ECLI:NL:RBLIM:2026:11056

ECLI:NL:RBLIM:2026:11056

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 03.097230.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

De rechtbank Limburg heeft een 30-jarige man veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval in Maastricht. Bij dit ongeval kwam een jongetje van 4 jaar om het leven en raakte zijn moeder zwaar gewond. De rechtbank is van oordeel dat roekeloos rijden de oorzaak is van het fatale ongeval en legt een gevangenisstraf op van 5 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid, ook voor de duur van 5 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.097230.26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1996,

gedetineerd in [PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat, kantoorhoudende te Cadier en Keer.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 27 maart 2026 in Maastricht als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door met een personenauto de maximum snelheid fors te overschrijden, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het verkeersongeval waarbij een 4-jarige jongen werd gedood en zijn moeder zwaar lichamelijk letsel opliep, is aan zijn schuld te wijten en levert een overtreding op van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw).

Het verkeersgedrag van de verdachte kan tevens worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW, zodat de verdachte moet worden veroordeeld voor de zwaarste vorm van schuld, te weten roekeloosheid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Verkeersongeval

Op vrijdag 27 maart 2026 vindt rond 19.11 uur een verkeersongeval plaats op de Dorpstraat in Maastricht. Verbalisanten [naam 1] en [naam 2] krijgen de melding om met spoed ter plaatse te gaan. Zij relateren daarover het volgende:

Wij zagen ter hoogte van huisnummer 57 een zwarte personenauto op de linkerweghelft stilstaan met de voorkant in de richting van de Akersteenweg. Dit voertuig had schade aan de voorzijde. De airbags van dit voertuig waren geactiveerd. Wij zagen dat er geen kenteken aan de voorzijde van het voertuig zat. De achterkant van het voertuig was voorzien van het Nederlandse kenteken: [kenteken] .

Wij zagen dat er ongeveer 200 meter verder een groep mensen naar ons zwaaiden. Wij zagen dat er aan de rechterzijde van de weg twee personen op de grond lagen ter hoogte van huisnummer 68. Brokstukken en goederen lagen verspreid over het wegdek. Wij zagen dat er een kinderwagen aan de linkerzijde op het trottoir stond en dat deze beschadigd was. Voor huisnummer 68 lag een gebogen kentekenplaat.

Wij zagen dat de twee personen een vrouw en een kind betroffen. Later bleek de vrouw te zijn [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, en het kind haar zoon [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2021.

Wij zagen dat [slachtoffer 1] bewusteloos op het trottoir lag en niet bewoog. [slachtoffer 1] had bloed om zijn mond. Wij zagen en hoorden dat [slachtoffer 2] heen en weer bewoog en schreeuwde. [slachtoffer 2] had bloed op haar hoofd en haar rechterbeen stond in een hoek.

Ik, [naam 2] , keek om mij heen en zag dat er een persoon nerveus en aangedaan leek. Dit bleek later getuige [naam 3] te zijn. Ik vroeg of hij de bestuurder van de zwarte personenauto was. Hij schudde nee met zijn hoofd en wees in de richting van een andere man die naast hem op het trottoir stond. Dit bleek de latere verdachte [verdachte] te zijn. Ik vroeg aan [verdachte] of hij de zwarte personenauto had bestuurd. [verdachte] keek mijn kant op, maar gaf geen antwoord. Ik zag dat [verdachte] onvast ter been was en niet in een rechte lijn kon lopen. Ik rook een alcohollucht rondom [verdachte] terwijl hij mij passeerde.

De Forensische Opsporing, afdeling Verkeer, heeft dit ongeval onderzocht. Uit het forensisch onderzoek plaats verkeersongeval, blijkt het volgende:

6 Interpretatie bevindingen 6.1 Toedracht Op basis van het aangetroffen sporenbeeld ter plaatse, de schade- en sporenbeelden aan/op de onderzochte voertuigen en de vervolgonderzoeken is de toedracht van het verkeersongeval als volgt:

Op vrijdag 27 maart 2026 hadden een moeder en haar kind in een lijnbus gezeten die had gereden over de Dorpstraat richting de Rijksweg. Ter hoogte van de bushalte Dorpstraat/kerk stapten zij uit de bus aan de zijde van de Sint-Petrus' Bandenkerk. Moeder plaatste op enig moment na het uitstappen het kind in de buggy die zij met zich voerde. Ze liet een aantal voertuigen passeren (Uit de camerabeelden van Dorpstraat 83 bleek dat er kort voor het ongeval meerdere voertuigen aldaar hadden gereden) en liep vervolgens de rijbaan van de Dorpstraat op, voornemens om deze over te steken.

Ondertussen reed een Mazda, bestuurd door de verdachte [verdachte] , met beduidend hogere dan ter plaatse toegestane snelheid over de Dorpstraat komende uit de richting van de Rijksweg en gaande in de richting van de Akersteenweg. Ter hoogte van Dorpstraat 114, over de afstand van ongeveer 230 meter tot 211 meter voor de herleide botsplaats, reed de bestuurder van de Mazda met een gemiddelde snelheid tussen de 87 en 96 kilometer per uur. Zijn snelheid liep verder op.Ter hoogte van Dorpstraat 83, over de afstand van 26,5 meter tot 15 meter voor de herleide botsplaats, reed hij met een gemiddelde snelheid tussen de 107 en 116 kilometer per uur. Op het laatstgenoemde punt zette hij een remming van zijn voertuig in. Ondanks deze remming kwam hij ter hoogte van de Sint-Petrus’ Bandenkerk op de rechterrijstrook met de voorzijde van zijn voertuig frontaal in botsing met de rechterflank van de buggy en de rechterflank van de moeder.

Kort voor en tijdens de botsing reageerde de bestuurder van de Mazda met een forse stuurbeweging naar links waardoor het door hem bestuurde voertuig in een drift raakte, hierbij tekenden de banden van de Mazda af op het wegdek. Door de kracht van de botsing werd de moeder op de voorzijde van de Mazda geworpen, waardoor het schadebeeld aan de voorzijde, motorkap en voorruit van de Mazda ontstond. De buggy en het kind werden door de kracht van de botsing meegenomen in de voortgaande beweging van de Mazda, de wielen van de buggy tekenden af op het wegdek en de voorzijde rechts van de Mazda raakte beschadigd. De buggy raakte zwaar gedeformeerd. De moeder werd tijdens de stuurbeweging naar rechts van het voertuig af geworpen, gleed ongeveer 13,5 meter over het trottoir en kwam tot stilstand op een afstand van ongeveer 58 meter voorbij de botsplaats. Het kind werd door de kracht van de botsing uit de buggy geworpen en eindigde ongeveer 67,5 meter voorbij de botsplaats op de linkerrijstrook van de Dorpstraat,nabij het links daarvan gelegen trottoir. De buggy kwam ongeveer 45 meter voorbij de botsplaats tot stilstand op de rechterrijstrook.

Oorzaak Het verkeersongeval vond plaats omdat de bestuurder van de Mazda had gereden met een beduidend hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan. Hierdoor ontnam hij zichzelf en de beide slachtoffers de kans om te reageren op elkaars nadering van de botsplaats. Uit de driftspoorberekening blijkt een snelheid van tussen de 99 en 115 kilometer per uur ten tijde van het aftekenen van de driftsporen. De ‘werpafstand’ van de beide slachtoffers is eveneens passend bij een gereden snelheid van boven de 100 kilometer per uur.

Vermijdbaarheid 6.4.1 Ten aanzien van de bestuurder van de Mazda

Vermijdbaarheidsberekening:

Bij een voertuig dat 50 km/h rijdt en vertraagt met een gemiddelde remvertraging bij een forse remming is de remweg: 13,92/2x8 = (ongeveer) 12,1 meter

Bij een voertuig dat 107 km/h rijdt en vertraagt met een gemiddelde remvertraging bij een forse remming is de remweg: 29,72/2x8 = (ongeveer) 55,1 meter.

Bij een voertuig dat 116 km/h rijdt en vertraagt met een gemiddelde remvertraging bij een forse remming is de remweg: 32,22/2x8 = (ongeveer) 64,8 meter.

Gelet op voormelde vermijdbaarheidsberekening kan gesteld worden dat de bestuurder van de Mazda bij de door hem gereden snelheid een remweg had van tussen de 55,1 en de 64,8 meter. Indien hij 50 kilometer per uur, oftewel de maximaal toegestane snelheid had gereden, zou zijn remweg 12,1 meter zijn geweest. De bestuurder van de Mazda had ongeveer 15 meter voor de herleide botsplaats een remming ingezet. Bij een gereden snelheid van 50 kilometer per uur zou het voertuig voor de herleide botsplaats tot stilstand zijn gekomen en zou het verkeerongeval niet hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de moeder In beginsel had moeder de naderende bestuurder van de Mazda voor moeten laten gaan. Echter gelet op de aard, het verloop van de weg en de bebouwde omgeving had zij redelijkerwijze niet hoeven te verwachten dat er met een dusdanig hoge snelheid zou worden gereden. Het zicht van de betrokkenen op elkaar werd daarbij mogelijk gehinderd door het overige, aan de Mazda tegemoet rijdende verkeer. Dit verkeer heeft de moeder hoe dan ook eerst voor laten gaan, alvorens ze vanuit stilstand de rijbaan opliep. Naar mate dat dit net gepasseerde verkeer i.c. de laatste personenauto zich op een toenemende afstand van haar positie bevond, werd ook haar zicht op het weggedeelte, waarover de betrokken Mazda naderde, beter i.c. kon zij dit wegvak pas over een grotere afstand overzien.

De bestuurder van de Mazda naderde kort voor de botsing met een berekende snelheid van 107 tot 116 kilometer per uur, oftewel was een factor van (107 / 50 =) 2,14 tot (116 / 50=) 2,32 sneller op de botsplaats dan wanneer hij met de maximum toegestane snelheid had gereden.

Indien de bestuurder van de Mazda dus niet harder had gereden dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur hadden moeder en kind de overzijde veilig kunnen bereiken, en had de bestuurder van de Mazda hen daarna gepasseerd zonder dat hij enige bestuurdershandelingen (sturen/remmen) had hoeven uitvoeren.

Uit de Snelheid- Impactanalyse camerabeelden van de Forensische Opsporing, afdeling Verkeer, blijkt dat de verdachte met zijn auto indicatieve en gemiddelde snelheden van 112 km per uur reed in het camerabeeld van Dorpstraat 83.

Bloedonderzoek

Op 27 maart 2026 is om 20.50 uur bloed van de verdachte afgenomen. Uit het bloedonderzoek blijkt dat de concentratie alcohol in het bloed 1,80 milligram per milliliter bloed bedroeg.

Slachtoffers

Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft op 14 april 2026 een verklaring afgelegd. Zij verklaarde het volgende:

Ik was samen met mijn zoontje, [slachtoffer 1] , naar de ‘Action’ te Maastricht geweest en we waren met de stadsbus weer naar huis gereden. In de Dorpstraat ter hoogte van de kerk en aan de kerkzijde ben ik samen met mijn zoontje [slachtoffer 1] uitgestapt. Op het trottoir, voordat ik ging oversteken, heb ik [slachtoffer 1] , in de kinderwagen gezet. Ik ben samen met [slachtoffer 1] in de kinderwagen naar de trottoir verlaging gelopen. Ik was voornemens om daar de Dorpstraat over te steken en aan de overzijde van de straat naar beneden te lopen in de richting van de Einsteinstraat. Voordat ik ging oversteken heb ik rechts en links gekeken om er zeker van te zijn dat er geen verkeer aankwam. Ik zag en hoorde dat er geen verkeer aankwam. Ik was ervan overtuigd dat ik veilig kon oversteken, samen met de kinderwagen, zonder daarbij iets of iemand te hinderen of mijzelf of [slachtoffer 1] in gevaar te brengen. Ik was bijna aan de andere zijde van de Dorpstraat, gezien vanaf de kerk, toen ik een personenauto hoorde en zag aankomen met hoge snelheid. Deze personenauto kwam van rechts naar mij toerijden. Ik verstijfde van schrik en wist even niet of ik door moest lopen of terug moest lopen. Tijdens deze gedachte werden we, ik en [slachtoffer 1] in de kinderwagen, van rechts aangereden en meegesleurd door de personenauto die tegen ons aan was gebotst. [slachtoffer 1] zat tijdens de botsing in de kinderwagen die ik voor mij uit duwde.

Ik heb de volgende verwondingen als gevolg van het ongeval opgelopen:- hersenschudding- gebroken nekwervel- kneuzingen aan beide handen en polsen- links en rechts het bekken gebroken- gebroken rechter onderbeen.

Ik lig sinds 27 maart 2026 hier in het ziekenhuis en word morgen, woensdag 15 april 2026, aan mijn bekken geopereerd.

Uit de medische informatie van 22 april 2026 van [slachtoffer 2] blijkt dat er sprake is van het volgende letsel:

Hoofdwond rechts, breuk dwarsuitsteeksel 3e nekwervel, geringe klaplong links met longkneuzing beiderzijds, bekkenbreuk, onderbeenbreuk rechts met open wond.

Patiënte is operatief behandeld.

Op 28 maart 2026 is [slachtoffer 1] overleden door meerdere (inwendige) letsels als gevolg van het ongeval.

Getuigen

De bijrijder [naam 4] is ook als getuige gehoord. Hij verklaarde het volgende:

Op 27 maart 2026 ben ik omstreeks 15:00 uur naar de kroeg gegaan. Dit betrof de kroeg het ’ [naam 5] ’ gelegen op de Dorpstraat in Maastricht. Een goede vriend van mij [verdachte] kwam hier ook naar toe. Wij dronken hier samen bier. Ik dacht dat we ongeveer evenveel gedronken hadden. Ik had zelf sowieso acht biertjes gedronken. Vervolgens besloten wij een rondje te gaan rijden. Ik was de bijrijder. Wij reden in een zwarte Mazda. Op een gegeven moment besloten we om terug te rijden. We wilden terug naar de kroeg. Een paar meter verderop zag ik opeens een vrouw met een kinderwagen midden op straat staan. Ik schreeuwde: “Euj”. Ik hoorde een harde klap. Ik zag een vrouw en een kind over de ruiten heen vliegen. [verdachte] en ik stapten uit. Ik zag dat het kind aan het bloeden was. Ik zag bloed uit de mond en hoofd van het kind. Ik hoorde dat de vrouw aan het schreeuwen was. Ik hoorde haar krijsen: “Help, help”. Ik zag dat allemaal personen zich over de slachtoffers hadden ontfermd. Toen de politie ter plaatse kwam, zag ik dat [verdachte] zich meldde bij de politie.

Getuige [naam 6] heeft ook een verklaring afgelegd. Hij verklaarde als volgt:

Ik woon aan de [adres] te Maastricht. Op 27 maart 2026 om 19.40 uur ben ik met een collega naar café ’ [naam 5] ” gelegen aan de Dorpstraat te Maastricht, gegaan. Ik zag daar [naam 4] staan. Ik hoorde dat [naam 4] tegen mij zei, dat hij naast [verdachte] in de auto had gezeten en dat zij vlak voor mijn woning een aanrijding hadden gehad. Ik hoorde voorts dat [naam 4] zei, dat hij een kind door de lucht zag vliegen. Ik vroeg [naam 4] waarom hij dan nu niet bij de politie ter plaatse was. Ik hoorde dat [naam 4] zei, dat dat geen zin had, omdat [verdachte] als een achterlijke gereden had.

Verdachte

De verdachte heeft bij de politie meerdere verklaringen over dit ongeval afgelegd. Op 28 maart 2026 te 11:30 uur verklaarde hij:

Op de avond van het ongeval bestuurde ik een zwarte Mazda. Een vriend zat op de bijrijders plaats. Ik ben bij de Dorpstraat daar waar het ongeval gebeurde naar beneden gereden in de richting van de Akersteenweg. Ter hoogte van de kerk met de parkeerplaats stak iemand voor mij over. Ik heb deze overstekende persoon pas gezien toen ze voor mijn auto opdoemde. Ik heb haar niet eerder waargenomen. Opeens hoorde ik een harde knal en realiseerde ik mij dat ik tegen iemand was aangebotst. Ik hoorde klats en voelde een schok en ik dacht ik moet gaan stoppen. Ik ben gestopt en uitgestapt en teruggelopen naar de vrouw. Ik zag deze vrouw op de stoep liggen en ik zag dat ze bewoog en kermde van de pijn. Ik zag ook een kind bij haar liggen. Het kind lag stil.

Op 28 maart 2026 te 12:55 uur verklaarde de verdachte bij de politie:

De afgelopen 24 uur heb ik ongeveer 7 glazen bier gedronken.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 27 maart 2026 heeft een ongeval plaatsgevonden op de Dorpstraat te Maastricht, waarbij de 4-jarige [slachtoffer 1] werd gedood en zijn moeder [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt. De verdachte was de bestuurder van de bij het ongeval betrokken Mazda. Hij verkeerde ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol. Uit het bloedonderzoek bleek dat de verdachte 1.80 milligram alcohol per milliliter bloed scoorde, daar waar maximum maar 0.5 is toegestaan.

Ter plaatse geldt een maximum snelheid van 50 km per uur. Volgens het proces-verbaal van snelheidsberekening was er op het moment van de aanrijding een gemiddelde indicatieve snelheid van 112 km per uur. De verdachte heeft de geldende maximum snelheid van 50 km per uur met meer dan 60 km per uur overschreden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat als de verdachte zich aan de ter plaatse toegestane snelheid had gehouden, hij tijdig tot stilstand zou zijn gekomen en het verkeersongeval niet zou hebben plaatsgevonden.

Dit alles brengt met zich mee dat de oorzaak van het ongeval geheel is toe te rekenen aan het handelen van de verdachte.

Mate van schuld

Aan de verdachte is roekeloos rijgedrag ten laste gelegd. Dit is de zwaarste vorm van schuld zoals bedoeld in artikel 6 Wvw.

De verdachte heeft op een tijdstip dat het druk was op straat, na fors drankgebruik met een snelheid van ongeveer 112 kilometer per uur door de bebouwde kom (met een plaatselijk geldende maximum snelheid van 50 km per uur) gereden. Bovendien reed hij terwijl hij meer dan 3,5 keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. De verdachte heeft daarbij volstrekt geen oog gehad voor de verkeersveiligheid en de medeweggebruikers. Deze opzettelijke en ernstige schending van de verkeersregels waarvan het gevaar - dat zich ook heeft verwezenlijkt - voorzienbaar is, maakt dat er sprake is van roekeloosheid zoals bedoeld in artikel 175 lid 2 jo artikel 5a Wvw.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 27 maart 2026 te Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Dorpstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos rijgedrag bestaande uit:- dat verdachte heeft gereden met een snelheid van ongeveer 112 kilometer per uur, terwijl de aldaar toegestane snelheid 50 kilometer per uur is en;- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en- terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, en de schuld bestaat in roekeloosheid terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – onder verwijzing naar enkele uitspraken – verzocht een lagere gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op 27 maart 2026 heeft de verdachte op de Dorpstraat in Maastricht een dodelijk ongeval veroorzaakt door een overstekende moeder met kind aan te rijden. De verdachte reed, nadat hij in het café de nodige alcohol had genuttigd, met een gemiddelde snelheid van 112 kilometer per uur over de weg in een woonwijk, waar 50 kilometer per uur rijden al een uitdaging is. Op het moment van oversteken was de door de verdachte bestuurde auto niet zichtbaar. De verdachte heeft met zijn roekeloze rijgedrag onaanvaardbare risico’s genomen en dat heeft het leven gekost van de 4-jarige [slachtoffer 1] . Zijn moeder liep fors letsel op. Zij kampt nog steeds met fysieke klachten en beperkingen door het ongeluk en het is nog niet bekend of deze ernstige gevolgen blijvend zullen zijn.

Door de moeder en namens de vader van [slachtoffer 1] zijn slachtofferverklaringen op zitting voorgelezen. Daarin is op invoelbare wijze naar voren gebracht wat voor gevolgen het ongeval voor hen teweeg brengt. Het is een tragisch en onomkeerbaar verlies. Hoe moeilijk dit is, heeft de moeder ter zitting treffend verwoord: ‘Toen ik uit coma ontwaakte, hoorde ik dat mijn kind dood was. Ik moet verder leven met fysieke beperkingen door het ongeluk, maar deze zichtbare gevolgen vallen in het niet bij het litteken op mijn hart en het gemis van mijn kind. Sinds die nacht moet ik met een levenslange leegte leven’. Ook namens de vader van [slachtoffer 1] is ter zitting verwoord welke impact het verlies van zijn zoontje heeft op zijn leven. Het is voor hem niet te bevatten dat zijn zoontje nooit meer thuis komt.

Ook in de betreffende woonwijk zelf heeft dit ongeval diepe indruk gemaakt.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in januari 2026 was gestopt met het drinken van alcohol en dat hij dit twee maanden heeft volgehouden. Op 27 maart 2026 is hij toch weer alcohol gaan drinken, om te vieren dat hij na een burn-out weer aan het werk zou gaan. De rechtbank vindt het heel moeilijk te begrijpen dat de verdachte – ondanks dit positieve vooruitzicht – zulke grote risico’s heeft genomen door na het drinken van meerdere glazen bier zonder enkele reden in de auto te stappen en veel te hard te gaan rijden. Extra zorgelijk is dat hij heeft verklaard dat hij zelf dacht dat hij niet te hard reed. De rechtbank heeft ter terechtzitting wel de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen inziet en dat hij ook zelf gebukt gaat onder de gevolgen.

De verdachte is niet eerder met justitie voor dit soort feiten in aanraking gekomen.

De reclassering adviseert in haar rapport van 9 september 2026 om de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling gericht op verslavingsproblematiek en/of psychische problematiek en beheersing van zijn middelengebruik. Weliswaar is bij de verdachte sprake van een beperkt delictverleden, maar volgens de reclassering is er zonder enige behandeling een recidiverisico, omdat de verdachte heeft aangegeven dat hij voorafgaand aan deze zaak vaker onder invloed reed. De rechtbank vindt dit een zorgelijke uitspraak en is zich ervan bewust dat de verdachte hulp en behandeling nodig heeft om onder meer van zijn verslavingsproblematiek af te komen. Dit kan echter ook gedurende de detentie en in het kader van de eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling gebeuren.

De rechtbank realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het leed van de nabestaanden van de overleden [slachtoffer 1] . Het gaat om een zeer ernstig strafbaar feit met onomkeerbare gevolgen. Voor de verdachte moet duidelijk zijn dat dit risicovol gedrag in het verkeer volstrekt onaanvaardbaar is. Hij had op meerdere momenten andere beslissingen moeten nemen. Deelname aan het verkeer brengt een grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het leven van anderen met zich mee.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend. Daarnaast zal de rechtbank conform eis een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren opleggen, met aftrek van de periode dat het rijbewijs van de verdachte reeds is ingehouden. Hiermee wordt niet alleen beoogd de verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor de medeweggebruikers, maar ook om weggebruikers voor langere tijd te beschermen tegen dit rijgedrag.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Ontzegging van de rijbevoegdheid

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 oktober 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Dorpstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag bestaande uit:- dat verdachte heeft gereden met een snelheid van 112 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en/of;- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of;- terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede en/of eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en/of waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand