RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.365692.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 te [plaats en Land] ,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. van de Rakt, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] is niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er feitelijk weergegeven op neer dat de verdachte op 15 november 2024:
feit 1
met geweld en bedreiging daarmee een auto heeft gestolen;
feit 2
heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven (primair), dan wel heeft geprobeerd die [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen (subsidiair), dan wel die [slachtoffer 2] heeft bedreigd (meer subsidiair), door met een auto tegen de auto van die [slachtoffer 2] aan te rijden;
feit 3
de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, waardoor hij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt;
feit 4
heeft geprobeerd [slachtoffer 3] (politieagent) zwaar te mishandelen (primair), dan wel de auto waarin die [slachtoffer 3] reed heeft beschadigd (subsidiair), door met een auto tegen de auto van die [slachtoffer 3] aan te rijden;
feit 5
als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan de auto waarin [slachtoffer 3] reed schade was toegebracht;
feit 6
als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 primair ten laste gelegde vanwege het ontbreken van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Feiten 1, 2 meer subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 acht hij wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 primair ten laste gelegde, stellende dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel, althans dat de verdachte die kans niet bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van feiten 1, 2 meer subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Om dezelfde redenen als de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 primair ten laste gelegde, nu niet is vast komen te staan dat er onder de gegeven omstandigheden een kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel bestond die als aanmerkelijk kan worden beschouwd.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank de overige feiten wel wettig en overtuigend bewezen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis, welke aan het vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1
op 15 november 2024 te Weert een auto, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- tegen het portier aan de bestuurderszijde aan te gaan staan en een telefoon op die [slachtoffer 1] te richten alsof het een pistool was en
- meerdere keren met die telefoon hard tegen de ruit van de auto van die [slachtoffer 1] te slaan en
- op de motorkap van die auto te springen, en
- terug naar het portier aan de bestuurderszijde te lopen en op het raam te slaan en
- de deur aan de bestuurderszijde open te maken met de telefoon in de hand als ware het een pistool, terwijl hij die telefoon op die [slachtoffer 1] richtte en
- die [slachtoffer 1] vast te pakken en met kracht uit de auto te trekken;
feit 2 meer subsidiair
op 15 november 2024, op de A2 in de provincie Noord-Brabant, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem bestuurde personenauto, tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, meerdere malen tegen de achterzijde van de personenauto van die [slachtoffer 2] te botsen;
feit 3
op 15 november 2024 op de A2 en de A58, in de Provincie Noord-Brabant, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de A2 en de A58, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, meerdere malen tegen de achterzijde van de voor hem rijdende personenauto te rijden en
- ander verkeer gevaarlijk in te halen en
- honderden meters met hoge snelheid over een vluchtstrook te rijden waar dit niet is toegestaan en
- de krachtens de wet voorgeschreven maximale snelheid te overschrijden en
- tegen de naast hem rijdende politieauto aan te rijden en
- zonder snelheid te minderen met een snelheid van tussen de 100 en 130 km per uur op een zich vormende file af te rijden terwijl de matrixborden 50 dan wel 70 km per uur aangeven als aldaar geldende maximum snelheid,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
feit 4 subsidiair
op 15 november 2024 op de A58, in de provincie Noord-Brabant, opzettelijk en wederrechtelijk een dienstvoertuig van de politie eenheid Oost-Brabant, heeft beschadigd door met de door hem bestuurde auto tegen dat dienstvoertuig aan te rijden;
feit 5
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de A58 op 15 november 2024, in de provincie Noord-Brabant, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten de Politie eenheid Oost-Brabant, schade was toegebracht;
feit 6
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de A2 in de provincie Noord-Brabant, op 15 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) schade was toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
feit 2 meer subsidiair
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;
feit 3
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4 subsidiair
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 5
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 6
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Over de geestvermogens van de verdachte is door psychiater [naam] op 12 maart 2025 een rapport uitgebracht. Daarin is door de deskundige beschreven dat bij de verdachte sprake is van een bipolaire stoornis type 1, waardoor de verdachte soms in een manische paranoïde psychose verkeert. Daarvan was volgens de deskundige ook sprake ten tijde van het plegen van de feiten. Zijn gedragingen werden tijdens alle feiten hoogstwaarschijnlijk volledig gestuurd door zijn manische paranoïde psychose, waardoor hij zelf geen enkele keuzevrijheid had in zijn gedrag.
Met de psychiater, de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de feiten onder deze omstandigheden in beginsel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat ten tijde van de feiten bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat de feiten wederrechtelijk waren of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van de feiten.
Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de manische paranoïde psychose zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Met de psychiater, de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.
De stoornis is in 2002 gediagnosticeerd en de verdachte wordt daarvoor sindsdien behandeld met medicatie en psycho-educatie. In 2016 en 2022 werd hij verdacht van geweldsdelicten, die zouden zijn gepleegd tijdens manische episodes. In 2016 is de verdenking geseponeerd vanwege zijn gezondheidstoestand, in 2022 is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege zijn ontoerekeningsvatbaarheid.
De twee psychiaters die de verdachte in oktober 2022 hebben onderzocht in het kader van een zorgmachtiging noemen zijn ziekte-inzicht respectievelijk matig en gebrekkig, maar concluderen dat hij adequaat kan meedenken over zijn behandeling en wat er nodig is om stabiel te blijven.
De psychiater die de verdachte begin 2025 heeft onderzocht in het kader van de huidige strafzaak noemt zijn ziekte-inzicht beperkt, maar is van mening dat de verdachte gezien zijn intelligentieniveau wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het niet organiseren van voldoende intensieve behandeling in de maanden vóór de feiten. Zij schat zijn ziekte-inzicht namelijk wel als voldoende in, waardoor de verdachte – gegeven de gebeurtenissen tijdens zijn eerdere manische psychotische ontregelingen – verantwoordelijk kan worden gehouden om voldoende zorg te organiseren voor als opnieuw zijn stemming ontregelt en een manisch psychotische decompensatie dreigt.
Gezien die conclusies adviseert de psychiater om de strafbare feiten de verdachte in sterk verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank heeft verder de mate waarin de verdachte op deugdelijke wijze de benodigde zorg in de periode daarvoor regelde meegewogen, om te beoordelen of de verdachte op die wijze verantwoordelijk kan worden gehouden voor de feiten. De juridisch-normatieve kernvraag is wat het recht in dit geval van deze verdachte vergt en of hij dus verwijtbaar in een manische paranoïde psychose kwam te verkeren.
In maart 2023 is de zorgmachtiging beëindigd en in het voorjaar van 2023 was het laatste behandelcontact. In februari 2024 vond nog één gesprek plaats tussen de verdachte, een psychiater en een verpleegkundig specialist, nadat Mondriaan een brief had gestuurd dat zijn GGZ-dossier gesloten zou worden als hij uit contact zou blijven. De verdachte was toen in een stabiele stemming en heeft gezegd dat hij de behandelcontacten met Mondriaan zou voortzetten en dat de laboratoriumcontroles en de medicatieverstrekking verliepen via zijn huisarts. Na dit gesprek was de verdachte echter opnieuw volledig uit contact, hoewel Mondriaan diverse keren heeft geprobeerd contact te leggen. De verdachte zei dat hij zijn behandelaar diverse keren had gebeld, maar uit de belgegevens van Mondriaan bleek dat dit niet waar was. De verdachte zei dat hij zijn medicijnen kreeg via de huisarts, maar daar was hij in 2025 al vijf jaar niet geweest en uit contact met de apotheek bleek dat aan hem al langere tijd geen lithium was verstrekt.
De psychiater die de verdachte ruim tweeënhalf uur voor aanvang van de feiten heeft onderzocht in het kader van een eventuele crisismaatregel, schrijft dat de verdachte in de zomer van 2024 zijn stemmingsstabilisator lithium heeft gestopt.
De verklaring van de verdachte dat hij zijn behandeling in Turkije voortzette en dat hij zijn medicatie trouw innam acht de rechtbank gezien die eerdere onwaarheden, bij gebrek aan verdere concrete informatie waarmee dit kan worden geverifieerd, onvoldoende aannemelijk om er zonder meer van uit te gaan dat hij hierin daadwerkelijk zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.
Gezien de voorgeschiedenis en de verantwoordelijkheid die de verdachte had, maar niet is nagekomen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet volledig ontslagen kan worden van verantwoordelijkheid voor zijn daden. Op basis van bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat de verdachte de feiten, hetzij in sterk verminderde mate, kunnen worden toegerekend.
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.
6. De straf en de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat de maximale duur van een eventuele kortdurende klinische opname op 4 maanden dient te worden gesteld – waarbij rekening is gehouden met de mogelijkheden dat twee keer een opname van 8 tot 9 weken nodig zou kunnen zijn –, gezien de psychische problematiek die speelt bij de verdachte. Tevens heeft hij gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf dient te worden opgelegd met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest en met een zo groot mogelijk voorwaardelijk deel, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ter voorkoming van recidive acht zij gezien het actuele zeer lage recidiverisico niet proportioneel.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte zat in een manische paranoïde psychose en kwam naar het politiebureau omdat hij achtervolgd zou worden en vreesde voor zijn leven. Een psychiater had beslist dat hij als crisismaatregel gedwongen moest worden opgenomen, de kliniek daarvoor was gevonden en de ambulance was al onderweg. Toch kon de verdachte ongehinderd het politiebureau verlaten. De verdachte heeft toen met geweld een auto gestolen door een oudere vrouw uit haar voertuig te trekken, wat een grote impact op haar heeft gehad. Vervolgens is de verdachte met de gestolen auto op een dollemansrit gegaan, waarbij hij door de politie werd achtervolgd en op geen enkele manier te stoppen was. Tevens is hij tijdens deze rit tweemaal tegen andere auto’s aangereden. Dit gedrag heeft groot gevaar voor de overige verkeersdeelnemers veroorzaakt. Het betreffen dan ook ernstige strafbare feiten.
De rechtbank acht een gevangenisstraf gezien de ernst van de feiten passend. De verdachte heeft na zijn aanhouding 105 dagen in voorarrest doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 27 februari 2025 heeft de verdachte zich aan de opgelegde voorwaarden gehouden, en is er een gestructureerd behandelkader opgezet. Uit recentelijk ontvangen informatie van Fivoor blijkt verder dat het behandeltraject tot dusver goed verloopt en dat het recidiverisico zeer laag is. Gezien deze positieve ontwikkelingen, alsmede het gegeven dat de feiten de verdachte slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank het niet passend om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 3 maanden.
Naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een voorwaardelijke straf opleggen in de vorm van een gevangenisstraf van 9 maanden, waaraan de bijzondere voorwaarden zijn verbonden zoals gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de maximale duur van de kortdurende klinische opname zal beperken tot 14 weken, hetgeen tweemaal een opnamemogelijkheid voor de duur van 7 weken impliceert. Deze straf dient als een stevige stok achter de deur om te waarborgen dat de verdachte zich duurzaam zal conformeren aan de opgelegde voorwaarden. In verband met de complexiteit van de psychische problematiek van de verdachte wordt aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van drie jaren verbonden. Dit biedt de mogelijkheid om langer toezicht te houden op het verloop van de situatie van de verdachte.
Ten slotte zal de rechtbank geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De rechtbank acht deze maatregel in dit geval niet passend, omdat deze volgens de wetgeschiedenis bedoeld is voor situaties waarin ernstige gewelds- of zedendelinquenten na hun straf of terbeschikkingstelling zonder enig toezicht terugkeren in de samenleving, waarbij het recidiverisico een dergelijke maatregel rechtvaardigt. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 1.261,20, bestaande uit € 311,20 aan niet vergoede materiële schade en € 950,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de waarde van enkele goederen die in de auto lagen toen deze gestolen werd, na aftrek van het door de verzekering reeds vergoede bedrag.
De benadeelde heeft tevens verzocht om vermeerdering van de toe te wijzen bedragen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zoverre de vordering ziet op materiële schade, omdat onduidelijk is wat met de spullen waar dat bedrag betrekking op heeft is gebeurd. Hij heeft verder geconcludeerd tot toewijzing van de immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, en tevens gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering in zoverre die ziet op materiële schade, dan wel deze posten af te wijzen, omdat niet valt na te gaan wat met de betreffende spullen is gebeurd en de benadeelde partij de auto waarin de spullen ten tijde van de diefstal lagen, terug heeft gekregen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
De schadevergoeding die door de benadeelde partij ten aanzien van materiële schade wordt gevorderd, acht de rechtbank niet toewijsbaar, nu niet voldoende duidelijk kan worden vastgesteld wat met de goederen waarop dat bedrag ziet is gebeurd. Het staat slechts vast dat ze wel in de auto lagen toen die werd gestolen door de verdachte, maar niet meer toen die een week later werd teruggegeven aan de benadeelde partij. De auto is rond 13:45 uur gestolen en rond 14:30 uur in beslag genomen. In de tussentijd heeft een achtervolging plaatsgevonden, waarna de verdachte is aangehouden. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte deze goederen heeft meegenomen of zich daarvan gedurende de rit in de gestolen auto heeft ontdaan. Mogelijk zijn deze goederen kwijtgeraakt in de week dat de auto in beslag genomen was. Nu onvoldoende is onderbouwd dat deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend, zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immaterieel
De wet voorziet in artikel 6:106 BW in de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106, eerste lid, aanhef en sub b, BW komt de benadeelde partij voor vergoeding van ander nadeel onder andere in aanmerking in het geval dat lichamelijk letsel is ontstaan.
