RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.040273.26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
gedetineerd in [detentieadres verdachte] .
Met ingang van 9 oktober 2026 verblijvende bij [verblijfsadres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. D. Dronkers, advocaat te Roermond.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. R.A.J. Delescen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven (primair) dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair);
Feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat opzet op de dood niet bewezen kan worden en dat de verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
Aangever [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik doe aangifte van poging doodslag/moord. Op 8 februari 2026, omstreeks 01.15 uur, was ik werkzaam bij de McDonalds, [straatnaam] te Echt. Mijn collega's waren binnen aan het poetsen en ik alleen buiten. Ik liep ter hoogte van de Drive-in praatpaal en ik zag dat er op een afstand een man op en neer liep en mij aankeek. De man had een donkere huidskleur, was geheel in het zwart gekleed, droeg een zwarte muts en had een rugzak op zijn rug, ik geloof oranje van kleur. De man viel op omdat er verder niemand op straat was en hij mij aan bleef staren. Ik voelde mij er niet prettig bij, omdat hij mij zo aan bleef staren. De man bleef enkele minuten op en neer lopen op een afstand van een 100 meter ongeveer. Ik zag dat de man mijn richting op kwam gelopen. Ik schrok hier een beetje van en zag dat, op het moment dat hij in mijn richting kwam gelopen, mij aan bleef staren. Ik vond dit intimiderend overkomen. De man ging voor mij staan. Hij stond zo dicht bij mij dat wij bijna neus aan neus stonden. Ik schrok hier enorm van en verstijfde. De man stond zo dicht voor mij dat ik mij geïntimideerd voelde. De man bleef mij aanstaren en zei, naar mijn idee, helemaal niets. Ik schrok van hem. Ineens zag ik dat hij met zijn linker gebalde vuist met kracht op mijn gezicht sloeg. Hij raakte mijn rechter kaak/wang. Ik voelde meteen een pijnscheut op de plek waar hij mij sloeg met zijn vuist. Ik schrok hier enorm van en deinsde achteruit. Ik had in mijn hand een prikstok, waar ik het vuilnis mee oppak. Ik deed deze naar voren om de man op afstand te houden. Ik was zo geschrokken van de vuistslag die hij mij gaf dat ik mij bijna niet kon bewegen. Ik zei tegen de man dat ik niet wilde vechten en deinsde nog meer achteruit. De man liep naar voren richting mij en kwam met een van zijn armen met kracht op mij af en raakte mijn rechterbovenarm. Ik voelde meteen een enorme pijn aan de bovenzijde van mijn rechterarm. Het voelde alsof er iets door mijn jas mijn huid raakte, of door mijn huid ging. Ik schrok van de pijn die ik voelde. Ik wist niet wat mij overkwam. Ik voelde dit tweemaal. Ik probeerde weg te komen en begon weg te rennen. Ik draaide mij om en begon te rennen naar de achteringang van de McDonalds. Ik zag dat de man, welke mij al minimaal 2 keer gestoken had in mijn rechterbovenarm, achter mij aanrende. Ik voelde vervolgens een klap achter op mijn rug, aan de rechterzijde. Ik vreesde voor mijn leven en was doodsbang.
Ik heb alleen maar voor mij gekeken en heb gerend voor mijn leven naar de achteringang van de McDonalds. In de keuken viel ik tegen de muur aan en voelde enorme pijn aan mijn rechterarm, ik greep met mijn handen naar mijn arm. Ik zag dat er een gat in mijn jas zit, ter hoogte van de plek waar ik de pijn voelde. Ik zag dat er bloed over mijn arm liep. Ik voelde ook een enorme pijn aan mijn rug. Tijdens het hele incident heeft de man niets gezegd of tegen mij gepraat.
Uit de forensisch medische letselrapportage blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:
Betrokkene: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer]
Rechterarm:1. Zie foto 2, 3 en 4: Op de binnenzijde van de rechter bovenarm is een huidbeschadiging zichtbaar met hechtdraden en wondpleisters/steri-strips.2. Zie foto 2, 3 en 5: Op de binnenzijde van de rechter bovenarm is een huidbeschadiging zichtbaar met hechtdraden en wondpleisters/steri-strips.
Rug: 3. Zie foto 6, 7, 8 en 9: Op de rug, ter hoogte van het rechter schouderblad, zijn twee huidbeschadigingen zichtbaar met hechtdraden en wondpleisters/steri-strips.
Op 13-02-2026 ontving ik de medische gegevens van de huisarts van betrokkene per mail. Het betreft een consult op de Meditta spoedpost op 08-02-2026. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.Betrokkene is tijdens het werk door een voorbijganger een aantal malen gestoken met een mes. Twee keer op het schouderblad en twee keer in de rechterarm. Er is sprake van twee oppervlakkige wondjes op het rechter schouderblad met wijkende wondranden. Deze wonden zijn gehecht met respectievelijk 2 en 3 hechtingen. Er is sprake van twee diepere wonden op de rechter bovenarm met wijkende wondranden. Deze wonden zijn beide gehecht met 5 hechtdraden.De letsels beschreven onder punt 1, 2 en 3 betreffen, mede op basis van de medische gegevens, snij- of steekverwondingen.
Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een compilatie van camerabeelden van 8 februari 2026 met bestandsnaam [bestandsnaam] met technische hulpmiddelen, inhoudende:
Het betreft een opname van beelden van 8 februari 2026 tussen 01:25:29 uur en tijdstip 01:30:18 uur. Te zien is dat de, naar later blijkt, verdachte in de buurt van de McDonald’s loopt en op verschillende plekken blijft stilstaan. Om 01:29:20 loopt de verdachte in de richting van een medewerker van de McDonald’s, naar later blijkt [slachtoffer] , die buiten afval aan het prikken was en blijft dan voor hem staan. Om 01:29:37 uur geeft de verdachte [slachtoffer] uit het niets een klap in zijn gezicht. In de daaropvolgende seconden haalt de verdachte met een voorwerp in zijn handen uit naar het bovenlichaam van [slachtoffer] . Hij maakt daarbij stekende en/of snijdende bewegingen. [slachtoffer] probeert weg te komen. De verdachte volgt hem en blijft met het voorwerp in zijn hand uithalen in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] . [slachtoffer] rent vervolgens weg richting de personeelsingang. De verdachte rent hem achterna, wacht even bij het hekje van de personeelsingang en gaat dan ook naar binnen. De verdachte opent de deur van de gang, kijkt naar binnen en verlaat dan de McDonald’s.
Getuige [naam getuige] heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:
V: Wie is [verdachte] voor jou?
A: Hij is mijn oom?
V: We tonen je nu een compilatie van de beelden. Wie zie je hier?
V: Herken jij de persoon op de beelden als [verdachte] ?
A: Ja, dat was hem.
V: Kun je omschrijven waaraan je hem herkend?
A: Op het moment dat hij de McDonald’s in rende, zag ik deels zijn gezicht. Dat is [verdachte] .
Verbalisant [naam verbalisant] relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 08.02.2026, kwam ik omstreeks 02.20 uur, aan op de [straatnaam] . Hier heeft eerder de nacht een steekpartij plaats gevonden. Ik werd op dat moment aangewezen om het plaats delict te bewaken. Ter plaatse op het plaats delict zag ik dat er pionnen stonden. Ik tilde de pionnen op en zag dat er onderdelen van het steekwapen onderlagen.
Bewijsoverwegingen
De verdachte is op [slachtoffer] afgelopen, heeft hem starend aangekeken, heeft hem, zonder enige kenbare aanleiding, in het gezicht gestompt, en heeft vervolgens lukraak met een mes op het bovenlichaam van [slachtoffer] ingestoken/ingesneden, hem nog achtervolgend toen deze richting de achteringang van de Mc Donalds rende. Daarbij heeft de verdachte [slachtoffer] in zijn armen en rug, door de jas die [slachtoffer] droeg heen, geraakt. Hieruit en uit de beelden volgt dat de verdachte met behoorlijke kracht en intensiteit heeft uitgehaald. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen deze gedragingen niet anders worden geduid dan dat de verdachte [slachtoffer] willens en wetens heeft proberen te doden. Anders dan de raadsman acht de rechtbank daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op 8 februari 2026 te Echt, gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,
-meermalen met een mes in de rechterarm en in de rug van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en
-meermalen met een mes stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2:
op 8 februari 2026 te Echt, gemeente Echt-Susteren, [slachtoffer] heeft mishandeld, door met kracht met gebalde vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1 primair:
poging tot doodslag
T.a.v. feit 2:
mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De psychiater J.L.M. Dinjens en de psycholoog A. van der Geize hebben over de geest-vermogens van de verdachte op respectievelijk 20 mei 2026 en 15 mei 2026 een Pro Justitia Rapportage uitgebracht. Uit de rapportages blijkt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een floride psychotische stoornis die zich kenmerkte door paranoïde belevingen, betrekkingsideeën en hallucinaties, waardoor zijn realiteitstoetsing ernstig gestoord was en hij overtuigd was van irreële dreigingen. Hij was ten tijde van het ten laste gelegde volledig in beslag genomen door de psychotische belevingen. Als gevolg van deze psychotische stoornis was de verdachte niet in staat zijn wil in vrijheid te bepalen. Beide deskundigen adviseren om die reden de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
De rechtbank neemt de in de rapporten vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. Dat brengt met zich dat de verdachte niet strafbaar is, nu de bewezen verklaarde feiten hem vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.
6. De maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gezien de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte, gevorderd aan hem op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden, te weten de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z Sr wordt opgelegd.
De officier van justitie heeft tot slot gevorderd de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat de verdachte wordt opgenomen in [verblijfsadres verdachte] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, met de dadelijke uitvoerbaarheid, passend is. De verdachte is bereid mee te werken aan de voorwaarden. Ten aanzien van de gevorderde artikel 38z-maatregel heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in de nacht van 8 februari 2026 schuldig gemaakt aan een mishandeling van en een poging tot doodslag op [slachtoffer] . Zonder enige kenbare aanleiding daartoe heeft hij die nacht [slachtoffer] , een willekeurig slachtoffer, in zijn gezicht geslagen en daarna verschillende keren met een mes in zijn bovenlichaam gestoken en/of gesneden. Zelfs op het moment dat [slachtoffer] probeerde te vluchten, bleef de verdachte hem achtervolgen en stekende en/of snijdende bewegingen in zijn richting maken. Dat deze situatie beangstigend was en veel impact op [slachtoffer] heeft gehad, is niet alleen alleszins voorstelbaar, maar blijkt ook uit de aangifte en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Het is ook voor de samenleving beangstigend dat iemand uit het niets iemand anders van het leven probeert te beroven. Kortom: het betreft een uitermate ernstig feit.
Hoewel voor een dergelijk ernstig feit de oplegging van een gevangenisstraf het uitgangspunt is, is dat in dit geval niet mogelijk. De verdachte heeft het feit immers begaan terwijl hij volledig onder invloed was van psychotische belevingen, zodat hij rechtens geen schuld heeft. Wel kan en zal hem een tbs-maatregel worden opgelegd om de maatschappij te beschermen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van tbs is voldaan. Bij de verdachte bestond namelijk, zoals hiervoor al overwogen, ten tijde van het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, de door de verdachte begane poging doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel.
Dat dit laatste het geval is, volgt mede uit de rapporten van de psychiater en psycholoog en het reclasseringsadvies van 31 augustus 2026. De verdachte heeft eerdere psychotische periodes gehad en is daarvoor opgenomen in klinieken. Hem is toen medicatie voorgeschreven, die hij in de periode vóór het onderhavige incident niet heeft ingenomen, met ontregeling en de strafbare feiten tot gevolg. De kans op recidive bij de verdachte wordt door de deskundigen, zonder behandeling en bij middelengebruik of stress, als matig tot hoog ingeschat. De rechtbank volgt die inschatting, mede gelet op de eerdere geweldsincidenten tijdens psychotische episodes.
Gelet op dat recidiverisico acht de rechtbank een behandeling noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij. Ook de psychiater, de psycholoog en de reclassering adviseren een behandeling, en wel in een dwingend juridisch kader, in de vorm van een tbs met voorwaarden. De verdachte is gemotiveerd voor behandeling van zijn problematiek en de deskundigen beschrijven dat de benodigde intensieve behandeling binnen het kader van de tbs met voorwaarden kan worden gerealiseerd, waarbij gestart kan worden met een klinische opname. Een strak kader zorgt ervoor dat de verdachte weinig keuzevrijheid heeft en dat de reclassering snel kan interveniëren om de veiligheid voor hem en de maatschappij te waarborgen. Een zorgmachtiging wordt, gelet op de beperkte duur daarvan en het noodzakelijk geachte en naar verwachting langer durende (klinische) traject in een forensisch kader, als ontoereikend geacht. Tbs met dwangverpleging wordt op dit moment, mede gelet op de motivatie van de verdachte, niet noodzakelijk geacht.
De rechtbank volgt dit advies, temeer nu de verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026 (nogmaals) heeft verklaard dat hij bereid is de door de reclassering gestelde voorwaarden na te leven.
Mocht de verdachte de voorwaarden toch niet naleven, kan de rechtbank later, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de verdachte alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Het onder 1 primair bewezen verklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele tbs-maatregel met dwangverpleging dan niet is beperkt tot vier jaren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 38, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en zal bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank zal tevens aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals is geadviseerd door de reclassering. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank is van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte na de tbs met voorwaarden langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst te kunnen terugdringen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is dan ook voldaan.
Deze maatregel kan pas ten uitvoer worden gelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie tegen het einde van de maatregel van terbeschikkingstelling en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 16.000 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de posten:
materiële schade: 1.000 euro
immateriële schade: 15.000 euro
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft het gevorderde bedrag aan materiële schade bij gebrek aan onderbouwing niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag fors dient worden gematigd en voor het overige moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding, bij gebrek aan enige onderbouwing en de betwisting door de verdediging.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast staat dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het handelen van de verdachte. Deze schade is het rechtstreekse gevolg van het bewezen verklaarde feit. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat de in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen.
De rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag rekening gehouden met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en zal deze schade, afwijkend van het gevorderde bedrag, naar billijkheid vaststellen op een bedrag van 7.500 euro en de vordering voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel (ex artikel 36f Sr) opleggen, zodat inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Maatregel
- gelast dat de verdachte voor feit 1 primair ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende, het gedrag van de ter beschikking gestelde betreffende, voorwaarden:
- geen strafbaar feit plegen
de verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- meewerken aan reclasseringstoezicht
de verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
- de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
- de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
- meewerken aan time-out
als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- niet naar het buitenland
de verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
- opneming in een zorginstelling
de verdachte laat zich, zolang de reclassering het nodig acht, opnemen in en behandelen door [verblijfsadres verdachte] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorg-instelling en behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- ambulante behandeling
de verdachte laat zich, na de klinische opname en zolang de reclassering dat nodig acht, behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
de verdachte verblijft, zolang de reclassering dat nodig vindt, in een RIBW of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verbod verdovende middelen
de verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/adem-onderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- alcoholverbod
de verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urine-onderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- contactverbod
de verdachte zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] ;
- locatieverbod (zonder elektronische controle)
de verdachte bevindt zich niet binnen een straal van 100 meter van de Mc Donalds in Echt-Susteren ( [straatnaam] te Echt);
- dagbesteding
de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- financiën
de verdachte geeft, als de reclassering dat nodig acht, inzage in zijn financiën. Als de reclassering het nodig acht, werkt de verdachte mee met een budgetcoach of bewind-voerder;
- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Dadelijke uitvoerbaarheid
- bepaalt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is
Maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
- legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1:
hij, althans de zich noemende [verdachte] , op of omstreeks 8 februari 2026 te Echt, gemeente Echt-Susteren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,- meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (rechter)arm en/of in de rug, in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of- meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] ,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij, althans de zich noemende [verdachte] , op of omstreeks 8 februari 2026 te Echt, gemeente Echt-Susteren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (rechter)arm en/of in de rug, in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of- meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] ,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2:
hij, althans de zich noemende [verdachte] , op of omstreeks 8 februari 2026 te Echt, gemeente Echt-Susteren [slachtoffer] heeft mishandeld, door (met kracht) (met gebalde vuist) tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan;
.