RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12019215 CV EXPL 25-5714
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
STICHTING WOONPUNT,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonpunt ,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats 1] ,
gemachtigde: mr. B.C.R. Zalm,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de productie van Woonpunt- de producties van [gedaagde 1]- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Woonpunt heeft de woning aan [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning) aan [gedaagde 1] verhuurd. [gedaagde 1] heeft de woning in maart 2025 wegens huiselijk geweld verlaten. De huurovereenkomst is op 5 juni 2025, na opzegging door [gedaagde 1] , geëindigd.
[gedaagde 2] , de ex-partner van [gedaagde 1] , verblijft nog altijd in de woning.
Een medewerker van Woonpunt heeft contact gezocht met [gedaagde 2] en hem in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 5 juni 2025 een (gezamenlijke) aanvraag in te dienen voor het verlenen van het medehuurderschap. Een medewerker van de gemeente, die bij dit gesprek aanwezig was, heeft aangegeven [gedaagde 2] bij die aanvraag te helpen. Ten aanzien van [gedaagde 2] loopt een PGA-traject.
De aanvraag is uitgebleven en [gedaagde 2] heeft de woning niet verlaten.
Bij beschikking van de kantonrechter van 15 juli 2025 is bewind ingesteld over de goederen die [gedaagde 1] (zullen) toebehoren.
3. Het geschil
Woonpunt vordert samengevat - ontruiming van de woning, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot het betalen van € 693,21 per maand als gebruiksvergoeding vanaf 5 juni 2025 tot het moment dat de woning is opgeleverd.
Woonpunt legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft niet aan de opleveringsverplichting voldaan. Aangezien [gedaagde 1] weigert dan wel niet in staat is om de woning leeg op te leveren en de sleutels in te leveren, schiet zij tekort in deze contractuele en wettelijke verplichting. Door de woning niet op te leveren, verblijft [gedaagde 1] en een ieder die daar al dan niet met haar goedvinden verblijft, zonder recht of titel in de woning. [gedaagde 2] is nooit huurder of (wettelijk) medehuurder van de woning geweest of geworden. [gedaagde 1] is een vergoeding verschuldigd op grond van artikel 7:225 BW, [gedaagde 2] op grond van artikel 6:162 BW.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren afzonderlijk verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Woonpunt is niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde 1]
Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte. Dit betekent dat in een procedure waarin een onder bewind gesteld goed onderwerp van geschil is, de bewindvoerder in rechte moet worden betrokken en niet de rechthebbende. Een vordering van een verhuurder (tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en) tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen.
De kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder ook hier de formele partij is. De opmerking van Woonpunt dat het in dit geval slechts om een oplevering zou gaan, maakt het vorenstaande niet anders. Het gaat immers nog altijd om een gevorderde ontruiming, dit naast een geldvordering die uit de huurovereenkomst voortvloeit. Het verweer van [gedaagde 1] , dat Woonpunt in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat Woonpunt de vordering niet tegen haar in persoon maar tegen haar bewindvoerder had moeten instellen, treft daarmee doel.
De bewindvoerder is op de mondelinge behandeling niet verschenen om de procedure over te nemen. De kantonrechter ziet geen aanleiding, en Woonpunt heeft hierom ook niet verzocht, om de zaak aan te houden om alsnog de bewindvoerder op te roepen, mede in de wetenschap dat – zoals Woonpunt zelf al aangeeft – het gevorderde in beginsel ook via [gedaagde 2] kan worden bewerkstelligd.
Woonpunt heeft nog aangegeven vooraf niet op de hoogte te zijn geweest van het bewind, omdat het bewind is ingesteld nadat de huurovereenkomst al is geëindigd. De kantonrechter merkt hierover op dat het bewind is gepubliceerd en uitgesproken voor het uitbrengen van de dagvaarding, zodat Woonpunt wel hiermee bekend had kunnen zijn. De kosten van het uitbrengen van de dagvaarding jegens [gedaagde 1] zijn onnodig gemaakt.
Woonpunt is kortom niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen [gedaagde 1] .
Woonpunt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Woonpunt niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.009,00
ten aanzien van [gedaagde 2]
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Het spoedeisend belang is niet betwist en vloeit voort uit de stelling van Woonpunt dat [gedaagde 2] een sociale huurwoning bezet, waarvoor lange wachtlijsten bestaan.
Vaststaat dat de woning tot op heden niet leeg is opgeleverd en de sleutels niet zijn ingeleverd. [gedaagde 2] betwist niet dat hij nooit huurder of wettelijk medehuurder van de woning is geweest of geworden en daarmee zonder recht of titel in de woning verblijft.
[gedaagde 2] beroept zich op mis(ver)standen bij het indienen van de aanvraag voor medehuurderschap, maar dit beroep treft geen doel. Vaststaat dat de aanvraag nooit is ingediend. [gedaagde 2] voert in dit verband aan dat hij in afwachting was van de gemeenteambtenaar die alles voor hem in orde zou maken, althans dat hij de ambtenaar niet kon bereiken, maar dit is betwist: de gemeente zou aan [gedaagde 2] een brief met alle voorwaarden hebben toegezonden en het zou [gedaagde 2] zijn geweest die vervolgens op dit verzoek geen stukken aanleverde. [gedaagde 2] heeft die uiteenzetting onweersproken gelaten. De kantonrechter acht het, mede gezien de voorwaarden om in aanmerking te komen voor medehuurderschap (tenminste twee jaar hoofdverblijf, duurzame gemeenschappelijke huishouding, voldoende inkomsten), ook voor de hand liggen dat [gedaagde 2] ook zélf met stukken moest komen. [gedaagde 2] had hierin aldus een eigen verantwoordelijkheid. De kantonrechter vermag ook niet in te zien waarom hij niet zo nodig de stukken zelf heeft ingeleverd bij Woonpunt indien hij de gemeente niet kon bereiken.
Afgezien van voormelde voorwaarden, geldt bovenal dat de aanvraag destijds gezamenlijk moest worden gedaan. Dat wil zeggen met medewerking van [gedaagde 1] - dit is hier te betwijfelen - en zolang [gedaagde 1] nog huurder was aldus tot 5 juni 2025. De stelling van [gedaagde 2] dat het hem niet duidelijk was (gemaakt) dat de aanvraag voor een bepaalde datum moest, is hiermee al niet te rijmen. De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor het medehuurderschap is kortom thans hoe dan ook een gepasseerd station. [gedaagde 2] heeft op de mondelinge behandeling nog aangeboden om stukken in te brengen waaruit zou blijken dat hij wel aan de voorwaarden voldoet. De kantonrechter heeft het inbrengen van die stukken niet toegelaten omdat dit te laat was (maar zo de kantonrechter ze wel had toegelaten, had dit de beoordeling daarom niet anders kunnen maken).
Woonpunt heeft nog aangegeven dat [gedaagde 2] nooit is toegezegd dat hij in de woning zou kunnen blijven en dat, gezien de geuite ernstige dreigementen, Woonpunt simpelweg ook geen huurrelatie wenst met [gedaagde 2] .
Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat de vordering tot ontruiming in een (eventuele) bodemprocedure zal worden toegewezen omdat [gedaagde 2] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft, zodat het gerechtvaardigd is daar thans op vooruit te lopen. De gevorderde ontruiming (op de wijze zoals specifiek is gevorderd ten aanzien van [gedaagde 2] ) is daarmee toewijsbaar. De kantonrechter zal daarbij de gebruikelijke ontruimingstermijn van twee weken hanteren, omdat Woonpunt niet heeft toegelicht waarom een korte termijn is geïndiceerd.
Omdat [gedaagde 2] in de woning verblijft zonder recht of titel, maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van Woonpunt . Dit kwalificeert als een onrechtmatige daad. Woonpunt leidt hierdoor schade, die [gedaagde 2] moet vergoeden. De schadevergoeding wordt, net als de gebruiksvergoeding, vastgesteld op de huurprijs ad € 693,21 die per maand moet worden vooruitbetaald. [gedaagde 2] heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd. Woonpunt heeft op de mondelinge behandeling nog aangegeven dat het betalingsoverzicht niet meer actueel is. De kantonrechter zal de vordering toewijzen, met dien verstande dat de kantonrechter ervan uit gaat dat Woonpunt rekening houdt met de betalingen die al aantoonbaar zijn gedaan.
[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonpunt worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.293,02
overig
De kantonrechter begrijpt dat zich bij - of na - de feitelijke ontruiming praktische problemen kunnen voordoen omdat er mogelijk nog zaken van [gedaagde 1] in de woning zijn. De toewijzing van de onderhavige ontruiming ziet hier formeel niet op. De kantonrechter geeft de gemachtigde van [gedaagde 1] in overweging om zo nodig hierover tijdig contact op te nemen met Woonpunt en/of de bewindvoerder om verdere kosten te voorkomen.
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart Woonpunt niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde 1] ,
veroordeelt Woonpunt in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats 2] te ontruimen en te verlaten met al hetgeen zich vanwege [gedaagde 2] daarin of daarop bevindt en al diegenen die zich daarin of daarop vanwege [gedaagde 2] bevinden, en de sleutels af te geven aan Woonpunt ,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan Woonpunt te betalen € 693,21 per maand vanaf
5 juni 2025 tot het moment waarop de daadwerkelijke ontruiming door [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 1.293,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.