Op grond van de inhoud van het dossier en de bijlagen bij het voegingsformulier stelt de rechtbank vast dat bij de benadeelde partij sprake is van lichamelijk letsel, waardoor zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Bij de bepaling van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij bedragen die in vergelijkbare zaken met soortgelijke feiten en opgelopen letsels doorgaans worden toegekend. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de impact die het voorval op haar heeft gehad. Gelet daarop acht de rechtbank een bedrag van € 950,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2024 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank zal aan de verdachte ten aanzien van de toegewezen immateriële schade de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partij wordt gevrijwaard van inning van dit bedrag.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 primair ten laste gelegde;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
I. meldplicht
de veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 te Tilburg (088-804 15 05);
II. ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
de veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van in totaal maximaal 14 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van feit 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij een bedrag van € 950,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 311,20 niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van € 950,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste 9 dagen indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;
Voorlopige hechtenis
- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat
feit 1
hij op of omstreeks 15 november 2024 te Weert een auto, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- tegen het portier aan de bestuurderszijde aan te gaan staan en een telefoon op die [slachtoffer 1] te richten alsof het een pistool was en/of
- een of meerdere keren met die telefoon hard tegen de ruit van de auto die [slachtoffer 1] te slaan en/of
- op de motorkap van die auto te springen, en/of
- terug naar het portier aan de bestuurderszijde te lopen en op het raam te slaan en/of
- de deur aan de bestuurderszijde open te maken met de telefoon in de hand als ware het een pistool, terwijl hij die telefoon op die [slachtoffer 1] richtte en/of
- die [slachtoffer 1] vast te pakken en met kracht uit de auto te trekken;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 2 primair
hij op of omstreeks 15 november 2024 op de A2 ter hoogte van Maarheeze, althans in de Provincie Noord-Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, een dan wel meerdere malen tegen de achterzijde van de voor hem rijdende en door die [slachtoffer 2] bestuurde personenauto is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 2 subsidiair
hij op of omstreeks 15 november 2024 op de A2 ter hoogte van Maarheeze, althans in de Provincie Noord-Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, een dan wel meerdere malen tegen de achterzijde van de voor hem rijdende en door die [slachtoffer 2] bestuurde personenauto is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 2 meer subsidiair
hij op of omstreeks 15 november 2024, op de A2 ter hoogte van Maarheeze, althans in de Provincie Noord-Brabant, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, een dan wel meerdere malen tegen de achterzijde van de personenauto van die [slachtoffer 2] te botsen;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 3
hij op of omstreeks 15 november 2024 op de A2 en/of de A58, in de Provincie Noord-Brabant, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de A2 en/of de A58, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- tijdens druk verkeer, met hoge snelheid, rijdende op de autosnelweg A2, een dan wel meerdere malen tegen de achterzijde van de voor hem rijdende personenauto te rijden en/of
- ander verkeer gevaarlijk in te halen en/of
- honderden meters met hoge snelheid over een vluchtstrook te rijden waar dit niet is toegestaan en/of
- de krachtens de wet voorgeschreven maximale snelheid te overschrijden en/of
- een dan wel meerdere keren tegen de naast hem rijdende politieauto aan te rijden en/of
- zonder snelheid te minderen met een snelheid van tussen de 100 en 130 km per uur op een zich vormende file af te rijden terwijl de matrixborden 50 dan wel 70 km per uur aangeven als aldaar geldende maximum snelheid,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
feit 4 primair
hij op of omstreeks 15 november 2024 op de snelweg A2 en/of A58, in de provincie Noord-Brabant, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] (verbalisant van de Politie eenheid Oost-Brabant) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet (terwijl die [slachtoffer 3] zich bevond in zijn dienstvoertuig en/of zich bezig hield met de staande houding en/of aanhouding van verdachte) rijdende in een personenauto (merk Nissan Qashqai), in elk geval in een door hem, verdachte, bestuurde auto, met hoge snelheid en/of met verhoogde snelheid, met deze door hem verdachte bestuurde auto tegen het afremmende dienstvoertuig van voornoemde [slachtoffer 3] is (aan)gereden en/of gebotst en/of geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 4 subsidiair
hij op of omstreeks 15 november 2024 op de snelweg A2 en/of A58, in de provincie Noord-Brabant, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een dienstvoertuig van de politie eenheid Oost-Brabant, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Politie eenheid Osst-Brabant, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door met de door hem, verdachte, bestuurde auto tegen dat dienstvoertuig (aan) te rijden en/of te botsen en/of te rammen;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
feit 5
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de A2 en/of de A58 op of omstreeks 15 november 2024, in de provincie Noord-Brabant, althans in Nederland, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten de Politie eenheid Oost-Brabant, schade was toegebracht;
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)
feit 6
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de A2 ter hoogte van Leende, in de provincie Noord-Brabant, althans in Nederland op of omstreeks 15 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht.
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)
.