ECLI:NL:RBLIM:2026:1133

ECLI:NL:RBLIM:2026:1133

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer 03/215190-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Oplegging PIJ-maatregel, overweging omtrent toerekenbaarheid bij PIJ-maatregel,

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03/215190-25, 03/289278-24, 03/398733-24, 03/323975-24 en 03/138189-24 (allen ttz.gev.).

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2009,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij [benadeelde 4] is op de terechtzitting gehoord mr. A.F.G. Pennino, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. De overige benadeelde partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

T.a.v. de zaak met parketnummer 03/215190-25

Feit 1: zich, al dan niet met een of meer anderen, op 24 juni 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag door [ slachtoffer 1] meermalen met een hamer en/of een bijl op het hoofd te slaan, welke poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een poging tot diefstal met braak, subsidiair poging tot diefstal met braak en geweld;

Feit 2: al dan niet met een of meer anderen, op 17 juni 2025 [ slachtoffer 2] heeft overvallen;

Feit 3: zich, al dan niet met een of meer anderen, op 29 april 2025 heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een fatbike;

T.a.v. de zaak met parketnummer 03/289278-24

Feit 1: zich, al dan niet met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan een overval op het slachtoffer [slachtoffer 3] op 7 september 2024;

Feit 2: zich, al dan niet met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan een overval op het slachtoffer [benadeelde 3] op 9 augustus 2024;

Feit 3: op 11 mei 2024 heeft geprobeerd om [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 4: zich, al dan niet met een of meer anderen, in de periode van 3 juni 2024 tot en met 4 juni 2024 schuldig heeft gemaakt aan de heling van een voertuig (van het merk Volvo);

Feit 5: zich, al dan niet met een of meer anderen, in de periode van 27 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een voertuig (van het merk Toyota), subsidiair heling van dat voertuig;

Feit 6: zich op 28 maart 2024 schuldig heeft gemaakt aan een openlijke geweldpleging;

Feit 7: zich, al dan niet met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan een overval op het slachtoffer [slachtoffer 5] op 9 augustus 2024;

T.a.v. de zaak met parketnummer 03/398733-24

zich, al dan niet met een of meer anderen, op 11 juni 2024 schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een fiets met geweld dan wel bedreiging met geweld;

T.a.v. de zaak met parketnummer 03/323975-24

Feit 1: op 22 juni 2024 een verbalisant heeft beledigd door deze verbalisant de woorden toe te voegen: “blijf van mij af, vuile homo”;

Feit 2: op 22 juni 2024 4,4 gram hasjiesj voorhanden heeft gehad;

T.a.v. de zaak met parketnummer 03/138189-24

op 12 april 2024 een voorwerp voorhanden heeft gehad dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen lijkt dat dit voor bedreiging of afdreiging geschikt was.

3. Vrijspraakoverwegingen

In de zaak met parketnummer 03/215190-25, Feit 2 (overval [ slachtoffer 2] );

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs.

In de zaak met parketnummer 03/289278-24,

Feit 2 (overval slachtoffer [benadeelde 3] ) en feit 7 (overval slachtoffer [slachtoffer 5] );

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs.

Feit 5 (primair diefstal, subsidiair heling Toyota)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van de primair tenlastegelegde diefstal moet worden vrijgesproken. Anders dan de officier van justitie heeft gerekwireerd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook voor het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte wist dan wel kon vermoeden dat het voertuig van diefstal afkomstig was. Dat, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, in de ochtend van 28 augustus 2024 een bericht in de telefoon van de verdachte is aangetroffen, waarin wordt gesproken over het weghalen van een auto die verkocht moet worden, maakt dit oordeel niet anders. Op basis van het dossier kan onvoldoende worden vastgesteld dat dit bericht betrekking had op het voertuig van het slachtoffer.

03/398733-24,

Diefstal met geweld slachtoffer [slachtoffer 6] ;

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs.

4. De waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 03/215190-25

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en feit 3 tenlastegelegde bewezen. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer [ slachtoffer 1] . De verdachte heeft meermalen met een hamer op het hoofd van aangever geslagen en heeft daarmee de aanmerkelijke kans dat [ slachtoffer 1] kwam te overlijden, bewust aanvaard. Feit 3 heeft de verdachte bekend.

In de zaak met parketnummer 03/289278-24

Feit 1 acht de officier van justitie bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte. Feiten 3 en 4 heeft de verdachte ook bekend, maar ten aanzien van feit 4 dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken en wel van het tenlastegelegde medeplegen. Feit 6 acht de officier van justitie bewezen. De verdachte is betrokken geweest bij het incident en meerdere getuigen hebben verklaard dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht. Daarnaast is zijn aanwezigheid en betrokkenheid bij het incident voldoende voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging. De verdachte wist namelijk wat het plan was, was onderdeel van de groep en stond er bovenop.

In de zaak met parketnummer 03/323975-24

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie geen redenen om te twijfelen aan hetgeen de verbalisant heeft opgeschreven. Feit 2 heeft de verdachte bekend.

In de zaak met parketnummer 03/138189-24

De officier van justitie acht dit feit bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en het aantreffen van het wapen.

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 03/215190-25

Ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte meermalen met de hamer op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen en om die reden is er geen aanmerkelijke kans op de dood geweest. Ook op basis van het letsel kan dit niet worden bewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat, bij een bewezenverklaring, de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van medeplegen. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Feit 3 heeft de verdachte bekend.

In de zaak met parketnummer 03/289278-24

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 tenlastegelegde, omdat de verdachte geen oogmerk heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de bigshopper. Ook ten aanzien van de tas kan de verdachte niets worden verweten, omdat het slachtoffer de tas ergens heeft neergezet en iemand anders, niet zijnde de verdachte, deze heeft gepakt. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend. Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De verdachte was weliswaar aanwezig bij het incident met het slachtoffer, maar heeft geen voldoende wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan het geweld. De getuigenverklaringen kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd, omdat deze op wezenlijke punten niet met elkaar overeenkomen.

In de zaak met parketnummer 03/323975-24

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, aangezien de verdachte stellig ontkent de in de tenlastelegging benoemde woorden te hebben uitgesproken. De verdachte heeft alleen gevraagd of de verbalisant homo is, maar dit is niet van dezelfde strekking als het iemand beledigend toeroepen dat hij een vuile homo is. Tevens is door de betreffende verbalisant geen aangifte gedaan, maar bevat het dossier alleen een gezamenlijk opgesteld proces-verbaal van bevindingen. Feit 2 heeft de verdachte bekend, dus de raadsvrouw refereert zich te dien aanzien aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak met parketnummer 03/138189-24

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor het tenlastegelegde, omdat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld om wat voor soort wapen het gaat. In het proces-verbaal van het onderzoek aan het wapen staan twee verschillende categorieën benoemd uit de Wet wapens en munitie. Het is hierdoor onvoldoende duidelijk onder welke categorie het wapen valt.

Het oordeel van de rechtbank

Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, zal de rechtbank telkens per feit afzonderlijk de bewijsmiddelen en haar overwegingen omtrent het bewijs weergeven.

In de zaak met parketnummer 03/215190-25

T.a.v. feit 1 – poging doodslag slachtoffer [ slachtoffer 1]

Bewijsmiddelen

[ slachtoffer 1] verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– als volgt:

Op 24 juni 2025 omstreeks 05:00 uur bevond ik mij in mijn woning in Heerlen. Ik was samen met mijn vriendin [naam 1] . Aan de voorzijde van mijn kamer bevindt zich een raam met zicht op de [adres 2] . Achter dit raam is mijn slaapkamer. Op enig moment hoorde ik dat mijn vriendin hard schreeuwde dat er inbrekers waren, hierdoor schrok ik wakker. Ik zag dat een man over mij heen stond gebogen. Ik zag dat de man een hamer in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat de man zijn rechterarm naar achter haalde en dat hij zijn rechterarm met kracht vooruit in de richting van mijn hoofd bewoog en dat de hamer mijn hoofd raakte ter hoogte van mijn linkeroog. Door de klap met de hamer voelde ik direct een stekende pijn aan mijn hoofd ter hoogte van mijn linkeroog. Ik voelde dat het bloed langs mijn hoofd sijpelde. Hierna heeft de man mij nog meerdere keren met de hamer op mijn hoofd geslagen. Ik trapte de man, waardoor de hamer uit zijn hand viel.

Ik ben vervolgens een rondje door de woning gaan lopen. Ik zag dat overal in de woning glas lag, afkomstig van het kapotte raam.

Ik ben naar de huisartsenpost gegaan en nagekeken door een arts. Er zijn geen goederen weggenomen.

Getuige [naam 1] verklaarde op 24 juni 2025 om 05:23 uur, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– als volgt:

Ik lag naast mijn vriend in bed. Ik hoorde glasgerinkel en keek richting het raam. Ik zag een jongen naar binnen komen via het raam. Mijn vriend werd op dat moment wakker. Ik zag dat de jongen met een hamer begon in te slaan op mijn vriend.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 20 januari 2026 –zakelijk weergegeven– het volgende:

Het klopt dat ik op 24 juni 2025 naar die woning in Heerlen ben gegaan. Ik had een tip gekregen dat onder het bed een zak wiet lag en die wiet wilde ik stelen. Onderweg kreeg ik een adrenalinekick. Ik ben naar binnen gegaan via de ruit en kwam in een slaapkamer terecht. Het was donker en ik zag niet veel. Eerst werd een vrouw wakker en toen ook de man. Dat is het slachtoffer. Het klopt dat ik met een hamer op het hoofd van de man heb geslagen. Er ontstond een worsteling. Toen de man zich bleef verzetten, ben ik via het raam naar buiten gegaan en gevlucht.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte meermalen met kracht met een hamer op het hoofd van [ slachtoffer 1] heeft geslagen. De verklaring van de verdachte dat hij maar een keer met de hamer heeft geslagen, acht de rechtbank ongeloofwaardig en is tegenstrijdig aan hetgeen uit de overige bewijsmiddelen volgt. Het slachtoffer [ slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat de verdachte meermalen heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam 1] , die heeft verklaard dat de verdachte met de hamer begon in te slaan op [ slachtoffer 1] .

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte is te kwalificeren als een poging tot doodslag. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te stellen dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval op de dood van het slachtoffer – sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, te weten het meermalen slaan met een hamer in de richting van het hoofd van [ slachtoffer 1] , naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het slaan met een hamer, zijnde een hard voorwerp, in de richting van het hoofd van [ slachtoffer 1] , in combinatie met het feit dat het donker was en de verdachte niet kon zien waar hij sloeg in een setting waarbij verdachte met het slachtoffer in een fysieke confrontatie komt tijdens een inbraak, maakt dat de kans op de dood van [ slachtoffer 1] aanmerkelijk is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat [ slachtoffer 1] gedood zou worden, bewust aanvaard.

De primair tenlastegelegde gekwalificeerde poging tot doodslag zal dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte heeft immers verklaard dat hij de woning is binnengetreden om een zak wiet te stelen en dat hij de persoon is geweest die het raam heeft ingeslagen en naar binnen is geklommen.

Vrijspraak medeplegen

Evenals de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de verdacht partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de poging doodslag.

T.a.v. feit 3 – diefstal fatbike

De verdachte heeft het onder feit 3 tenlastegelegde bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 3 augustus 2025;

- het proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2025;

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026.

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs.

In de zaak met parketnummer 03/289278-24

Feit 1 – overval slachtoffer [slachtoffer 3]

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 3] verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– het volgende:

Op 7 september 2024 omstreeks 19:15 uur kwam ik aan op het treinstation in Kerkrade. Ik liep in de richting van de Nachtegaalstraat. Ik droeg een bigshopper en een rugzak. Bij de kruising van de Dentgenbacherweg en de Nachtegaalstraat zag ik links van mij twee jongens staan. Ik zag dat een van de jongens rood haar had. Op de hoek van de Nachtegaalstraat voelde ik dat iemand aan mijn rugzak trok. Ik draaide me om en zag duidelijk een jongen met rood haar. Toen ik me omdraaide, zag ik plotseling vijf jongens staan. Ik zag en voelde dat de jongens mij begonnen te slaan. Ik voelde dat ik

zeker drie keer geslagen werd. Ik voelde dat ik geslagen werd op mijn linkerkaak en op mijn linkeroor. Ik zag dat de jongens met hun vuisten sloegen. Ik zag dat de jongen met het rode haar mijn bigshopper pakte. Ik had mijn rugzak in mijn linkerhand en legde deze bij [adres 3] in de voortuin. Ik draaide mij vervolgens om en rende achter de jongens aan. Ik zag dat de jongen op de fatbike mijn rugzak uit de tuin pakte. De rugzak is gestolen.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 20 januari 2026 –zakelijk weergegeven– het volgende:

Ik kende het slachtoffer [slachtoffer 3] . Hij rende weg en toen zei ik: “kom we pakken hem”. We zijn hem toen achterna gelopen. Het klopt dat ik hem onderuit heb getrapt en de bigshopper heb gepakt. Het klopt dat hij door jongens uit de groep is getrapt. Iemand uit die groep heeft de rugzak gepakt.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangever [slachtoffer 3] shag van hem had afgepakt en toen zou de verdachte samen met anderen achter [slachtoffer 3] aangerend zijn. De verdachte bekent de [slachtoffer 3] onderuit te hebben getrapt en dat hij de bigshopper heeft gepakt om, naar eigen zeggen, die shag terug te krijgen. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat uit het voorgaande niet blijkt dat hij het oogmerk had tot wederrechtelijke toe-eigening van die bigshopper. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verdachte heeft op enig moment de bigshopper van [slachtoffer 3] afgepakt en aldus op dat moment de bigshopper zich wederrechtelijk toegeëigend. Dat de verdachte dit enkel heeft gedaan om zijn shag terug te pakken, acht de rechtbank niet aannemelijk. In het dossier heeft de rechtbank geen objectieve aanknopingspunten die dit ondersteunen aangetroffen.

Het subsidiaire verweer van de raadsvrouw dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de diefstal van de rugzak wordt eveneens verworpen. De rechtbank acht medeplegen bewezen, aangezien de verdachte samen met anderen [slachtoffer 3] heeft gevolgd en omsingeld en meerdere personen, waaronder de verdachte zelf, zich schuldig hebben gemaakt aan geweldshandelingen jegens die [slachtoffer 3] ten dienste van de diefstal. Het gaat om een gezamenlijke uitvoering van die diefstal. Dat meerdere jongens daarbij geweld hebben gepleegd, heeft de verdachte ter terechtzitting ook verklaard. Er was aldus sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking aan het gepleegde delict. Dat niet de verdachte, maar een mededader de rugzak heeft weggenomen, staat een bewezenverklaring voor dit onderdeel niet in de weg.

Feit 3 – poging zwaar lichamelijk letsel slachtoffer [slachtoffer 4]

De verdachte heeft het onder feit 3 tenlastegelegde bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 24 augustus 2024;

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026.

Feit 4 – heling voertuig (Volvo)

De verdachte heeft het onder feit 4 tenlastegelegde bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] van 4 juni 2024;

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2024;

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026.

Vrijspraak medeplegen

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Feit 6 – openlijke geweldpleging

Bewijsmiddelen

[benadeelde 2] verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– het volgende:

Ik wens aangifte te doen van mishandeling op 28 maart 2024 in Landgraaf. Ik had afgesproken met een vriendin op het [adres 4] in Landgraaf. Toen ik daar stond, zag ik [verdachte] staan. Ik zag dat hij op mij af liep en zag dat hij gelijk begon met slaan. Ik hoorde hem roepen “kom boys, hij is hier” en toen zag ik zeker 20 tot 30 jongens aan komen rennen. Ik werd toen van alle kanten geschopt en geslagen. Ik heb in de hele situatie meerdere klappen gekregen op mijn hoofd en mijn lichaam. Alle klappen deden mij veel pijn.

[benadeelde 2] verklaarde in zijn aanvullende aangifte, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– het volgende:

We liepen een parkeerplaats op en bleven daar staan. Plots kwam een jongen met oranje haar aangelopen. Ik herkende [verdachte] . Ik ken hem van de wijk. Hij is de jongen met het oranje haar. Ik weet zeker dat [verdachte] klappen heeft uitgedeeld.

[naam 2] verklaarde, voor zover hier van belang, het volgende:

O = opmerking verbalisant

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

Verhoor 15 mei 2024:

O: Je bent vanochtend aangehouden op verdenking van openlijke geweldpleging en diefstal met geweld, welke heeft plaatsgevonden in de avond van 28 maart 2024 in Landgraaf. Hierover ga ik jou een aantal vragen stellen.

(…)

V: Vertel zelf eens waarom je nu hier bent.

A: Ik was daar met [benadeelde 2] dat is zijn bijnaam, (noot verbalisant: hiermee wordt aangever [benadeelde 2] mee bedoeld volgens verdachte [naam 3] )(…) ik was daar met (…) [verdachte] . Die stonden erbij (…). Op dat moment dat ik in de auto zat riepen [verdachte] (…) die jongens, die zaten iets verderop in een steeg, (…) Op het moment dat die allemaal erbij kwamen werd [benadeelde 2] meteen geslagen. (…).

Verhoor 16 mei 2024

V. Is [verdachte] dan degene die [benadeelde 2] als eerste in het gezicht slaat?

A: Ja.

[naam 4] verklaarde, voor zover hier van belang, het volgende:

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

Strafbaar feit: Openlijke geweldpleging, diefstal met geweld

Datum/tijd: Donderdag 28 maart 2024, omstreeks 20:00 uur

Plaats delict: Landgraaf

V: Wat deed [verdachte] dan?

A: Ik zag dat hij eerst in zijn eentje tegen die jongen aan het vechten was.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 20 januari 2026 –zakelijk weergegeven– het volgende:

Het klopt dat ik op 28 maart 2024 aanwezig ben geweest bij de mishandeling van [benadeelde 2] . We waren met een grote groep jongens en ik heb gezien wat daar gebeurd is. Het klopt dat ik wist wat het plan was die dag.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Het is niet beslissend of de verdachte ook zelf geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde 2] en het is niet van belang welke persoon precies welke geweldshandelingen heeft verricht. Vast staat dat er geweld is gebruikt door een groep tegen het slachtoffer. Deze groep, waar de verdachte onderdeel van was, heeft [benadeelde 2] omsingeld en mishandeld. [benadeelde 2] is hierdoor gewond geraakt. Uit de bewijsmiddelen is voldoende gebleken dat de verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft gehad. De rechtbank acht de openlijke geweldpleging bewezen.

De verdachte wist van het plan en is samen met de groep jongeren naar [benadeelde 2] toegegaan die vervolgens is mishandeld. De verdachte heeft hierbij geweld gebruikt, door [benadeelde 2] te slaan. Om die reden heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging.

In de zaak met parketnummer 03/323975-24

Feit 1 – belediging verbalisant

Bewijsmiddelen

Verbalisant [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] relateren, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– als volgt:

Op 22 juni 2024 kregen wij de melding om naar Landgraaf te gaan. Wij zagen dat de politie twee jeugdigen staande hield, waaronder [verdachte] . Tijdens zijn aanhouding hoorde ik, [naam 5] , dat [verdachte] tegen mij riep: “blijf van mij af, vuile homo”. [verdachte] riep dit hard en ten overstaan van anderen. Door deze belediging voelde ik mij aangetast in mijn eer en goede naam. Ik voelde mij beledigd doordat [verdachte] mij “vuile homo” noemde. Ik, [naam 6] , hoorde dat [naam 5] beledigd werd door [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] zei: “blijf van mij af, vuile homo.”

Bewijsoverweging

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belediging van verbalisant [naam 5] . De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de verbalisanten [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] . Het verweer van de verdediging dat de verdachte woorden heeft uitgesproken die geen beledigende strekking hebben, leidt niet tot een ander oordeel. De door de verdachte erkende uitingen in de gegeven context zijn van gelijke beledigende aard en strekking als de in de tenlastelegging opgenomen term. In beide gevallen is sprake van een uiting die de eer en goede naam van de ambtenaar aantast en de waardigheid van het openbaar gezag ondermijnt.

Feit 2 – aanwezig hebben hasjiesj

De verdachte heeft het onder feit 2 tenlastegelegde bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- het proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2024;

- de kennisgeving van inbeslagneming;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 23 juni 2024;

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026.

In de zaak met parketnummer 03/138189-24

Feit 1 – voorhanden hebben wapen

Bewijsmiddelen

Verbalisanten [naam 8] en [naam 9] relateren, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– als volgt:

Op 12 april 2024 werden wij gestuurd naar Landgraaf. Ter plaatse herkende ik [verdachte] . Collega [naam 9] fouilleerde [verdachte] en ik hoorde dat [naam 9] zei dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de broeksband gevonden had.

Verbalisant [naam 10] relateert, voor zover hier van belang –zakelijk weergegeven– als volgt:

Op 12 april 2024 is tijdens de fouillering van [verdachte] een wapen inbeslaggenomen. Het wapen is geheel zwart van kleur en is 19 centimeter lang en 14 centimeter breed.

De patroonhouder is uitneembaar en er kunnen 6 mm plastic balletjes in die middels veerdruk kunnen worden afgeschoten. Het veerdruksysteem is defect. Dit wapen is een 1 op 1 vergelijking met een: Sig Sauer P226. Het wapen is een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7 van de WWM, gelet op artikel 3 onder a van het RWM. Het voorhanden hebben, is een overtreding van artikel 13 lid 1, strafbaar gesteld in artikel 55 lid 1 van de WWM.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 20 januari 2026 –zakelijk weergegeven– het volgende:

Het klopt dat ik op 12 april 2024 in Landgraaf dat wapen voorhanden heb gehad.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit bewezen. Het verweer van de raadsvrouw, dat op basis van het dossier onvoldoende duidelijk is onder welke categorie van de Wet wapens en munitie (WMW) het wapen valt, wordt verworpen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting voldoende gemotiveerd onder welke categorie het wapen valt en daaruit blijkt dat uit het onderzoek aan het wapen het een betreft wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7 WWM. De rechtbank twijfelt niet hieraan en door de verdediging is deze motivering evenmin betwist.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. 03-215190-25 feit 1 primair:

op 24 juni 2025 in te Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [ slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een hamer in het gezicht en/of op het hoofd van die [ slachtoffer 1] heeft geslagen, welke poging doodslag werd vergezeld en/of gevolgd van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal van een zak wiet, door middel van braak en inklimming en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

T.a.v. 03-215190-25 feit 3:

op 29 april 2025 in Kerkrade een fatbike, die aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

T.a.v. 03-289278-24 feit 1:

op 7 september 2024 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen,

een rugzak en een bigshopper, die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- achter die [slachtoffer 3] aan te rennen en

- ( vervolgens) dicht bij die [slachtoffer 3] te gaan staan en die [slachtoffer 3] te omsingelen en

- die [slachtoffer 3] meerdere malen te slaan en/of te stompen en te trappen en

- trappende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 3] ;

T.a.v. 03-289278-24 feit 3:

op 11 mei 2024 in Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 4] tegen zijn hoofd heeft gestompt en

- die [slachtoffer 4] ten val heeft gebracht en

- in de richting van en tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. 03-289278-24 feit 4:

op 4 juni 2024 in Landgraaf, een personenauto (merk/type Volvo V40) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

T.a.v. 03-289278-24 feit 6:

op 28 maart 2024 in Landgraaf openlijk, te weten, op het [adres 4] te Landgraaf, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 2] , door die [benadeelde 2] te slaan en/of te stompen en te trappen en/of te schoppen;

T.a.v. 03/323975-24 feit 1:

op 22 juni 2024 te Landgraaf opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 5] , aspirant bij de Eenheid Limburg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “blijf van mij af, vuile homo”, althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking;

T.a.v. 03/323975-24 feit 2:

op 22 juni 2024 te Landgraaf aanwezig heeft gehad 4,4 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

T.a.v. 03/138189-24 feit 1:

op 12 april 2024 in Landgraaf een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een Sig Sauer P226, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Kennelijke taal- en schrijffouten in de tenlasteleggingen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feit op:

T.a.v. 03-215190-25 feit 1 primair:

Poging tot doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

T.a.v. 03-215190-25 feit 3:

Diefstal;

T.a.v. 03-289278-24 feit 1:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

T.a.v. 03-289278-24 feit 3:

Poging tot zware mishandeling;

T.a.v. 03-289278-24 feit 4:

Opzetheling;

T.a.v. 03-289278-24 feit 6:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

T.a.v. 03-323975-24 feit 1:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

T.a.v. 03-323975-24 feit 2:

Handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

T.a.v. 03-138189-24 feit 1:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Drs. J. Richards (gezondheidszorgpsycholoog) en drs. M. Hendriks (kinder- en jeugd psychiater) hebben over de geestvermogens van de verdachte op 14 november 2025 een Pro Justitia rapportage uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de bevindingen in dat rapport en het daarin vervatte advies niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf en de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Bij de bepaling van haar strafeis heeft de officier van justitie in het bijzonder gelet op de bevindingen en de adviezen in de Pro Justitia rapportage over de verdachte en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie met aftrek van het voorarrest. Oplegging van een PIJ-maatregel is niet mogelijk, omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor deze maatregel. Uit de Pro Justitia rapportage blijkt immers dat de tenlastegelegde feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Een van de vereisten voor oplegging van de PIJ-maatregel is dat de feiten een verdachte vanwege een ziekelijke stoornis aan de geestesvermogens niet of slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Hiervan is geen sprake. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met dezelfde voorwaarden als die gelden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het gaat op dit moment goed met de verdachte en hij houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om nader onderzoek te laten verrichten naar de haalbaarheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het onderzoek ter terechtzitting dient in dat geval heropend te worden. De rapportages over de verdachte bieden namelijk voldoende aanknopingspunten voor deze voorwaardelijke maatregel.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich op zeer jonge leeftijd schuldig gemaakt aan een reeks ernstige strafbare feiten. Op veertienjarige leeftijd maakt de verdachte zich schuldig aan de openlijke geweldpleging ten aanzien van het slachtoffer [benadeelde 2] . Daarna volgen de delicten elkaar snel op. In april 2024 wordt de verdachte door de politie gefouilleerd en blijkt hij een wapen op zak te hebben. Kort daarna maakt hij zich schuldig aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 4] en een maand daarna aan de belediging van een verbalisant, het voorhanden hebben van hasjiesj en de heling van een voertuig. Bij het plegen van het laatstgenoemde feit heeft de verdachte ook nog als bestuurder, zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs, een eenzijdig ongeval veroorzaakt. Hoewel dit niet aan de verdachte is tenlastegelegd, spreekt dit in ieder geval niet in zijn voordeel. In september 2024 gaat de verdachte wederom de fout in door samen met een groep jongens het slachtoffer [slachtoffer 3] te overvallen om een bigshopper en een tas te stelen. De verdachte wordt in hechtenis genomen en geschorst onder bijzondere voorwaarden waardoor het een periode goed gaat en hij geen nieuwe feiten pleegt. Helaas gaat het in april 2025 opnieuw mis als hij een fatbike steelt. Tot slot volgt het absolute dieptepunt van de reeks strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt: een poging tot doodslag om een zak wiet te stelen. Gewapend met een hamer betreedt de hij de woning van [ slachtoffer 1] en slaat hem meerdere keren met een hamer op het hoofd.

De ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers

De rechtbank stelt vast dat de verdachte in een tijdsbestek van nauwelijks anderhalf jaar een schokkend pad van criminaliteit heeft bewandeld. Wat begon met een openlijke geweldpleging, is geëscaleerd tot een poging tot doodslag. De verdachte heeft bij herhaling laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen. In het bijzonder de overval op slachtoffer [slachtoffer 3] en de brute hamerslagen op het hoofd van slachtoffer [ slachtoffer 1] zijn feiten die een diepe inbreuk maken op de rechtsorde. Het slachtoffer [ slachtoffer 1] is in zijn eigen woning – de plek waar hij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen – met extreem geweld geconfronteerd. Dat dit ook nog eens gebeurde bij een woning in opdracht van anderen die een tip hadden gekregen dat daar een zak wiet te halen viel, onderstreept de roekeloze en gewetenloze wijze waarop de verdachte te werk is gegaan. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen fysiek en psychisch leed bij de directe slachtoffers, maar versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Ook het dragen van een op een echt vuurwapen gelijkend wapen en het veroorzaken van een eenzijdig ongeval in een geheeld voertuig zonder rijbewijs, getuigen van een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef. De verdachte heeft hierbij niet alleen zijn eigen leven, maar ook dat van onschuldige weggebruikers en omstanders in gevaar gebracht.

De rechtbank maakt zich grote zorgen over de snelheid waarmee de delicten zich hebben opgevolgd. Zelfs een schorsing van de voorlopige hechtenis onder strikte bijzondere voorwaarden heeft de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw ernstige geweldsmisdrijven te plegen. De verdachte lijkt telkens weer de confrontatie op te zoeken en schuwt daarbij het gebruik van geweld niet.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de bevindingen en adviezen in de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld. In de Pro Justitia rapportage van 14 november 2025 rapporteren de onderzoekers dat bij de verdachte sprake is van een norm overschrijdende gedragsstoornis die een begin kent in de kindertijd met beperkte pro-sociale emoties die als ernstig wordt beoordeeld. Vanwege het langdurige patroon van antisociale gedragingen zijn er grote zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte die als ernstig bedreigd wordt gezien door de onderzoekers. Er worden ook forse antisociale kenmerken gezien met trekken van psychopathie. Op basis van deze bevindingen zijn de onderzoekers van oordeel dat een intensieve en gestructureerde interventie noodzakelijk is binnen een beveiligde setting. Vanuit gedragskundig perspectief is behandeling noodzakelijk om verdere ontwikkeling in negatieve zin te keren en het risico op (gewelds)recidive te beperken. Het bijstellen van antisociale cognities, het bijsturen van de gewetensontwikkeling en daarmee het repareren van emotionele tekorten zouden de kernelementen moeten vormen van een behandeling. Deze kunnen, mits adequaat aangepakt, bijdragen aan een positieve kentering van de persoonlijkheidsontwikkeling en daarmee gedragsverandering op de lange termijn. Ten aanzien van het ombuigen van de psychopathie-ontwikkeling is een psychotherapeutische aanpak nodig. Volgens de onderzoekers is een langdurige behandeling bij een instelling met forensische expertise, die dwingend wordt opgelegd en waaraan de verdachte zich niet makkelijk kan onttrekken, noodzakelijk. De beide onderzoekers adviseren om de behandeling vorm te geven binnen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De Raad onderschrijft de conclusies uit de Pro Justitia rapportage in haar rapportage van 6 januari 2026. Volgens de rapporteur ontbreekt het bij de verdachte aan intrinsieke motivatie en lijkt hij de noodzaak van een intensieve behandeling niet in te zien. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel is ook volgens de Raad geen geschikt alternatief, omdat er signalen zijn dat de verdachte ook nu, gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis, de voorwaarden overtreedt. Ter terechtzitting heeft de deskundige verklaard dat de verdachte betrapt is bij blowen op school. Ook het contact met negatieve vrienden zorgt voor veel zorgen. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel zou volgens de deskundige na oplegging binnen zeer korte termijn worden omgezet naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De kans van slagen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel acht de Raad nihil.

PIJ-maatregel?

Door de deskundigen wordt de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor oplegging van een PIJ-maatregel, gelet op de bewezenverklaringen en de conclusies van de deskundigen, is voldaan. De rechtbank stelt vast dat meerdere van de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de psychiater en psycholoog in hun rapportage vermelden, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het verweer van de raadsvrouw dat naast een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens de feiten niet of slechts in verminderde mate moeten worden toegerekend als vereiste om tot een veroordeling tot een PIJ-maatregel te komen, wordt verworpen. Artikel 77s, eerste lid, Sr eist immers niet meer dan een uit gelijktijdigheid bestaand verband tussen het begaan van het misdrijf en de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Dat geen sprake is van verminderde toerekenbaarheid, staat oplegging van de maatregel niet in de weg, aangezien dit geen cumulatieve voorwaarde is voor oplegging van de PIJ-maatregel. Dat is een belangrijk verschil met de maatregel van terbeschikkingstelling, die aan volwassenen kan worden opgelegd die niet of verminderd toerekeningsvatbaar zijn. Dit verschil wordt verklaard door het feit dat in het volwassenenstrafrecht sprake is van een zuiver onderscheid tussen straffen en maatregelen. Straffen kunnen alleen worden opgelegd indien en voor zover aan de pleger van een delict een verwijt kan worden gemaakt. Maatregelen worden opgelegd om een onrechtmatige toestand te beëindigen, de samenleving te beveiligen of een persoon met een stoornis in zijn ontwikkeling te helpen. In het volwassenenstrafrecht is dit onderscheid zuiver doorgevoerd. In het jeugdstrafrecht is er echter behoefte om pedagogische redenen te beschikken over een breder arsenaal van instrumenten om in de ontwikkeling van jeugdigen te kunnen ingrijpen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de verdachte binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet plaatsvinden. De rechtbank heeft hierbij onder meer gekeken naar de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, het hoge recidiverisico en de complexe problematiek van de verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank de deskundigen tijdens het onderzoek ter terechtzitting uitvoerig bevraagd over de vraag of er in dit geval een haalbaar alternatief voor de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is. De verdachte is meermalen gerecidiveerd en heeft zich, zelfs nadat hij een keer geschorst is geweest en hem een kans is geboden, niet aan de voorwaarden gehouden. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven nu wel te willen meewerken aan hulpverlening, maar daarin heeft de rechtbank gelet op de conclusies van de deskundigen en het gebrek aan probleembesef en het ontbreken van intrinsieke motivatie voor een behandeling, geen vertrouwen. De verdachte heeft een langdurige en intensieve behandeling nodig in een sterk gestructureerde omgeving. Net als de deskundigen vindt de rechtbank dat er in dit geval geen reële alternatieven zijn. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is daarom passend en geboden en deze zal ook worden opgelegd.

De rechtbank ziet geen redenen om het onderzoek te heropenen om een nader onderzoek te verrichten naar de haalbaarheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Ter terechtzitting hebben de deskundigen voldoende gemotiveerd waarom dit niet haalbaar en niet wenselijk is.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten in de strafzaak met parketnummer 03/323975-24 overweegt de rechtbank dat de PIJ-maatregel voor die feiten niet kan worden opgelegd. De rechtbank heeft voor deze feiten gekeken naar het soort straffen dat doorgaans in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Doorgaans worden voor deze feiten geldboetes en/of taakstraffen opgelegd, maar in dit geval acht de rechtbank het – gelet op het voorarrest – passend en geboden om een jeugddetentie opleggen voor de duur van 2 dagen met aftrek van het voorarrest.

Tot slot is door de raadsvrouw aangevoerd dat voor het merendeel van de tenlastegelegde feiten sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Deze termijn is een waarborg om te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten – met uitzondering van de feiten 1 en 3 in de zaak met parketnummer 03/215190-25 – de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de (per saldo geringe hoogte van de) straf en de maatregel die worden opgelegd, zal de rechtbank volstaan met de constatering van deze overschrijding.

8. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij vordert een vergoeding van de schade die is ontstaan door de diefstal van een fiets, maar deze schade vloeit voort uit een gebeurtenis die niet aan de verdachte is tenlastegelegd. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (03215190-25 – feit 3)

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.113,95 aan materiële schade, voor de gestolen fatbike met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. In de bijlage van het schadeformulier is een aankoopfactuur van een fatbike bijgevoegd en deze factuur is verstuurd aan [naam 11] en onvoldoende is gebleken wie deze persoon is en of dit de fatbike betreft die door de verdachte is gestolen. Tevens worden er verzendkosten gevorderd. De vordering roept bij de officier van justitie en de verdediging vragen op, maar omdat de benadeelde niet ter terechtzitting is verschenen, konden deze vragen niet worden gesteld. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Deze onderbouwing is noodzakelijk en nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (03/289278-24 – feit 2)

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 75,- aan materiële schade, bestaande uit een gestolen geldbedrag (€ 55,-) en een flesje parfum (€ 20,-) met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 03/289278-24 zal worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] (03/289278-24 – feit 4)

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.617,66 aan materiële schade, bestaande uit de herstelkosten van de Volvo, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de opzetheling en terwijl de verdachte het voertuig voorhanden had, heeft hij de aanrijding veroorzaakt waardoor de schade is geleden. De schade staat dus in rechtstreeks verband met het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte door zijn handelen – de heling van het voertuig – geen rechtstreekse schade heeft toegebracht, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De aanrijding is ontstaan naar aanleiding van de diefstal van het voertuig, maar dat is niet aan de verdachte tenlastegelegd. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor de helft moet worden toegewezen, omdat sprake is van een medeverdachte. Tevens was de auto al beschadigd voordat de aanrijding had plaatsgevonden. Herstel van deze schade kan niet voor rekening van de verdachte komen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte – de heling – en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).

In deze zaak geldt dat verdachte het voertuig onder zich had terwijl hij wist dat het voertuig gestolen was. De verdachte is als bestuurder van het voertuig – tijdens de strafbare gedraging – ook de veroorzaker van de aanrijding waardoor de schade aan het voertuig is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee op dermate actieve wijze aan de door de benadeelde geleden schade heeft bijgedragen, dat zij oordeelt dat benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het verweer van de verdediging dat de schade het gevolg is van de diefstal en niet van de heling, wordt verworpen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling door met een gestolen auto te gaan rijden. Vervolgens heeft hij een ongeluk veroorzaakt waardoor de onrechtmatige daad jegens de benadeelde wordt begaan.

Het subsidiaire verweer van de raadsvrouw wordt eveneens verworpen, aangezien de verdachte partieel is vrijgesproken van het medeplegen. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat er al schade was aan het voertuig, is de rechtbank van oordeel dat deze betwisting onvoldoende is gemotiveerd. Alleen de verklaring van de verdachte dat er enkele krassen op het voertuig zaten, is onvoldoende.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de vordering geheel moet worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (03/289278-24 – feit 6)

De benadeelde partij vordert een vergoeding een vergoeding van € 200,- aan materiële schade voor een jas met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen rechtstreeks verband is met het aan de verdachte tenlastegelegde feit. De diefstal van een jas is namelijk niet aan de verdachte tenlastegelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd wat het causaal verband is met het aan de verdachte tenlastegelegde feit. Deze onderbouwing is noodzakelijk en nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

9. Het beslag

Onder de verdachte zijn in de strafzaak met parketnummer 03/215190-25 een hamer, bijl en een tas inbeslaggenomen. In de strafzaak met parketnummer 03/138189-24 is een wapen in beslag genomen.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle op de beslaglijst vermelde voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de strafbare feiten – die aanleiding waren voor de inbeslagname van de voorwerpen – zijn begaan met gebruik van en met betrekking tot deze voorwerpen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 77a, 77g, 77gg, 77i, 77s, 141, 266, 267, 287, 288, 302, 310, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] 03-215190-25 feit 3:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] 03-289278-24 feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] 03-289278-24 feit 4:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (03-289278-24 feit 6):
Beslag

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 03/215190-25 als feit 2, 03/289278-24, als feiten 2, 5 en 7 en het onder 03/398733-24 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Maatregel

- legt de verdachte voor de overige bewezenverklaarde feiten op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] :

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2026.

Buiten staat

Mr. Mullers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

In de zaak met parketnummer 03/215190-25

1

hij, op of omstreeks 24 juni 2025 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [ slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een hamer en/of een bijl, in ieder geval een zwaar en/of metalen voorwerp, in het gezicht en/of op het hoofd van die [ slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, welke poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten een poging tot diefstal van een een zak wiet, althans een (of meer) goed(eren) van zijn/hun gading en/of geld, in vereniging gepleegd en/of door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer aan dat strafbare feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 24 juni 2025 in de gemeente Heerlen omstreeks 5.00 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning (gelegen aan de [adres 5] te Heerlen), tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om een zak wiet, in elk geval enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading en/of geld, dat/die geheel of ten dele aan [ slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

- zich (met gezichtsbedekking) naar de woning van die [ slachtoffer 1] heeft/hebben begeven, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een bijl en/of hamer, in ieder geval een zwaar en/of metalen voorwerp, op een (slaapkamer)raam (van die woning) heeft/hebben geslagen, en/of

- door voornoemd raam de woning heeft/hebben betreden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [ slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of de andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door meermalen, althans eenmaal, met een hamer en/of een bijl, in ieder geval een zwaar en/of metalen voorwerp, in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [ slachtoffer 1] te slaan;

2

hij, op of omstreeks 17 juni 2025 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, een zonnebril, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [ slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, (op korte afstand) aan die [slachtoffer 7] te tonen en/of in de richting van die [slachtoffer 7] te houden, en/of

- ( daarbij) te zeggen: "niet achter me aanlopen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3

hij, op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 03/289278-24

1

hij op of omstreeks 7 september 2024 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugzak en/of een bigshopper, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk temaken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, door

- die [slachtoffer 3] te achtervolgen en/of achter die [slachtoffer 3] aan te rennen en/of

- ( vervolgens) dicht bij die [slachtoffer 3] te gaan staan en/of die [slachtoffer 3] te omsingelen en/of

- die [slachtoffer 3] meerdere malen te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of

- een of meer trappende beweging(en) te maken in de richting van die [slachtoffer 3] ;

2

hij op of omstreeks 9 augustus 2024 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijldeze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [benadeelde 3] aan zijn kleding vast te pakken en/of

- om die [benadeelde 3] heen te gaan staan en/of

- die [benadeelde 3] om geld te vragen en/of

- een slaande beweging te maken in de richting van die [benadeelde 3] en/of

- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij zijn zakken open moest maken en/of

- de zakken van die [benadeelde 3] te doorzoeken;

3

hij op of omstreeks 11 mei 2024 in de gemeente Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 4] (meermalen) tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- die [slachtoffer 4] ten val heeft gebracht en/of

- in de richting van en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

hij in of omstreeks de periode van 3 juni tot en met 4 juni 2024 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (merk/type Volvo V40), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5

hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2024 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (merk/type Toyota Yaris), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 12] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2024 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (merk/type Toyota Yaris), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6

hij op of omstreeks 28 maart 2024 in de gemeente Landgraaf openlijk, te weten, op het [adres 4] te Landgraaf, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- een persoon, te weten [benadeelde 2] , door die [benadeelde 2] te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen;

7

hij op of omstreeks 9 augustus 2024 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 5] en/of een derde

toebehoorde(n)

- heeft geroepen/gezegd "Rip ze, rip ze" en/of

- die [slachtoffer 5] aan de kleding heeft vastgepakt en/of getrokken en/of

- die [slachtoffer 5] heeft geduwd en/of in een hoek gedreven en/of

- tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd "Laat je tas zien, als je deze niet laat zien, sla ik je", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de rugzak van die [slachtoffer 5] heeft doorzocht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

In de zaak met parketnummer 03/398733-24

hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (merk Trenergy), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

door die [slachtoffer 6] tegen het gezicht te slaan en/of de fiets onder die [slachtoffer 6] vandaan te trekken;

In de zaak met parketnummer 03/323975-24

1

hij, op of omstreeks 22 juni 2024 te Landgraaf opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 5] , aspirant bij de Eenheid Limburg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'blijf van mij af, vuile homo', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2

hij, op of omstreeks 22 juni 2024 te Landgraafaanwezig heeft gehad ongeveer 4,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03/215190-25, 03/289278-24 (ttz.gev.), 03/398733-24 (ttz.gev.), 03/323975-24 (ttz.gev.) en 03/138189-24 (ttz.gev.).

Proces-verbaal van de openbare zitting van 3 februari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2009,

wonende te [adres 6] .

Raadsvrouw is mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?