heeft gezien. Daarnaast komt de verklaring van [zoon slachtoffer 3] , die dit voorval zou hebben gezien, niet overeen met de verklaring van [slachtoffer 3] . Aan de verklaringen van [zoon slachtoffer 3] dient geen waarde te worden gehecht c.q. dienen deze met de nodige voorzichtigheid te worden benaderd. Voorts is er geen vuurwapen bij de verdachte aangetroffen.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de incidenten van 10 augustus 2023 en 27 februari 2025 niet bewezen kunnen worden. Het duwen van 10 augustus is niet ten laste gelegd en levert het ook niet zonder meer pijn of letsel op. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] inconsistent verklaard over het incident van 27 februari waarbij haar keel dichtgeknepen zou zijn door de verdachte. Ten aanzien van het incident van 11 maart 2025 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
03.180243.26
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
03.080937.25 feit 1 en 03.222187.25
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 1] heeft op 3 maart 2025 aangifte gedaan bij de politie en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Plaats delict: [adres slachtoffer 1] , binnen de gemeente Sittard-Geleen.
Op maandag 3 maart 2025 werd ik omstreeks 06:15 uur wakker door geluiden uit de
woonkamer.
Rond 08:00 uur ben ik naar beneden gegaan en zag ik glas liggen op de vloer. Ik heb
houten shutters voor mijn raam hangen en daar zat een gat in. Op dat moment wist ik
dat mijn huis was beschoten. Opvolgend heb ik mijn man wakker gemaakt en zijn we voor de woning gaan kijken of er iets te zien was. Ik zag dat er drie gaten in mijn raam
zaten. Toen we dit hebben waargenomen, heb ik meteen 112 gebeld.
[slachtoffer 2] heeft op 20 maart 2025 aangifte gedaan bij de politie en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
V: Vertel eens wat er op 3 maart 2025 omstreeks 06:15 uur - 06:30 uur, aan uw woning aan [adres slachtoffer 2] , heeft plaats gevonden?
A: Er waren vier schoten gelost op de woning, drie door de ruit en een is afgeketst op
de muur. Wij kwamen daar allemaal later achter ook via camerabeelden. Rond 08:00 uur kwam mijn vrouw naar boven en zei dat er op het huis geschoten was. Toen ik naar beneden ging, zagen we aan het glas en houtsnippers van de shutters wat er had plaatsgevonden.
In het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres slachtoffer 2] ) staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Op maandag 3 maart 2025 om 09:15 uur kwamen wij, naar aanleiding van een schietincident, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres slachtoffer 1] .
Wij zagen dat de plaats delict onder bewaking stond. Wij zagen dat in een gevelopening aan de voorzijde van de woning drie gaten zaten welke zouden kunnen passen bij kogelgaten.
Wij zagen dat op de bank een projectiel lag. Wij zagen dat er drie volledige doorschoten gaten in de ruit van de gevelopening aanwezig waren. In de houten shutter, ter hoogte van het middelste gat, zat ook een gat. Deze gaten werden door ons beoordeeld als een doorschot. Op de bank in de woning troffen wij een compleet projectiel aan (AAQJ5042NL). Tussen de vernielde ruit en de houten shutters troffen wij twee loden kernen aan en een aantal manteldelen.
In het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Born staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
[adres camerabeeld 1] Bestandsnaam: P250303_130749_131755.265 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:14:43 uur, komt er een voertuig in de richting van de [adres camerabeeld 1] gereden, komende uit de richting van de Kerkstraat. Om 06:14:57 uur is te zien dat het voertuig een bruinkleurig klein model betreft, welke de uiterlijke kenmerken heeft van [auto] . De koplampen van het voertuig staan aan en het voertuig komt om 06:15:07 uur tot stilstand langs het trottoir voor de woning gelegen aan de Bosstraat 20. Om 06:15:56 uur rijdt het voertuig weg in de richting van de Bosweg.
[adres camerabeelden 2] Bestandsnaam: Beelden [adres camerabeelden 2] oprit 20250303 0620 tot 0630 (1) 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:20:00 uur , komt er een voertuig aangereden, komende uit de richting van Pollux. Het voertuig rijdt [adres camerabeelden 2] op in de richting van de Postweg en verdwijnt om 06:20:26 uur uit beeld. Vermoedelijk betreft dit voertuig de [auto] , gezien de carrosserievorm, welke later in het proces verbaal wordt genoemd.
[adres camerabeelden 3] Bestandsnaam: 2a7b6435-30e8-4bba-a922-ed661e5e4ed7 (1) 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:22:15 uur , loopt er een persoon over [adres camerabeelden 2] ter hoogte van huisnummer 20 in de richting van de Burgemeester Onlandstraat , komende uit de richting van de Postweg.
[adres camerabeelden 2] Bestandsnaam: Beelden [adres camerabeelden 2] oprit 20250303 0620 tot 0630 (1) 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:23:40 uur, loopt er een persoon in de richting van de [adres camerabeelden 4] , komende uit de richting van de Postweg. De persoon heeft een telefoon in zijn handen, herkenbaar aan een opgelicht scherm op de beelden. De persoon verdwijnt om 06:23:44 uur uit beeld.
[adres camerabeelden 4] Bestandsnaam: 192.168.178.108_ch 1_20250303062503_20250303062729 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om06:25:26 uur, loopt er een persoon over de [adres camerabeelden 4] , komende uit de richting van [adres camerabeelden 2] , in de richting van de Hertog Willemstraat. De persoon verdwijnt om 06:25:28 uur uit beeld. Om 06:25:39 uurloopt er een persoon over de [adres camerabeelden 4] , komende uit de richting van de Hertog Willemstraat, in de richting van [adres camerabeelden 2] . De persoon heeft een telefoon in zijn hand, herkenbaar aan een opgelicht scherm op de beelden. De persoon verdween om 06:25:42 uur uit beeld. Om 06:26:24 uur zijn, direct achter elkaar, viertal schoten te horen.
[adres camerabeelden 2] Bestandsnaam: Beelden [adres camerabeelden 2] oprit 20250303 0620 tot 0630 (1) 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:26:50 uur, is te zien dat er een persoon richting de Postweg rent, komende uit de richting van de [adres camerabeelden 4] . De persoon blijft rennen totdat hij uit het beeld verdwijnt.
[adres camerabeeld 1] Bestandsnaam: P250303_132801_133807.265 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:30: [adres slachtoffer 2] uur, komt er een voertuig op [adres camerabeeld 1] aangereden, uit de richting van de Bosweg, en parkeert voor de woning langs het trottoir. De lampen van het voertuig worden gedoofd en het voertuig blijft tot 06:32:13 uur hier stilstaan. De lampen van het voertuig gaan weer aan en het voertuig rijdt weg in de richting van de Kerkstraat.
[adres camerabeelden 5] Bestandsnaam: 5_bestanden_20250303191403 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om 06:34:47 uur, komt er een voertuig aangereden, komende uit de richting van de Bosstraat, richting de Kapelweg. Het voertuig verdwijnt om 06:34:50 uur uit beeld. Dit betreft een [auto] , gezien de carrosserievorm, welke eerder ook al in het proces-verbaal wordt genoemd.
Overeenkomst voertuig en [auto] : de carrosserievorm; de bruine kleur van de lak van het voertuig; gele kentekenplaat; laag ijs op het dak; [auto] vertrekt om 06:32:13 vanaf de Bosstraat in de richting van de Kerkstraat. Gezien de afstand en het tijdsbestek klopt het dat om 06:34:47 uur de [auto] bij de Kerkstraat 19 komt langsgereden.
[adres camerabeeld 1] Bestandsnaam: P250303_155931_160938.265 03-03-2025 Op maandag 3 maart 2025, om09:00:27 uur, komt er een voertuig tot stilstand langs het trottoir voor de woning gelegen aan de Bosstraat 20. Het betreft een bruinkleurige [auto] voorzien van het Nederlandse kenteken 9XKX94 Dit voertuig staat op naam van [verdachte] , geboren op 19-03-1986 te Sittard. Het voertuig parkeert op exact dezelfde plek waar om 06:15:56 en om 06:30: [adres slachtoffer 2] uur eerdergenoemd voertuig stilstond. Op de camerabeelden is te zien dat de carrosserievorm van de voertuigen met elkaar overeenkomt.
Om 09:00:30 stapt er een persoon aan de bestuurderskant uit het voertuig. Het gelaat en kleding van de persoon vergeleken met de foto van de kentekenhouder van het voertuig, welke bij ons in het politiesysteem SKDB staat. De persoon op de camerabeelden betreft de kentekenhouder [verdachte] . Dit is te zien aan: donkerkleurige haren en dezelfde inhammen; lichtgetinte huidskleur; stoppelbaardje; vorm van het hoofd; uitstekende oren; capuchon van jas.
[verdachte] laat het raam van het bijrijdersportier open staan en loopt naar de voordeur van de woning gelegen aan de [adres slachtoffer 3] . Op dit adres staat ingeschreven: [slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1984 te Heerlen [zoon slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum wie?] 2014 te Sittard-Geleen
Volgens de politiesystemen hebben [verdachte] en [slachtoffer 3] een relatie gehad.
In het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres slachtoffer 2] ) staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Op maandag 3 maart 2025 heeft er een schietincident plaatsgevonden op de locatie [adres slachtoffer 1] . Later die dag werd er door een overbuurmeisje een huls op het wegdek ter hoogte van nummer [adres slachtoffer 2] aangetroffen. Het overbuurmeisje raapte de huls op en gaf deze aan haar vader die vervolgens de huls overhandigde aan de bewoonster van nummer [adres slachtoffer 2] .
Nadat de betrokkene mij de huls overhandigde, toonde ze mij, geassisteerd door de overbuurman, de plaats waar de huls oorspronkelijk werd aangetroffen. Vanaf deze plek zag ik in de goot tussen het wegdek en het parkeervak een vergelijkbare huls liggen. Deze huls lag deels onder een auto die er niet stond ten tijde van het schietincident. Deze huls heb ik veiliggesteld. Ik zag dat zowel de aangeleverde als ook de door mij aangetroffen huls een bodemstempel hadden "6.35 GECO".
Sporendragers SIN AARH0843NL > 6.35 Geco huls > aangetroffen in goot
In het rapport Forensisch DNA-onderzoek staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
SIN AARH0843NL > Enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de
frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard > mogelijke donor van DNA = [verdachte] .
In het proces-verbaal onderzoek voertuig ( [voertuig] ) staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Dit voertuig stond op de plaats delict waar drie keer was geschoten. Later werden op deze locatie twee hulzen gevonden. De verdenking rees dat de derde huls in de
watergoot van voertuig met kenteken [voertuig] zou liggen.
Na openen van de motorkap zagen wij in de watergoot, onder de linker ruitenwisser een verschoten huls liggen [AARH0823NL].
In het rapport Forensisch DNA-onderzoek staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
SIN AARH0823NL > Enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de
frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. > mogelijke donor van DNA = [verdachte] .
In het aanvullend rapport munitieonderzoek d.d. 23 juni 2025 staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Vraagstelling
1. Zijn de verschoten munitiedelen afkomstig uit één of meerdere vuurwapens?
2. Wat is het soort en merk van het (de) gebruikte vuurwapen(s)?
Resultaat / conclusie
1. De resultaten van het indicatief onderzoek worden verwacht wanneer de hulzen
[AARH0823NL en -43NL] zijn verschoten met één vuurwapen.
2. De afvuursporen in de hulzen [AARH0823NL en -43NL] worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 6,35mm Browning. Een merk kon niet worden vastgesteld.
In het rapport munitieonderzoek betreffende de op de bank van de woning aan [adres slachtoffer 2] aangetroffen kogel d.d. 16 mei 2025 staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Vraagstelling
1. Wat is het soort en merk van het gebruikte vuurwapen?
Resultaat / conclusie
1. De kogel [AAQJ5042] past het best bij het kaliber 6.35mm Browning. Patronen van dit kaliber worden doorgaans verschoten met (semi-) automatisch werkende pistolen. Omdat het een vuurwapen betreft met een gladde loop gaat het vermoedelijk om een omgebouwd gas-/alarmpistool. Een merk kon niet worden vastgesteld.
In het proces-verbaal van bevindingen staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Op maandag 17 maart 2025 trad ik, onder leiding van hulp officier van justitie J. Verheijden, binnen in de woning gelegen op de [adres slachtoffer 3] te Born ter inbeslagname.
Volgens de gemeentelijke basis administratie staan de navolgende personen ingeschreven op de [adres slachtoffer 3] te Born:
[slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1984
[zoon slachtoffer 3] geboren [geboortedatum wie?] 2014
In de woning werd eerder de verdachte [verdachte] aangehouden en hij heeft vermoedelijk enkele dagen voor de aanhouding daar verbleven.
De navolgende goederen werden tijdens de doorzoeking in beslag genomen:
- een jas van het merk Peuterey zwart van kleur aangetroffen hangend aan de kapstok in de gang met goednummer PL2300-2025041410-1788364;
- een tas van het merk lcono zwart van kleur aangetroffen op een mat in de keuken met goednummer PL2300-2025041410-1788362.
Fotobijlage van de inbeslaggenomen tas op pagina 362.
In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen aantreffen jas staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Op maandag 17 maart 2025, vanaf 13.12 uur, was ik in mijn hoedanigheid als hulpofficier van justitie betrokken bij een doorzoeking in een woning gelegen aan de [adres slachtoffer 3] in Born.
Tijdens de doorzoeking kwam de bewoonster [slachtoffer 3] ook naar haar woning. Terwijl zij bij de voordeur stond, vertelden we haar dat wij onder andere op zoek waren naar kleding van de heer [verdachte] . Hierbij wees ik naar een zwarte jas aan de kapstok in de gang en vroeg aan de bewoonster van wie die jas was. Ze antwoordde hierop dat deze van de heer [verdachte] was.
Het betrof een zwarte jas van het merk Peuterey. Deze jas werd in beslag genomen.
Deze jas heeft in het onderzoek goednummer PL 2300-2025031310-1788364 gekregen.
In het proces-verbaal van bevindingen aanvullende verklaring aangever [slachtoffer 3] staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Aan aangeefster wordt, door verbalisant, een foto getoond van een tasje dat bij de zoeking is aangetroffen. (De rechtbank ziet dezelfde foto afgebeeld op pagina 98 als op pagina 362).
“U toonde mij daarnet een foto van een zwart tasje dat u bij deze zoeking aantrof.
Dit is het tasje waar ik eerder over verklaard heb, het tasje waar [verdachte] het vuurwapen en geld in bewaarde en bij zich droeg.’’
In het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig ( [auto] ) staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Het heuptasje werd aan de binnenzijde bemonsterd op schotresten.
De linker mouw van de jas werd aan de buitenzijde bemonsterd op schotresten.
De rechter mouw van de jas werd aan de buitenzijde bemonsterd op schotresten.
Monster spoor
SIN AAQC8945NL
Kleding, tas, stuur en pook
Sporendragers
Goednummer 1788362
Tas
Merk: Icono
Goednummer 1788364
Jas
Merk: Peuterey
In het NFI rapport schotrestenonderzoek staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
SIN AAQC8945NL
Bemonsterset; kleding, tas, stuur en pook
Een onderzoeksset schiethanden waarmee afzonderlijk 1) de linker- en 2) rechtermouw van een jas, 3) een heuptas en 4) het stuur en de versnellingspook van een auto zijn bemonsterd.
In de benoeming van en opdracht aan een deskundige van de officier van justitie
van 7 april 2025 staat vermeld:
"Zijn er op de bemonsteringen van de heuptas of op de bemonsteringen van de
mouwen of de bemonstering van het stuur/pook schotresten aanwezig?"
Bovenstaande vraagstelling wordt beantwoord aan de hand van een set hypothesen:
Hypothese Al: Op de bemonstering(en) zijn schotresten aanwezig.
Hypothese A2: Op de bemonstering(en) zijn géén schotresten aanwezig.
Heuptas
Op de stub waarmee de heuptas is bemonsterd, zijn categorie A en categorie B
deeltjes aangetroffen, zie tabel 2. Op basis van de kenmerken van de verzameling
aangetroffen deeltjes, de beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in
zaakonderzoek is het naar mijn oordeel extreem veel waarschijnlijker de
verzameling deeltjes aan te treffen wanneer hypothese Al (wel schotresten
aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese A2 (géén schotresten aanwezig) waar is.
Mouwen jas
Op de stubs waarmee de mouwen van een jas zijn bemonsterd, zijn categorie A en
categorie B deeltjes aangetroffen, zie tabel 2. Op basis van de kenmerken van de
verzameling aangetroffen deeltjes, de beschikbare literatuur en de ervaring op het
NFI in zaakonderzoek is het naar mijn oordeel zeer veel waarschijnlijker de
verzameling deeltjes aan te treffen wanneer hypothese Al (wel schotresten
aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese A2 (géén schotresten aanwezig) waar is.
In het aanvullend schotrestenonderzoek staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Te onderzoeken materiaal
SIN AAQC8945NL - bemonsterset; kleding, tas, stuur en pook
SIN AARH0823NL - munitie (huls)
SIN AARH0843NL - munitie (huls)
In de benoeming van en opdracht aan een deskundige van de officier van justitie
van 13 juni 2025 staat voor ieder stuk van overtuiging vermeld:
"Komen de deeltjes op de onderzoeksset schiethanden, waarmee goederen zijn
bemonsterd, overeen met de deeltjes uit de aangeleverde verschoten hulzen?"
Om bovenstaande vraag te kunnen beantwoorden worden de kenmerken van de
verschillende deeltjesverzamelingen vergeleken en beschouwd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vooraf opgestelde hypothesen. Voor het opstellen van de onderstaande set hypothesen is ervan uitgegaan dat de hulzen afkomstig zijn van patronen die bij het schietincident zijn verschoten.
Hypothese VI: De verzamelingen deeltjes op de bemonsteringen zijn afkomstig van
het verschieten van de hulzen aangetroffen op de plaats delict.
Hypothese V2: De verzamelingen deeltjes op de bemonsteringen zijn afkomstig van
willekeurig ander(e) verschoten huls/hulzen.
Op basis van bovenstaande beschouwing, de beschikbare literatuur en de ervaring
op het NFI in zaakonderzoek is het naar mijn oordeel iets waarschijnlijker wanneer
hypothese VI (deeltjes afkomstig van het verschieten van de hulzen aangetroffen op
plaats delict) waar is, dan wanneer hypothese V2 (deeltjes afkomstig van het
verschieten van willekeurig ander(e) huls/hulzen) waar is.
De verdachte heeft ter terechtzitting zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Ik verbleef rond de periode van de aanhouding bij [slachtoffer 3] . Op 17 februari 2025 moest ik mijn woning uit en vanaf dat moment verbleef ik regelmatig bij [slachtoffer 3] .
De bewijsoverweging
In dit onderzoek is een aantal DNA-sporen aangetroffen. Gelet op de in de bewijsmiddelen genoemde bewijswaarde van die sporen, gaat de rechtbank ervan uit dat de in de bewijsmiddelen genoemde “mogelijke” donor ook de daadwerkelijke donor is. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat het DNA van verdachte op de hulzen zat.
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het de verdachte is geweest die in de vroege ochtend van 3 maart 2025 vier kogels op de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft afgevuurd. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat er rond 6.15 uur in de ochtend een [auto] van nabij de woning van [slachtoffer 3] , waar de verdachte op dat moment verblijft, in de richting van [adres camerabeelden 2] rijdt en vervolgens de Postweg in rijdt. Vervolgens loopt een persoon vanuit de Postweg over [adres camerabeelden 2] richting de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De persoon loopt eerst voorbij die woning, maar loopt kort daarna terug, richting die woning. Vervolgens zijn er vier schoten te horen. Daarna rent de persoon richting de Postweg en enkele minuten later is de [auto] weer te zien op de Bosweg nabij de woning van [slachtoffer 3] . De [auto] blijft daar even staan en rijdt vervolgens weg. Om 9.00 uur parkeert een zelfde [auto] op dezelfde plek nabij de woning van [slachtoffer 3] als waar eerder de [auto] stond. Te zien is dat de verdachte uit die [auto] stapt. Die omstandigheden in combinatie met de omstandigheden dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op twee hulzen die zijn gevonden rond de plaats delict, de op de bank van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangetroffen kogel past bij hetzelfde type vuurwapen als de buiten de woning aangetroffen hulzen, op de jas en een tasje van de verdachte schotresten aangetroffen en dat uit onderzoek is gebleken dat het iets waarschijnlijker is dat de schotresten op de jas en het tasje afkomstig zijn van het verschieten van de hulzen waarop het DNA van de verdachte is aangetroffen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie leiden.
De verdachte verklaarde ter terechtzitting weliswaar dat hij eerder kogels van kennissen in zijn handen heeft gehad en dat mogelijk zijn DNA zo op de hulzen terecht zijn gekomen, maar de verdachte heeft die verklaring verder geen handen en voeten gegeven. De verdachte wil verder geen informatie geven over de personen van wie die kogels waren en hoe het kan dat die kogels, die hij heeft vastgehad, vervolgens zijn gebruikt bij het beschieten van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Mede gelet op alle andere omstandigheden die in de richting van de verdachte wijzen, schuift de rechtbank die verklaring dan ook als ongeloofwaardig en onaannemelijk ter zijde. Dat geldt ook voor de verklaring van de verdachte dat de jas en het tasje niet van hem zouden zijn. De jas en het tasje werden op 17 maart 2025 door de politie aangetroffen in de woning van [slachtoffer 3] , waar de verdachte op dat moment verbleef. [slachtoffer 3] heeft toen direct verklaard dat de jas van de verdachte was. Tijdens haar verhoor op 19 maart 2025 heeft zij desgevraagd verklaard dat ook het tasje van de verdachte was. [slachtoffer 3] was op dat moment nog niet op de hoogte van het onderzoek naar (schotresten betreffende) het schietincident en had dan ook geen reden om de verdachte als eigenaar van de goederen aan te wijzen als dat niet de waarheid zou zijn. Waarom [slachtoffer 3] daar dan zo stellig over heeft verklaard kan de verdachte niet uitleggen. Evenmin kan de verdachte verklaren van wie de jas volgens hem dan wel zou moeten zijn, terwijl de verdachte zelf in de woning verbleef waar de jas door de politie werd aangetroffen.
Niet gebleken is dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Evenmin is sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Bij het schieten op de woning bestond namelijk onder de gegeven omstandigheden niet de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] daardoor zou(den) komen te overlijden of dat aan (een van) hen zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Tijdens de beschieting bevonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich op de bovenverdieping terwijl geschoten is op het raam van de woonkamer op de begane grond. Het schietincident vond bovendien in de vroege ochtend plaats terwijl nergens uit blijkt dat de verdachte wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weleens vroeg in de woonkamer een kop koffie drinken. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat geen sprake is van poging doodslag of poging zware mishandeling. De rechtbank acht wel bewezen dat sprake is van bedreiging. Het behoeft immers geen uitleg dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als gevolg van het gebeuren ernstig bedreigd hebben gevoeld. De rechtbank acht daarmee het meer subsidiair ten laste gelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
03.222187.25
Met de conclusie dat het de verdachte is geweest die geschoten heeft op de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op die dag een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht daarmee ook het ten laste gelegde onder parketnummer 03.222187.25 wettig en overtuigend bewezen.
03.080937.25 feit 2
De bewijsmiddelen
De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en hij, noch zijn raadsvrouw, vrijspraak heeft bepleit.
De rechtbank acht het feit bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2025, pagina 296 en 297;
het proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 april 2025, pagina 225 en 226;
het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2025, pagina 233 t/m 235;de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026.
03.080937.25 feit 3
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
O: Je gaf aan dat hij een wapen op je hoofd heeft gezet.
V: Wanneer was dat?
A: Dat was zo'n 2 maanden geleden. Het was een vuurwapen met en demper erop. Ik kan nog zeggen wat voor iets het was. Het was een Baretta, met een zilveren demper. Hij had er 11 kogels bij, eentje was hij kwijtgeraakt.
O: 2 maanden geleden kreeg je het vuurwapen tegen je hoofd.
A: Hij was weer wakker, hij had niet geslapen, het was in de ochtend, 5 of 6 uur. Ik
ben toen naar beneden gegaan en zag dat hij gedronken had. Hij had weer een fles
leeg. Hij lag in de woonkamer. Ik zei tegen hem waarom hij niet was gaan slapen. Ik
zei dit waarschijnlijk te hard tegen hem waardoor hij agressief werd. Hij reageerde
door te zeggen, ik zal je je tanden eruit slaan, gevolgd door kankerhoer en zoiets
allemaal. De toon was hard en [zoon slachtoffer 3] (zoon) kwam de trap afgelopen.
Ik wilde naar [zoon slachtoffer 3] gaan en rende naar [zoon slachtoffer 3] toe. Toen ik op de tweede trede van de
trap stond, voelde ik dat ik iets tegen mijn hoofd gedrukt kreeg. Ik wist meteen dat
het dat wapen was. Het voelde koud aan, het was iets ronds. Dat was die demper, ik wist het meteen. Even later zag ik dat het dat wapen was.
[getuige 2] heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard bij de politie:
Bij aanvang van het verhoor deelden wij aan de getuige het volgende mee:
Uw dochter, [slachtoffer 3] , heeft tegen haar ex-vriend, [verdachte] , aangifte gedaan terzake bedreiging/mishandeling. In deze aangifte verklaarde [slachtoffer 3] dat haar zoontje [zoon slachtoffer 3] van alles tegen u gezegd heeft over de situatie thuis.
V: Wat vertelde [zoon slachtoffer 3] verder over [verdachte] ?
A: [zoon slachtoffer 3] heeft ons ook verteld over een keer dat [verdachte] zijn moeder een pistool tegen het hoofd gehouden heeft. Dit pistool zou in de koelkast liggen en er zou een demper op zitten.
[medewerker school] heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard bij de politie:
Ik ben werkzaam op de Parkschool te Limbricht zijnde een school voor speciaal
onderwijs.
Vorige week woensdag 1 oktober 2025 omstreeks 09:20 uur sprak [zoon slachtoffer 3] met mij. Rond 11:00 uur kwam een medeleerling mij halen omdat [zoon slachtoffer 3] heel hard aan het huilen was. Ik ben met [zoon slachtoffer 3] in een kantoortje gaan zitten. [zoon slachtoffer 3] vertelde onder andere dat hij heel bang is en heel boos is op [verdachte] .
[zoon slachtoffer 3] vertelde dat [verdachte] ook een keer een wapen op het hoofd van zijn moeder gezet heeft. Dat hij dat gezien heeft.
Vervolgens hoorde ik dat hij een hele tijd zat te huilen.
In het proces-verbaal van bevindingen staat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
In dit onderzoek kwam het onderzoeksteam in bezit van het trauma-dossier van [zoon slachtoffer 3] . [zoon slachtoffer 3] werd behandeld na zijn traumatische ervaringen, welke hij in zijn thuisomgeving had meegemaakt over een langere periode. [zoon slachtoffer 3] is onder behandeling voor zijn trauma’s bij de therapeuten van stichting Koraal.
2 september 2025 :
Vervolgens nodig ik hem ( [zoon slachtoffer 3] ) uit om een tekening te maken van de meest vervelende herinnering aan de thuissituatie en hij schetst dan eerst de situatie dat de toenmalige vriend van moeder, moeder een pistool tegen haar hoofd houdt en daarna dat deze man moeder tegen een punt van de tafel duwt. Tijdens het tekenen trilt [zoon slachtoffer 3] heel erg met zijn hand en maakt hij veel onrustige bewegingen met zijn armen.
De bewijsoverweging
Aan de hand van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte ongeveer twee maanden voor zijn aanhouding [slachtoffer 3] heeft bedreigd door een vuurwapen tegen haar hoofd aan te duwen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [zoon slachtoffer 3] niet betrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt dat verweer. De verklaringen van [slachtoffer 3] , [medewerker school] en [getuige 2] vinden over en weer steun in elkaar en vinden bovendien steun in het trauma-dossier van [zoon slachtoffer 3] bij stichting Koraal. [slachtoffer 3] en [zoon slachtoffer 3] verklaren overeenkomstig over het voorval. Voorts volgt uit het rapport van Koraal dat [zoon slachtoffer 3] een tekening maakte van dat de toenmalige vriend van zijn moeder een pistool tegen haar hoofd houdt. Tijdens het tekenen trilde [zoon slachtoffer 3] heel erg met zijn hand en maakte hij onrustige bewegingen met zijn armen. Ook de beschreven waargenomen emoties van [zoon slachtoffer 3] maken dat de rechtbank zijn verklaring betrouwbaar acht.
De rechtbank acht feit 3 daarmee wettig en overtuigend bewezen.
03.080937.25 feit 4
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan en zakelijk weergegeven verklaard:
O: [slachtoffer 3] , voordat wij de opname van het geluid startten, gaf je aan dat je openheid van zaken wilt geven. Je vertelde dat je een wapen op je hoofd hebt gehad een aantal
weken geleden. Jouw zoon [zoon slachtoffer 3] is daar getuige van geweest. Ook ben je mishandeld en je liet ons een behoorlijke blauwe plek zien aan de rechterzijde van je heup. Je hebt er genoeg van en wilt ook aangifte doen. Je wilt niet naar huis en zit nu op een plek waar je je veilig voelt. Je bent bang dat als [verdachte] vrijkomt dat hij gelijk naar jou op zoek gaat en daarbij niet schroomt om vrienden van jou hiervoor te benaderen om te achterhalen waar je zit.
A: Dat klopt. Na de carnavalsvakantie wilde ik ook al de relatie beëindigen, toen
zijn ook collega's van jullie hier geweest. Dat is het letsel dat ik jullie zojuist
getoond heb op mijn heup. Hij heeft toen ook mijn keel dichtgeknepen.
O: Ik zie inderdaad een foto van je hals/keel die blauw is. Daar staat de datum
zondag 2 maart bij.
O: Ik zie dat op 27 februari een VT melding is opgemaakt. Dat is de dag dat jij mishandeld bent.
A: Ja dat is de dag dat politie is geweest en ik [verdachte] de deur heb uitgezet.
O: Dus tussen 27 februari en 12 maart is de periode waar we het over hebben.
A: Hij is naar het hotel gegaan omdat ik hem niet binnen liet. Zeker 5 dagen. Hij was
500 euro hiervoor kwijt. Daarna is weer bij mij geweest, 2 of 3 nachten. Totdat ik
weer vuisten kreeg, toen heb ik hem weer eruit gezet en is hij naar het Ibiss-hotel
bij Stein geweest.
V: Stel hij was gestopt, was je dan bij hem gebleven?
A: Nee, wie wil er als boksbal gebruikt worden, stoten krijgen waardoor je ribben
kneuzen. Dit gaat van kwaad tot erger, die stopt niet.
[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan en zakelijk weergegeven aanvullend verklaard:
Door de verbalisant worden de door aangeefster reeds verzonden foto’s besproken.
Dit is een foto van mijn heup (p. 99) waar ik ook al over sprak. Daar heeft hij mij met vuisten geslagen. Dat was een dag voor mijn opname voor de operatie. Hiermee ben ik vanochtend (ma 17-3-25) naar de huisarts geweest. Morgen moet ik foto’s laten maken van mijn rib, rechts, omdat men een scheur vermoedt.
In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot meldingen bekend bij de politie d.d. 13 mei 2025 staat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op donderdag 27 februari 2025, omstreeks 11.20 uur, kregen wij van het operationeel centrum de opdracht om te gaan naar de [adres slachtoffer 3] in Born. De melder gaf aan dat een vrouw op straat rende en om de politie vroeg. Deze vrouw betrof [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft een 10-jarige zoon genaamd [zoon slachtoffer 3] .
Ter plaatse kwam [slachtoffer 3] naar ons toe lopen en was zij aan het huilen. Ze vertelde ons dat zij mishandeld was door haar vriend. Haar vriend betrof [verdachte] . [slachtoffer 3] vertelde dat zij geslagen was door [verdachte] . Wij zagen lichte krassen in de nek van [slachtoffer 3] . Verder zagen wij een kleine blauwe verkleuring boven het oog van [slachtoffer 3] Ook zagen wij dat [slachtoffer 3] bloed op haar oor had.
In het Forensisch medisch letselrapportage staat zakelijk weergeven het volgende gerelateerd:
Betrokkene: K. [slachtoffer 3]
Conclusie
Op 17/18-03-2025 4 gebroken ribben rechts.
[getuige 2] is als getuige gehoord en heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
V: Wat vertelde [zoon slachtoffer 3] verder over [verdachte] ?
A: Ik had van [zoon slachtoffer 3] gehoord dat [slachtoffer 3] en [verdachte] ruzie hadden gehad en dat [slachtoffer 3]
klappen van hem had gehad.
V: Wat heeft [zoon slachtoffer 3] verder verteld over mishandelingen door [verdachte] van zijn moeder?
A: Ruzies tussen hen dat hij dan naar boven ging terwijl zij ruzie hadden. Toen die keer dat zijn moeder niet rechtop kon staan vanwege de pijn aan haar ribben.
V: En nu recent, heeft ze nu recent wel iets verteld over haar relatie met [verdachte] ?
A: Nu laat ze foto’s zien aan ons. Daarop zie je bijtwonden en dat ze geslagen is. Verwondingen aan haar keel. Dat verhaal kennen we wel. [zoon slachtoffer 3] had toen gehoord
dat zijn moeder was geslagen en dat de politie was geweest. Blauwe plekken aan haar keel en ribben.
V: Wat vertelde [slachtoffer 3] hoe ze aan die verwondingen was gekomen?
A: Dat [verdachte] dat allemaal bij haar gedaan had.
V: Wat kunt u verklaren over letsel aan [slachtoffer 3] heup, rechterzijde?
A: Dat [zoon slachtoffer 3] s' morgens zei dat voordat hij naar school ging, dat [verdachte] zijn moeder weer geslagen had in haar ribben. Dat ze bijna niet kon lopen. Daar heeft ze nu nog moeite mee. Het zijn ook vier ribben.
V: Hoe lang is dit geleden?
A: Begin vorige week. Twee dagen voor ze opgenomen werd in het ziekenhuis op woensdag. Dus 10 of 11 maart.
V: Wat kunt u verklaren over het dichtknijpen van [slachtoffer 3] keel?
A. Dat is geweest toen [zoon slachtoffer 3] ons belde dat de politie was gekomen. [zoon slachtoffer 3] zei: "als de politie niet was gekomen was mama dood geweest”.
V: Wat kunt u verklaren over het klappen krijgen?
A: Dat [zoon slachtoffer 3] dat zei dat als ze ruzie hadden er klappen vielen.
De bewijsoverweging
De rechtbank stelt vast dat de verdachte [slachtoffer 3] op meerdere momenten heeft mishandeld door haar te slaan en haar keel dicht te knijpen. [slachtoffer 3] heeft hier verwondingen aan overgehouden waaronder vier gebroken ribben. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer 3] , die steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Zo verklaarden getuigen [getuige 2] en [zoon slachtoffer 3] overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 3] en vindt haar verklaring steun in de foto’s en het letselrapport.
De rechtbank acht daarmee feit 4 wettig en overtuigend bewezen.
03.180243.26
De rechtbank volstaat ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de bewezenverklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en hij, noch zijn raadsvrouw, vrijspraak heeft bepleit.
De rechtbank acht de feiten bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2026, pagina 30;
het proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen d.d. 29 januari 2026, pagina 32;
het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. [geboortedatum verdachte] 2026, pagina 34 t/m 38;
het rapport NFI d.d. 16 maart 2026, pagina 39;
het rapport NFI d.d. 16 maart 2026, pagina 40;
het proces verbaal van bevindingen onderzoek Apple iPhone d.d. 24 februari 2026, pagina 41 t/m 59;
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, waarop het, gelet op zijn inhoud, betrekking heeft.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
03.080937.25
Feit 1 meer subsidiair:
op 3 maart 2025, te Born, gemeente Sittard-Geleen,
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door meermalen met een vuurwapen door de woonkamerruit van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten;
Feit 2:
op 15 maart 2025, te Born, gemeente Sittard-Geleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het
plegen van dat feit, door 796 gram versnijdingsmiddel voorhanden te hebben;
Feit 3:
in de periode van 1 januari 2025 tot en met 15 maart 2025, te Born, gemeente Sittard-Geleen,
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] een vuurwapen met een demper tegen haar hoofd te duwen;
Feit 4:
in de periode van 27 februari 2025 tot en met 17 maart 2025, te Born, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, meermalen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door -onder meer- tegen haar lichaam te slaan, haar keel dicht te knijpen en tegen haar ribben te slaan en/of te stompen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
03.222187.25
op 3 maart 2025, te Born, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een onbekend gebleven categorie III wapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
03.180243.26
Feit 1:
in de periode van 16 januari 2026 tot en met 28 januari 2026 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en/of
verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne
en heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2:
op 28 januari 2026 in Geleen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1,38 gram van een materiaal bevattende heroïne,
- ongeveer 1,20 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde heroïne en cocaïne,
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
03.080937.25
Feit 1 meer subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
Feit 2: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Feit 4: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd
03.222187.25
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
03.180243.26
Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf en de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaren en de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze vrijheidsbeperkende maatregel houdt in een contactverbod met [slachtoffer 3] en [medewerker school] voor de duur van vijf jaren met een vervangende hechtenis van zeven dagen per overtreding met een maximum van zes maanden. De vervangende hechtenis dient bij iedere overtreding met zeven dagen te worden verhoogd. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen bij vonnis.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Het zwaartepunt ligt hierbij bij de beschieting van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 3 maart 2025. De verdachte heeft in de vroege ochtend vier keer met een vuurwapen op het woonkamerraam van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschoten. Nu [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich op dat moment niet in de woonkamer bevonden, maar boven op de slaapkamer, kan niet gesproken worden van een poging tot doodslag. Het behoeft echter geen betoog dat dit handelen ernstig bedreigend is geweest. Dat dit ook zo ervaren is, blijkt wel uit de verklaringen die voorgedragen zijn ter zitting. Tot op heden weten de slachtoffers ook niet waarom de kogels hun woning moesten treffen. Het zou zo kunnen zijn dat de verdachte hier op de verkeerde woning heeft geschoten, maar de verdachte wil hier geen duidelijkheid over geven; sterker nog, hij blijft tegen de klippen op ontkennen. Dat neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.
In die periode en de periode daaraan voorafgaand heeft de verdachte ook zijn inmiddels ex-vriendin meermalen mishandeld en haar bedreigd door een vuurwapen tegen haar hoofd aan te duwen. Dit zelfs in het bijzijn van haar nog jonge zoontje die daar kennelijk traumatische herinneringen aan heeft. Het traumadossier laat op onthutsende wijze zien welke schade dit handelen van de verdachte heeft aangericht bij [zoon slachtoffer 3] .
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere Opiumwetfeiten, daarmee bijdragend aan een grote maatschappelijke problematiek.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 augustus 2026 volgt dat de verdachte in de afgelopen jaren niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank houdt voorts in de strafoplegging rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte ontkent zeer stellig de persoon te zijn geweest die op 3 maart 2025 op de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten. Hij zou ook nooit een vuurwapen hebben gehad en zijn ex-vriendin [slachtoffer 3] niet zo hebben mishandeld zoals zij heeft verklaard en al helemaal geen vuurwapen tegen haar hoofd hebben geduwd. Tot en met de terechtzitting van 22 september 2026 neemt de verdachte op geen enkele manier zijn verantwoordelijkheid voor die feiten. Daarnaast heeft de verdachte de feiten onder parketnummer 03.180243.26 gepleegd terwijl hij in een schorsing liep van de voorlopige hechtenis voor de feiten met parketnummers 03.080937.25 en 03.222187.25.
Gelet op de ernst van de feiten en de genoemde omstandigheden bij elkaar bezien kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere straf worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank zal voorts als extra waarborg, ter beveiliging van [slachtoffer 3] en [medewerker school] en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, namelijk een contactverbod met [slachtoffer 3] en [medewerker school] en een locatieverbod voor de SO/VSO Parkschool op de Onderste Sittarderweg 4 te Limbricht en de Bosstraat, Bosweg, Kempstraat, Hennekuilstraat, Torenstraat, Putstraat, Kerkstraat, Groenstraat, Monseigneur Buckxstraat en Omstraat te Born. Gelet op de ernst van het feit en ter bescherming van de slachtoffers, zal de rechtbank die maatregel opleggen voor een periode van vijf jaren. De vervangende hechtenis per overtreding van het verbod zal de rechtbank op zeven dagen bepalen met een maximumduur van de totale vervangende hechtenis van zes maanden. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank niet bepalen dat de vervangende hechtenis bij iedere overtreding nog eens met zeven dagen wordt verhoogd. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens de slachtoffers, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Voorlopige hechtenis
Omdat aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet opheffen.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
De vorderingen van de benadeelde partijen
03.080937.25
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.500,00 euro ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 4.237,95 euro ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
a. eigen risico opstalverzekering: 100,00 euro
b. eigen risico inboedelverzekering: 100,00 euro
c. osteopaat: 203,00 euro
d. opslag tuinhuis: 250,00 euro
e. reiskosten: 84,95 euro
f. immateriële schade: 3.500,00 euro
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 4.500,00 euro ter zake van feit 3 en 4. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende onderbouwd en toewijsbaar en concludeert dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
[slachtoffer 1]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden. De psychische gevolgen bestaan uit slaapproblemen, zij is schrikachtig en ze heeft moeite met concentreren. Dit is onvoldoende om van geestelijk letsel te spreken dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld.
[slachtoffer 2]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de osteopaat, de reiskosten en de kosten voor opslag van het tuinhuisje afgewezen dienen te worden. De kosten voor de osteopaat en de reiskosten acht de verdediging onvoldoende onderbouwd en het causaal verband met betrekking tot de kosten voor de opslag van het tuinhuisje ontbreekt. De immateriële schade dient te worden afgewezen, omdat niet is vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij.
[slachtoffer 3]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat een lager bedrag aan schadevergoeding moet worden toegewezen dan gevorderd, te weten 1000,00 euro. Na de ten laste gelegde feiten heeft [slachtoffer 3] nog zeer langdurig een relatie met de verdachte onderhouden en opvallend is dat [slachtoffer 3] samen met de verdachte in de auto wordt aangetroffen tijdens de eerste schorsing van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
03.080937.25
[slachtoffer 1]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 meer subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd van 3.500,00 euro bestaande uit immateriële schade.
De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt het ander nadeel onder meer voor vergoeding in aanmerking als sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze.
Op grond van de onderbouwing van de schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat voldoende objectief is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, komt het gevorderde bedrag de rechtbank niet onrechtmatig voor. De rechtbank zal daarom de gehele vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakend handelen, zijnde 3 maart 2025.
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
[slachtoffer 2]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 meer subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van 3.700,00 euro. Dit bedrag bestaat uit de navolgende posten:
a. eigen risico opstalverzekering: 100,00 euro;
b. eigen risico inboedelverzekering: 100,00 euro;
c. immateriële schade: 3.500,00 euro.
Op grond van de onderbouwing van de schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat de schadeposten ten aanzien van het eigen risico van de opstalverzekering en de inboedelverzekering voldoende zijn onderbouwd en dat voldoende objectief is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, komt de gevorderde vergoeding ter zake immateriële schade de rechtbank niet onrechtmatig voor. De rechtbank wijst dat de voornoemde posten van de vordering dan ook volledig toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakend handelen, zijnde 3 maart 2025.
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Ten aanzien van kosten voor de osteopaat (203,00 euro) is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij het causaal verband tussen de bewezen verklaarde feiten en deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Nader onderzoek naar deze schadepost levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Hetzelfde geldt logischerwijze ook voor de daarmee gepaard gaande reiskosten naar de osteopaat (66,33 euro). De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover de vordering betrekking heeft op de kosten voor de osteopaat en de daarmee samenhangende reiskosten. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de opslag van het tuinhuisje is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost in een te ver verwijderd verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen.
Met betrekking tot de gemaakte kosten voor het bezoeken van slachtofferhulp (18,62 euro) merkt de rechtbank op dat dergelijke kosten onder het stelsel van proceskosten vallen. Op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komen dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen als in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde – wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, zoals een medewerker van Slachtofferhulp Nederland, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde vergoeding in aanmerking. Daarom wijst de rechtbank deze post af.
[slachtoffer 3]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 3 en 4 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.
Op grond van de onderbouwing van de schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier is de rechtbank van oordeel dat voldoende objectief is komen vast te staan dat sprake is van (geestelijk) letsel bij de benadeelde partij ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten. Gelet op de dynamiek in de relatie tussen de benadeelde partij en de verdachte, die kennelijk nog na de bewezen verklaarde feiten heeft voortgeduurd, acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van 4.500,00 euro. Nader onderzoek naar het overige deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank zal de vordering daarom deels toewijzen tot een bedrag van 1.500,00 euro en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Het beslag
03.080937.25
Tijdens het politieonderzoek zijn de navolgende goederen in beslag genomen:
- 8 STK Zak (G1787991);
- 809 GR Verdovende Middelen (G1787869).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zakjes verbeurdverklaard dienen te worden en de 809 gram verdovende middelen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie de 8 zakjes (G1787991) verbeurdverklaren en de verdovende middelen (G1787869) onttrekken aan het verkeer.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
De vrijheidsbeperkende maatregel
- legt op een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor een periode van vijf jaren, inhoudende:
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[slachtoffer 1]
[slachtoffer 2]
[slachtoffer 3]
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:
- 8 STK Zak (G1787991);
- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:
- 809 GR Verdovende Middelen (G1787869).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. van Venrooij, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 oktober 2026.
Buiten staat
Mr. Menting en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
03.080937.25
Feit 1:
hij op of omstreeks 3 maart 2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen althans eenmaal met een vuurwapen door de
woonkamerruit van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen, meermalen althans eenmaal met een vuurwapen door de
woonkamerruit van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl
de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen
het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen
althans eenmaal met een vuurwapen door de woonkamerruit van die
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te schieten, althans handelingen van gelijke
dreigende aard of strekking;
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 maart 2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,
vijfde lid van de Opiumwet;
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te
zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te
verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of
ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het
plegen van dat feit, door 809 gram versnijdingsmiddel aan te schaffen
en/of voorhanden te hebben;
Feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 15 maart
2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vuurwapen met een
demper tegen haar hoofd te duwen en/of te plaatsen en/of dreigend een
vuurwapen te tonen, althans handelingen van soortgelijke dreigende
aard;
Feit 4:
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2023 tot en met 17 maart
2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland,
telkens meermalen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door -onder
meer- tegen haar lichaam te slaan en/of haar keel dicht te knijpen en/of
tegen haar ribben te slaan en/of te stompen, terwijl verdachte dit
misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
03.222187.25
hij op of omstreeks 3 maart 2025,
te Born, gemeente Sittard-Geleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een onbekend gebleven cat III wapen en/of pistool zijnde een vuurwapen in
de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
03.180243.26
Feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2026 tot en met 28 januari 2026 te
Geleen en/of Sittard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of
meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne
en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2:
hij op of omstreeks 28 januari 2026 te Geleen en/of Sittard, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
heroïne, en/of
- ongeveer 1,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde heroïne en/of cocaïne,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.