ECLI:NL:RBLIM:2026:10970

ECLI:NL:RBLIM:2026:10970

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 03.055038.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Achtervolging A2. Insturen op voertuig KMar. Poging zware mishandeling. Art. 5a WVW.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03-055038-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte] ,

geboren te Nador (Marokko) op [Geboortedatum] ,

gedetineerd in [PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De slachtoffers [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [Slachtoffer 1] is op de zitting gehoord; [Slachtoffer 2] is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] van het leven te beroven (primair), heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2: opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, als gevolg waarvan een verkeersongeval is ontstaan en waardoor hij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt (primair), dan wel zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

feit 3: een verkeersbord en een groenvoorziening heeft vernield en/of beschadigd;

feit 4: zonder rijbewijs een personenauto heeft bestuurd.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. De verdachte heeft, door met zeer hoge snelheid richting de auto van de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee te sturen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het tot een aanrijding zou komen waarbij de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee om het leven zouden komen. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdachte had geen vol opzet op de dood van de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee en evenmin op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij hen. Ook voorwaardelijk opzet kan niet worden bewezen, omdat de verdachte daarvoor bewust de aanmerkelijke kans op de dood van dan wel het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij de verbalisanten moet hebben aanvaard, maar het, bij gebrek aan enige rapportage ten aanzien van de persoon van de verdachte, onduidelijk is wat zich in zijn hoofd heeft afgespeeld. Daarnaast is de verdachte van de weg geraakt omdat hij een vóór hem rijdende auto niet wilde raken, zou een daadwerkelijke botsing met de auto van de verbalisanten ook tot zware verwondingen of de dood van de verdachte zelf en zijn passagiers hebben geleid, had de verdachte een relatief kleine auto in vergelijking met de auto van de Koninklijke Marechaussee en waren de verbalisanten goed getraind in het besturen van de auto. Ook deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat van voorwaardelijk opzet geen sprake is. De raadsman heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat feiten 1 meer subsidiair, 2 primair, 3 en 4 kunnen worden bewezen verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Kort nadat de verdachte op 21 februari 2026 op de A2 met de auto vanuit België de grens met Nederland was gepasseerd, gaf een auto van de Koninklijke Marechaussee hem een stopteken. De verdachte stopte niet, maar vluchtte. Hij reed ruim veertig kilometer met zeer hoge snelheid over de A2, terwijl hij door diverse voertuigen van de Koninklijke Marechaussee en de politie werd achtervolgd. Tijdens de achtervolging heeft de verdachte diverse verkeersovertredingen gemaakt en twee maal zijn auto gestuurd in de richting van een naast hem rijdend voertuig van de Koninklijke Marechaussee. De achtervolging eindigde doordat de auto van de verdachte verongelukte, nadat hij met hoge snelheid een afrit was opgereden. De verdachte heeft verklaard dat hij vluchtte omdat hij geen rijbewijs had.

Vrijspraak van feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte erop uit is geweest om de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee van het leven te beroven. Het dossier bevat voor een bewezenverklaring van zogeheten vol opzet onvoldoende aanwijzingen. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte heeft verklaard geen opzet op de levensberoving te hebben gehad. Zijn intentie leek te zijn gericht op het ontkomen aan de Koninklijke Marechaussee, nu hij niet in het bezit was een rijbewijs.

Evenmin acht de rechtbank bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van de verbalisanten had. Gebaseerd op de uiterlijke verschijningsvorm zou het concrete rijgedrag van verdachte, indien dit daadwerkelijk tot een aanrijding had geleid, in een enkel geval tot de dood kunnen leiden, maar de kans daarop kan op basis van het dossier in deze zaak niet zonder meer aanmerkelijk worden genoemd. Het bewijs daarvoor, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenrapportage, ontbreekt in het dossier.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Feit 1 subsidiair

Bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal (pagina’s 7 tot en met 12), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als relaas van de verbalisanten:

Wij, [Slachtoffer 2] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, en [Slachtoffer 1] , wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, hebben vanaf de Rijksweg A2 te Eijsden ter hoogte van de hectometerpaal 268,0 links tot en met de Rijksweg A2 te Maastricht als enige een zwarte personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van de Belgische kentekenplaten [Kenteken] achtervolgd. Wij, [Slachtoffer 2] , [Slachtoffer 1] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , hebben de bestuurder van bovengenoemd voertuig achtervolgd vanaf de Rijksweg A2 te Bunde tot en met de Rijksweg A2 te Maastricht-Airport. Wij, [Slachtoffer 2] , [Slachtoffer 1] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , [Verbalisanten Koninklijke Marechaussee] , hebben de bestuurder van bovengenoemd voertuig achtervolgd vanaf de Rijksweg A2 te Maastricht-Airport tot en met de Rijksweg A2 te Maasbracht ter hoogte van 220.4 links.

Wij, [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , hebben op de Rijksweg A2, te Maastricht-Airport, het voertuig getracht rechts in te halen om zo voor het voertuig te gaan rijden. Wij zagen dat het voertuig op rijstrook 1 reed. Wij zagen dat de Rijksweg A2 hier vier rijstroken heeft, waarvan 1 vluchtstrook. Wij reden op rijstrook drie om zodoende veilig het

voertuig te kunnen passeren. Ik, [Slachtoffer 2] , zag op mijn boordsnelheidsmeter dat ik honderdtachtig kilometer per uur reed. Wij, [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , zagen dat het voertuig vanuit rijstrook 1, met een abrupte stuurbeweging, in een keer richting ons dienst-voertuig stuurde. Ik, [Slachtoffer 2] , moest een noodstop maken om een ongeval te voorkomen. Wij hebben op de Rijksweg A2, ter hoogte van Urmond, het voertuig getracht rechts in te halen om zo voor het voertuig te gaan rijden. Wij zagen, dat het voertuig op rij-strook 1 reed. Wij zagen dat de Rijksweg A2 hier (de rechtbank begrijpt) vijf rij-stroken had, waarvan 1 vluchtstrook. Wij reden op rijstrook drie om zodoende veilig het voertuig te kunnen passeren. Ik, [Slachtoffer 2] , zag op mijn boordsnelheidsmeter dat ik honderdzestig kilometer per uur reed. Wij zagen dat het voertuig vanuit rijstrook 1, met een abrupte stuurbeweging, in een keer richting ons dienstvoertuig stuurde. Ik, [Slachtoffer 2] , moest een noodstop maken om een ongeval te voorkomen.

2. Het proces-verbaal (pagina’s 14 en 15), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als relaas van de verbalisanten:

Wij, [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , zagen ten tijde van de achtervolging, ter hoogte van Kruisberg op de Rijksweg A2, dat wij ter hoogte van het voertuig reden. Hierop zagen wij dat de bestuurder van het voertuig abrupt instuurde op ons dienstvoertuig vanaf rijstrook 1 in de richting van rijstrook drie. Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig niet terug-stuurde, waardoor ik, [Slachtoffer 2] , een noodstop moest maken om een ongeval te voor-komen. Ik, [Slachtoffer 2] , zag dat de bestuurder van het voertuig de gehele rijstrook twee gebruikte om in de richting van ons dienstvoertuig te rijden. Ik zag dat het voertuig zeer kort op ons reed. Ik zag dat onze spiegels elkaar bijna raakten.

3. Het proces-verbaal (pagina’s 16 tot en met 18), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als relaas van de verbalisanten:

Op 21 februari 2026 zagen wij, [Naam verbalisanten] en [Naam verbalisanten] , de zwarte Volkswagen Polo voorzien van Belgisch kenteken [Kenteken] en twee Koninklijke Marechaussee eenheden voorbij rijden. Wij reden op dat moment direct erachter als derde voertuig op de A2. Wij zagen dat de Volkswagen Polo van rijstrook drie naar rijstrook één verplaatste. Wij zagen dat het voertuig van de Marechaussee dat op rijbaan drie reed in de ABS schoot door het abrupt afremmen en de handelingen die verricht werden door de Volkswagen Polo.

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergeven:

Ik was de bestuurder van de zwarte Volkswagen Polo die op 21 februari 2026 tussen Eijsden en Maasbracht op de A2 door de Koninklijke Marechaussee werd achtervolgd.

Ik heb tijdens de achtervolging op geen enkel moment overwogen te stoppen. Ik dacht: ik maak het af of ik rijd me te pletter.

Bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft tijdens een achtervolging, waarbij met zeer hoge snelheid werd gereden, tweemaal een abrupte stuurbeweging richting het naast hem rijdende dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee gemaakt, waarbij zijn auto het dienstvoertuig bijna raakte. Teneinde een aanrijding met de door de verdachte bestuurde auto te voorkomen, was de bestuurder van het dienstvoertuig genoodzaakt een noodstop te maken.

Uit het dossier en hetgeen de verdachte heeft verklaard kan niet worden afgeleid dat hij vol opzet heeft gehad om de politieagenten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het is echter wel een feit van algemene bekendheid dat inzittenden van auto’s die met zeer hoge snelheid tegen elkaar botsen vaak zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Gelet op zijn verklaring dat hij bereid was zich te pletter te rijden alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen - het meermaals insturen op de auto van de verbalisanten - kan gevoeglijk worden aangenomen dat de verdachte bewust die aanmerkelijk te noemen kans heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook – anders dan de raadsman - van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2 primair

De rechtbank komt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezen-verklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde, waarbij, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026;

Het proces-verbaal van 21 februari 2026 (pagina’s 7 tot en met 12);

Het proces-verbaal van 22 februari 2026 (pagina 92);

Het proces-verbaal van 24 februari 2026 (pagina’s 104 tot en met 106).

Feit 3

De rechtbank komt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezen-verklaring van het onder 3 ten laste gelegde, waarbij, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, conform artikel 359, derde lid, Sv wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026;

Het proces-verbaal van aangifte van 25 februari 2026 (pagina’s 83 tot en met 85);

Het proces-verbaal van 21 februari 2026 (pagina’s 7 tot en met 12).

Feit 4

De rechtbank komt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezen-verklaring van het onder 4 ten laste gelegde, waarbij, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, conform artikel 359, derde lid, Sv wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026;

Het proces-verbaal van 22 februari 2026 (pagina’s 100 en 101).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

op 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 2] , beiden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, terwijl hij met een snelheid van ongeveer 180 en/of 160 kilometer per uur over voornoemde snelweg reed, telkens een onverwachte en scherpe stuurbeweging van rijstrook één naar rechts heeft gemaakt in de richting van het dienstvoertuig op rijstrook drie van voornoemde verbalisanten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2 primair:

op 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [Kenteken] ) zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:

- langdurig met een zeer hoge snelheid, te weten tot 190 kilometer per uur, te rijden,

- met deze zeer hoge snelheid andere weggebruikers op korte afstand rechts en via de vluchtstrook in te halen,

- met voornoemde snelheid abrupt in te sturen om van rijstrook te wisselen en daarmee rakelings langs andere weggebruikers te rijden,

- over puntstukken te rijden,

- zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast en op zodanige korte afstand op zijn voorliggers heeft gereden dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en

- met hoge snelheid de afrit heeft genomen en aldaar de macht over het stuur is verloren en met het door hem bestuurde voertuig het talud is ingereden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval is ontstaan,

door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

Ten aanzien van feit 3:

op 21 februari 2026 in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een verkeersbord dat aan Provincie Limburg toebehoorde heeft vernield en een groenvoorziening die aan Provincie Limburg toebehoorde heeft beschadigd;

Ten aanzien van feit 4:

op 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2 primair:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor drie jaren aan de verdachte op te leggen en ten aanzien van feit 4 één week hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte nog openstaande gevangenisstraffen in België heeft en dat de verdachte door het onderhavige incident zijn opleiding heeft moeten afbreken en zijn werk is verloren.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheids-straf van de hierna aan te geven duur leiden.

Op 21 februari 2026 gaven verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee aan de verdachte, rijdend op de A2 bij Maastricht, een stopteken. De verdachte besloot dat te negeren en wat volgde kan alleen maar omschreven worden als een dollemansrit. Een rit waarbij de verdachte niet alleen onacceptabele verkeersrisico’s nam en overige weggebruikers in gevaar bracht, maar waarbij hij er zelfs voor koos om tot tweemaal toe en telkens met een absurd hoge snelheid op de dienstauto van de verbalisanten in te sturen. Dat het daarbij niet tot een zwaar ongeval met bijbehorend letsel is gekomen, is alleen te danken aan de oplettendheid van de verbalisanten en de stuurmanskunst van de chauffeur; verdachte was, naar eigen zeggen, bereid om zichzelf te pletter te rijden en zag er kennelijk geen been in om anderen in zijn val mee te sleuren. En waarom? Het lijkt erop dat de verdachte zich alleen maar wilde onttrekken aan zijn staande houding omdat hij geen rijbewijs had. Mocht dat inderdaad zo zijn, en de rechtbank heeft eigenlijk geen reden daaraan te twijfelen, legt dat wel een groot gebrek aan normbesef bloot. Een dergelijk gebrek acht de rechtbank wel voorstelbaar bij deze verdachte; de houding die hij ter terechtzitting aannam, past namelijk naadloos in dat plaatje.

De rechtbank heeft rekening gehouden met uitspraken in vergelijkbare zaken. Verder heeft de rechtbank in acht genomen dat de verdachte in Nederland een blanco strafblad heeft, maar in België wel enkele veroordelingen op zijn naam heeft staan. Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank in het feit dat de verdachte in België nog straffen open heeft staan, noch in het feit dat hij door de onderhavige zaak zijn opleiding heeft moeten afbreken en zijn werk is verloren, een strafverminderende omstandigheid.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van feiten 1 subsidiair, 2 primair en 3 een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor drie jaren opleggen. Omdat feit 4, anders dan de overige feiten, geen misdrijf maar een overtreding betreft, dient daarvoor apart een straf te worden bepaald. In aanmerking nemend dat feit 4 samenhangt met de feiten 1 subsidiair, 2 primair en 3 en gelet op de hoogte van de voor die feiten op te leggen straf, zal de rechtbank voor feit 4 geen straf aan de verdachte opleggen.

Hoewel de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, terwijl de officier van justitie had gerekwireerd tot bewezen-verklaring van dat feit, legt de rechtbank toch de gevorderde straf op. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, namelijk niet met een lagere straf worden volstaan.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

Verbalisanten [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partijen in het straf-proces gevoegd. Ten aanzien van feit 1 vorderen zij elk een bedrag van € 800,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de gevorderde bedragen te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte met zich dat het zo voor de hand ligt dat [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] daardoor immateriële schade hebben geleden dat ten aanzien van elk van hen sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Zowel voor [Slachtoffer 2] als voor [Slachtoffer 1] is er dus een grondslag voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade hebben geleden. De rechtbank begroot deze schade voor elk van hen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van het delict alsmede de gevolgen ervan voor de betreffende benadeelde partij, en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toekennen, op een bedrag van € 500,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vorderingen van [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] tot dat bedrag zullen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen zullen voor het overige worden afgewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] :

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] :

Dit vonnis is gewezen door

mr. K. Bruns, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [Slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 1] , beiden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, van het leven te beroven,

meermalen, althans eenmaal, terwijl hij met een snelheid van ongeveer 180 en/of 160 kilometer per uur, althans met een zeer hoge snelheid, over voornoemde snelweg reed, (telkens) een onverwachte en scherpe stuurbeweging van rijstrook één naar rechts heeft gemaakt in de richting van het dienstvoertuig op rijstrook drie van voornoemde verbalisanten die zich naast het voertuig bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [Slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 1] beiden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, terwijl hij met een snelheid van ongeveer 180 en/of 160 kilometer per uur, althans met een zeer hoge snelheid, over voornoemde snelweg reed, (telkens) een onverwachte en scherpe stuurbeweging van rijstrook één naar rechts heeft gemaakt in de richting van het dienstvoertuig op rijstrook drie van voornoemde verbalisanten die zich naast het voertuig bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, [Slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 1] beiden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

meermalen, althans eenmaal, terwijl hij met een snelheid van ongeveer 180 en/of 160 kilometer per uur, althans met een zeer hoge snelheid, over voornoemde snelweg reed, (telkens) een onverwachte en scherpe stuurbeweging van rijstrook één naar rechts heeft gemaakt in de richting van het dienstvoertuig op rijstrook drie van voornoemde verbalisanten die zich naast het voertuig bevond;

T.a.v. feit 2 primair:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [Kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A2, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door;

- ( langdurig) met zeer een hoge snelheid, te weten tot 190 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan de maximumsnelheid ter plaatse van 100 en/of 90 en/of 70 kilometer per uur te rijden en/of;

- met deze zeer hoge snelheid andere weggebruikers op korte afstand rechts en/of via de vluchtstrook in te halen en/of;

- met voornoemde snelheid abrupt in te sturen om van rijstrook te wisselen en daarmee rakelings langs andere weggebruikers te rijden en/of;

- over een of meerdere puntstukken te rijden en/of;

- zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast en/of op zodanige korte afstand op zijn voorliggers heeft gereden dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen (bumperkleven),

- met hoge snelheid de afrit heeft genomen en aldaar is hij de macht over het stuur verloren en met het door hem bestuurde voertuig het talud is ingereden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval is ontstaan,

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A2,

- ( langdurig) met zeer een hoge snelheid, te weten tot 190 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan de maximumsnelheid ter plaatse van 100 en/of 90 en/of 70 kilometer per uur te rijden en/of;

- met deze zeer hoge snelheid andere weggebruikers op korte afstand rechts en/of via de vluchtstrook in te halen en/of;

- met voornoemde snelheid abrupt in te sturen om van rijstrook te wisselen en daarmee rakelings langs andere weggebruikers te rijden en/of,

- over een of meerdere puntstukken te rijden en/of;

- zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast en/of op zodanige korte afstand op zijn voorliggers heeft gereden dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen (bumperkleven) en/pf;

- met hoge snelheid de afrit heeft genomen en aldaar is hij de macht over het stuur verloren en met het door hem bestuurde voertuig het talud is ingereden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval is ontstaan,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een verkeersbord en/of groenvoorziening, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Provincie Limburg, toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

T.a.v. feit 4:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, op de Rijksweg tussen Eijsden en Maasbracht, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand