ECLI:NL:RBLIM:2026:11727

ECLI:NL:RBLIM:2026:11727

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 03.109832.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vrouw steekt echtgenoot tijdens psychotische ontregeling. Bewezenverklaring poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Geen volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 260 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Opheffing voorlopige hechtenis. Ambtshalve oplegging gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex 38z Sr.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.109832.26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1961,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, loc. Ter Peel, HvB te Evertsoord.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Als slachtoffer is ter terechtzitting aanwezig [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), bijgestaan door mr. K. Valkeneers.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 13 april 2026 te Maastricht:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel haar echtgenoot zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

feit 2: haar echtgenoot zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag (feit 1) en de primair ten laste gelegde zware mishandeling (feit 2). De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de verklaring van het slachtoffer, de medische verklaring en de foto’s van het letsel. De officier van justitie concludeert ten aanzien van feit 1 op basis van de harde klappen, het grote mes en de klaplong dat er zodanig hard is gestoken in een vitaal lichaamsdeel, dat de aanmerkelijke kans op de dood aanwezig is geweest. De officier van justitie vindt hiervoor ook bevestiging in de verklaring van de verdachte bij de politie dat ze hem het liefst kapot had willen steken. Ten aanzien van feit 2 concludeert de officier van justitie dat er sprake is van zware mishandeling, gelet op het medisch ingrijpen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair, omdat de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood niet bewezen kan worden. Er is geen sprake geweest van potentieel levensbedreigend letsel. Voor het subsidiaire onder feit 1, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dient in de ogen van de verdediging eveneens vrijspraak te volgen. Het geconstateerde letsel is niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Mocht de rechtbank de verdediging in die verweren niet volgen, dan dient in ieder geval te worden vastgesteld dat er geen sprake is geweest van vol opzet, maar hoogstens van voorwaardelijk opzet. De verdediging verzoekt tevens om de verdachte ten aanzien van feit 2 primair vrij te spreken. De verwondingen die zijn veroorzaakt met de glasscherf zijn niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de tenlastegelegde poging onder feit 2 subsidiair.

Het oordeel van de rechtbank

Het proces-verbaal van bevindingen vermeldt (zakelijk weergegeven):

Op 13 april 2025 (de rechtbank begrijpt: 2026) kwamen wij ter plaatse op de Meerssenerweg. Ter hoogte van de kruising Meerssenerweg - Kasteel Liebeekstraat zagen wij een man in het bushokje zitten. Dit betrof het later te noemen slachtoffer: [slachtoffer] GEBOREN [geboortedatum] 1960.

Wij zagen dat er bloed op het gezicht en armen van [slachtoffer] zat. Wij zagen tevens dat het T-shirt en hemd van [slachtoffer] volledig onder het bloed zat. Wij hoorden dat [slachtoffer] aangaf dat hij door zijn vrouw was gestoken met een mes. [slachtoffer] zou tevens met glas in het gezicht gestoken zijn en gebeten zijn.

Ik, [naam verbalisant] , knipte het T-shirt van [slachtoffer] open om de verdere verwondingen te zien. Wij, verbalisanten, zagen dat op de rug van [slachtoffer] diverse wonden zaten. Ik depte het bloed weg rondom de buik en de borststreek. Hier zag ik nog meer snedes waar bloed uit kwam.

Het proces-verbaal van bevindingen vermeldt (zakelijk weergegeven):

Op 13 april 2026 kregen wij de opdracht van de dienstdoende centralist van het operationeel centrum om met spoed te gaan naar de [adres] . Ter plaatse betraden wij het flatgebouw gelegen aan de Kasteel Terwormstraat en begaven wij ons naar de eerste verdieping. Wij liepen de galerij op in de richting van de woning [adres] . Wij, verbalisanten, zagen dat de voordeur van de woning open ging. Wij zagen dat een vrouw, later te noemen [verdachte] , uit de woning kwam en dat [verdachte] verschillende rode vlekken, lijkende op bloedvlekken, op haar kleding had zitten.

Wij, verbalisanten, betraden de woning. Wij zagen dat op verschillende plekken in de woning rode vlekken, lijkende op bloedvlekken, op de vloeren en muren zaten. Wij zagen dat in de keuken op het keukenblad een keukenmes en verschillende glasscherven lagen. Wij zagen dat op het handvat van het mes rode vlekken, lijkende op bloedvlekken, zaten. Wij zagen dat op verschillende glasscherven rode vlekken, lijkende op bloed, zaten.

[slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

[verdachte] en ik zijn al 28 jaar getrouwd. Vanochtend, 13 april 2026, werd ik wakker. Naast mij ligt altijd een bak snoep. [verdachte] zei dat zij even naar de wc moest. Ze ging naar de wc en kwam kort daarna terug. Ze ging wéér naar de wc. Toen zij weer terug kwam vroeg ze aan mij wat ik deed. Ik pakte net op dat moment een snoepje en zei dat tegen haar. Ik lag met mijn rug naar haar toe gekeerd. Ik lag op de linkerzijde van het bed. Ik voelde ineens hele harde klappen tegen mijn rug aan. [verdachte] begon mij te slaan. Ik draaide mij om en zag dat zij er ineens met een mes stond. Ik herkende het mes meteen. Deze gebruik ik namelijk om vlees mee te snijden. Ik had pas door dat ik misschien gestoken was, toen ik het mes zag. Ik stond op en probeerde haar hand vast te pakken en het mes weg te houden. Ik rende naar de slaapkamerdeur en deed deze heel hard achter mij dicht. [verdachte] kwam mij achterna de keuken in. Zij probeerde mij te steken met het mes. Ik probeerde het mes te weren met mijn handen.

Op het aanrecht lagen glazen. Er vielen wat glazen op de grond stuk en zij pakte een scherf op met haar linkerhand. Ik voelde toen ineens wat in mijn gezicht. Ik ben daarna nog flink gebeten in mijn linker onderarm, daar heb ik nu een bijtwond.

Ik vluchtte de flat uit en rende in de richting van de Meerssenerweg. Ik ben toen opgevangen door enkele omstanders in een bushokje ter hoogte van huisnummer 238.

In de forensisch medisch letselrapportage staat – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:

Betrokkene: [slachtoffer]

Datum onderzoek: 14 april 2026

[slachtoffer] is een 65-jarige man die betrokken was bij een incident op 13-04-2026 waarbij hij een klaplong rechts, meerdere snijwonden, schaafwonden, krassen, een scheurwond van het hoofd en een bijtwond van de linker onderarm opliep.

Hij had snijwonden aan zijn gelaat, wijsvinger, rechterschouder, rechter schouderblad en de linkerflank van zijn buik. De wonden aan onder meer de rechterschouder, het rechterschouderblad en de linkerflank van zijn buik waren voorzien van hechtdraden ten tijde van het onderzoek. Aan de buitenzijde van het lichaam kan na behandeling geen of lastig een onderscheid gemaakt worden tussen een snij- of steekwond. De klaplong is (waarschijnlijk) ontstaan door een steekwond aan de rugzijde onder de rechterschouder.

De verwachte genezingsduur van de letsels bedraagt ongeveer 5 tot 6 weken.

Er zijn geen blijvende beperkingen te verwachten.

Het proces-verbaal van bevindingen bodycambeelden vermeld (zakelijk weergegeven):

Op maandag 13 april 2026, omstreeks 08.00 uur, vond er een incident plaats op de [adres] in Maastricht. Hier werd verdachte [verdachte] aangehouden en overgebracht naar het cellencomplex gelegen aan de Prins Bisschopsingel 53 te Maastricht.

Na de voorgeleiding bleef de verdachte tegen de collega’s van de politie praten en maakte zij enkele opmerkingen. Een collega die hierbij aanwezig was had de bodycam aanstaan.

Het fragment van de bodycam begint op 2026-04-13, om 09:44:00 uur, met opnemen.

De verdachte vertelde het volgende:

“Ik had hem het liefste, en geloof dat nu maar, kapot willen steken!”.

Bewijsoverweging feit 1

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte op 13 april 2026 te Maastricht het slachtoffer met een (vlees)mes meerdere malen in de rug en in de buik heeft gestoken, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.

Poging tot doodslag

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer] , omdat zij kort na het incident bij de politie heeft verklaard dat ze hem kapot had willen steken. Ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte – het meermalen met een vleesmes in de rug en de buik van het slachtoffer steken hetgeen ook een klaplong heeft veroorzaakt – laat geen andere conclusie toe dan dat zij op dat moment willens en wetens heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer] . Dit brengt mee dat de rechtbank de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen acht.

Bewijsoverweging feit 2

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte op 13 april 2026 te Maastricht haar echtgenoot meermalen met een glasscherf in het gezicht en hand heeft gestoken, met een vleesmes in de vinger/hand heeft gestoken en in de arm heeft gebeten.

De rechtbank dient wederom de vraag te beantwoorden hoe dit handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.

Zware mishandeling

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig aan te duiden. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het toegebrachte letsel, te weten de snijwonden, schaafwonden, krassen, een scheurwond van het hoofd en een bijtwond van de linker onderarm, zwaar lichamelijk letsel oplevert. Uit de beschikbare medische informatie in het dossier volgt dat medisch (operatief) ingrijpen niet noodzakelijk was. Een aantal snijwonden zijn gehecht en de genezingsduur werd ingeschat op 5 tot 6 weken. Uit de medische informatie blijkt ook niet dat er sprake was van een situatie waarin uitzicht op herstel ontbreekt of er onzekerheid is over de mate van herstel. De rechtbank kan ook niet beoordelen in hoeverre de littekens nadien ontsierend zijn gebleven, nu informatie daarover in het dossier ontbreekt. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de onder feit 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling niet bewezen acht. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Poging tot zware mishandeling

Uit de bewijsmiddelen vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1 primair:

op 13 april 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met een (vlees)mes meerdere malen in de rug en de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:

op 13 april 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een glasscherf meerdere malen in het gezicht en/of hand heeft gestoken en/of gesneden en

- met een (vlees)mes in de vinger/hand heeft gestoken en

- in de arm heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

poging tot doodslag

feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De klinisch neuropsycholoog N. Kuin heeft over de geestesvermogens van de verdachte op 27 juli 2026 een pro justitia rapport uitgebracht. Uit dit rapport volgt dat de verdachte lijdt aan een ongespecificeerde psychotische stoornis. De verdachte was het contact met de realiteit verloren en werd beheerst door haar paranoïde overtuigingen dat er een complot werd gesmeed haar te ontvoeren en dat haar partner een affaire had en haar zou verlaten. De verdachte was zeer angstig, hyperalert, en at en sliep nog nauwelijks. Daarnaast had zij hallucinaties, zij rook vreemde geuren die niemand anders rook, en was er sprake van verwardheid in het denken. Daarnaast lijdt de verdachte aan een beperkte neurocognitieve stoornis, waarbij er mogelijk sprake is van dementie. Er is met name sprake van verstoorde executieve functies. Dit wil zeggen dat de verdachte moeite heeft met het overzien en oplossen van ingewikkelde situaties. Daarbij is er sprake van een mild probleem in het geheugen.

Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en hebben de gedragskeuzes van de verdachte op dat moment beïnvloed. Met name de psychotische stoornis had hierop een grote invloed. De verdachte verkeerde op het moment van het ten laste gelegde in een heftige emotionele opwindingstoestand. De verdachte kan zich het ten laste gelegde echter grotendeels niet herinneren, waardoor geen zicht is gekomen op haar precieze gedachten en overwegingen, waarom het op dat moment en op deze manier escaleerde en in hoeverre zij nog beschikking had over enige gedragsalternatieven. Wel staat vast dat er sprake was van een dusdanig invaliderende en alles overheersende ontregeling dat zij op dat moment in elk geval niet in staat was tot rationeel overwogen handelen. De deskundige adviseert de rechtbank om de ten laste gelegde feiten in sterk verminderde mate toe te rekenen. De deskundige sluit niet uit dat zij tot een advies van geheel niet toerekenen was gekomen, als zij meer zicht had kunnen verkrijgen in de precieze gedachten, gevoelens en intenties van betrokkene op de ochtend van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend conform voornoemd advies van de deskundige Kuin.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend omdat zij volledig onder invloed van de aanwezige stoornissen heeft gehandeld en haar daardoor geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

De vraag in hoeverre een strafbaar feit aan een verdachte kan worden toegerekend betreft een juridische beoordeling die de rechtbank doorgaans maakt, voorzien van het advies van een of meer deskundigen. Dat is ook hier het geval.

De rechtbank stelt met de deskundige vast dat voornoemd inzicht bij verdachte ontbreekt, nu zij zich hierover niks meer kan herinneren en ook niet meer weet wat de trigger is geweest om op die bewuste ochtend te handelen zoals zij heeft gedaan. Direct na haar aanhouding diezelfde ochtend heeft verdachte tegen agenten onder meer verklaard dat zij dit heeft gedaan omdat ze hulp heeft willen vragen en zo eindelijk rust krijgt en gehoord wordt.

Om tot het oordeel van volledige ontoerekeningsvatbaarheid te komen dient de rechtbank onder meer vast te stellen dat de verdachte, als zij ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten al in staat was om de wederrechtelijkheid van haar gedragingen te begrijpen, niet in staat was om op dat moment overeenkomstig dat begrip te handelen.

Gezien voornoemde verklaring van de verdachte direct na het feit waarin de rechtbank een schreeuw om hulp ziet nadat zij zich niet gehoord voelde in samenhang met het ontbreken van enige herinnering voorafgaand of ten tijde van het feit is het de rechtbank onduidelijk gebleven of het handelen van de verdachte ten tijde van het feit volledig was ingegeven door haar psychotische ontregeling en zij daardoor niet meer in staat was om anders te handelen dan zoals zij heeft gedaan. De rechtbank kan daarom niet concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Dit maakt dat de rechtbank het advies van de deskundige overneemt en tot de hare maakt. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat het bewezenverklaarde in (sterk) verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 260 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 11 september 2026 en met hetgeen ter terechtzitting aanvullend is geadviseerd te weten: een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname uitgevoerd door het forensisch FACT-team, begeleiding in de vorm van Volledig Pakket Thuis (VPT), een alcoholverbod, een medicatieverplichting en meewerken aan een dementieonderzoek. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden gerefereerd. Tot slot heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door haar echtgenoot

meermaals met een vleesmes in zijn rug en in zijn buik te steken. Het ging niet zo goed met de verdachte en ze wilde hem doodsteken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van haar echtgenoot door met een vleesmes in zijn vinger/hand te steken, met glasscherven in zijn gezicht te steken/snijden en in zijn onderarm te bijten. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer een klaplong, meerdere snij- dan wel steekwonden, schaafwonden, krassen, een hoofdwond en een bijtwond aan zijn onderarm opgelopen.

Gelet op de ernst van het feit is alleen een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de duur hiervan zal de rechtbank er rekening mee houden dat de feiten de verdachte, zoals hiervoor onder 5 reeds is overwogen, slechts in (sterk) verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Uit het strafblad van de verdachte van 21 september 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.

Uit de pro justitia rapportage blijkt dat het recidiverisico laag wordt geschat, maar dat er wel factoren zijn die het risico op psychiatrische ontregeling, en daarmee het recidive in geweld, kunnen vergroten. Het is van belang dat de verdachte haar medicatie blijft innemen. Daarnaast zouden spanningen in de relatie tussen de verdachte en haar echtgenoot en de woonomgeving rondom hun huidige woning ervoor kunnen zorgen dat zij destabiliseert. De psycholoog adviseert daarom ambulante zorg door een multidisciplinair team dat gespecialiseerd is in psychiatrische ontregeling en neurocognitieve problematiek op latere leeftijd, zoals zij ook ter zitting heeft toegelicht. Ook adviseert de psycholoog psycho-educatie en begeleiding van de partnerrelatie. Desgewenst zou de verdachte aanvullende neurologische diagnostiek kunnen laten verrichten, omdat in de klinische praktijk vaker wordt gezien dat een psychotische ontregeling op latere leeftijd een voorbode is van een onderliggend neurodegeneratief proces, oftewel een zich ontwikkelende dementie.

De reclassering heeft in haar advies van 11 september 2026 eveneens een aantal punten van zorg geformuleerd, namelijk: de terugkeer van de verdachte in de echtelijke woning, de terugkeer in de echtelijke relatie waarbinnen stevige spanningen bestonden en tot slot het beperkte inzicht van de verdachte in haar ziektebeeld. Ook is van belang dat er zicht blijft op de medicatie-inname van de verdachte. De reclassering stelt zich daarom op het standpunt dat de begeleiding direct aansluitend aan de detentie van de verdachte moet worden opgestart. Gelet op de complexe problematiek van de verdachte blijkt het echter niet makkelijk om verdachte in een passende behandelsetting te krijgen. De reclassering formuleert in haar advies van 11 september 2026 de volgende voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, een alcoholverbod en een medicatieverplichting. De reclassering heeft op 14 oktober 2026 aanvullend advies uitgebracht. De reclassering acht het wenselijk dat een terugkeer naar de echtelijke woning geleidelijk verloopt. Een verblijf elders kent echter haken en ogen gezien de verwevenheid van de verdachte en haar echtgenoot.

Ter terechtzitting op 15 oktober 2026 heeft de deskundige van de reclassering naar voren gebracht dat zij tevens adviseert om begeleiding in de vorm van Volledig Pakket Thuis (VPT) als bijzondere voorwaarde op te leggen. Daarnaast zou een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel overwogen kunnen worden. De psycholoog heeft ter terechtzitting geadviseerd om naast de VPT een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname op te leggen, uitgevoerd door het forensisch FACT-team, waarbij iemand wordt betrokken met kennis van ouderenproblematiek.

Het is heel erg wat er gebeurd is. Daar is de verdachte verantwoordelijk voor. Aan de andere kant ziet de rechtbank, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, dat het toen helemaal niet zo goed ging met de verdachte en het haar maar een heel klein beetje aangerekend kan worden.

Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 260 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gezien de noodzaak van passende begeleiding en behandeling zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel alle bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de reclassering in het advies van 11 september 2026 en ter terechtzitting door de reclassering en psycholoog zijn geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname uitgevoerd door het forensisch FACT-team, begeleiding in de vorm van Volledig Pakket Thuis (VPT), een alcoholverbod, een medicatieverplichting en meewerken aan een dementieonderzoek.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, indien zij niet

direct wordt behandeld en begeleid de kans op een nieuwe psychotische ontregeling met soortgelijk delictgedrag aanwezig is.

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Gelet op de rapportages van de psycholoog en de reclassering en de complexiteit van de problematiek is de rechtbank van oordeel dat de kans aanwezig is dat het voorwaardelijk deel en de daaraan verbonden proeftijd niet afdoende zijn om de veiligheid van het slachtoffer en de veiligheid van anderen te waarborgen. De rechtbank heeft daarbij ook oog voor de grote gevolgen voor de veiligheid van [slachtoffer] en anderen die het kan hebben als het onverhoopt mis gaat met de behandeling van de complexe stoornissen van de verdachte. De rechtbank zal daarom ambtshalve een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opleggen. Deze maatregel kan worden opgelegd, nu de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling. De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel maakt het mogelijk dat als het toch onverhoopt mis blijft gaan met het toestandsbeeld van de verdachte zij langer kan worden ondersteund, begeleid en gemonitord als de officier van justitie dat vordert en de rechtbank dat op dat moment nodig acht.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal gezien de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die wordt opgelegd aan de verdachte en de tijd die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7. Het beslag

De rechtbank oordeelt dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van het onder de verdachte inbeslaggenomen mes en glas en zal deze voorwerpen daarom verbeurdverklaren.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 38z, 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

Straf

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

a. meldplicht

de veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

de veroordeelde laat zich behandelen door het forensisch FACT-team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.

Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

begeleiding VPT

de veroordeelde laat zich begeleiden door medewerkers van Volledig Pakket Thuis/ VPT (uitgevoerd door FPC de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering), zolang de reclassering die begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding;

alcoholverbod

de veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

meewerken aan een dementieonderzoek

de veroordeelde werkt mee aan nader diagnostisch onderzoek naar mogelijke dementie;

medicatieverplichting

de veroordeelde neemt de voorgeschreven medicatie die een psychose moet doen voorkomen in;

- beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Voorlopige hechtenis:

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. B. de Groot en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 oktober 2026.

Buiten staat

Mr. A.K. Kleine is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1 primair:

zij op of omstreeks 13 april 2026 te Maastricht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven,

met een (vlees)mes meerdere malen in de rug en/of de buik, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

zij op of omstreeks 13 april 2026 te Maastricht

aan haar echtgenoot en/of levensgezel, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

met een (vlees)mes meerdere malen in de rug en/of buik, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] te steken;

T.a.v. feit 2 primair:

zij op of omstreeks 13 april 2026 te Maastricht

aan haar echtgenoot en/of levensgezel [slachtoffer] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

met een glasscherf meerdere malen in het gezicht en/of de vinger en/of arm van die [slachtoffer] te steken en/of snijden;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

zij op of omstreeks 13 april 2026 te Maastricht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

haar echtgenoot en/of levensgezel, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een glasscherf meerdere malen in het gezicht en/of hand heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met een (vlees)mes in de vinger/hand heeft gestoken en/of

- in de arm heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand