ECLI:NL:RBLIM:2026:1184

ECLI:NL:RBLIM:2026:1184

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 03.087505.23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vrijspraak. Hoewel de poging tot brandstichting past binnen de bredere context van het dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen bevat om tot een veroordeling te komen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.087505.23

Parketnummer : 01.062964.22 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

wonende te [adres 1] .

De verdachte (hierna ook: [verdachte] ) wordt bijgestaan door mr. S.J.F. van Merm, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 en 18 december 2025. Op 28 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen bij de inhoudelijke behandeling. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] en hun raadsman mr. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond, zijn op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen:

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

op 4 maart 2023 te Leudal geprobeerd heeft samen met een ander of anderen brand te stichten aan een personenauto, waardoor gemeen gevaar voor goederen zou ontstaan.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geprobeerd heeft de personenauto van [naam 1] in brand te steken. Uit het procesdossier volgt dat de verdachte vanaf Best naar Limburg is gereden en rondom het tijdstip van de poging tot brandstichting de mast aanstraalde die valt onder de locatie van de plaats delict. Daarna is hij teruggereden naar Best. Rondom het tijdstip van het plegen is contact gelegd met [medeverdachte 3] . Verder is een auto gebruikt die van [medeverdachte 1] is en heeft [medeverdachte 3] achteraf gezocht naar 112 meldingen. De volgende ochtend is door [medeverdachte 1] contact gezocht met de vermoedelijke opdrachtgever [naam 3] en zijn video’s verstuurd tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die betrekking hebben op de plaats delict. De alternatieve verklaring van de verdachte dat hij die nacht aan het vissen was in Limburg is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, zoals opgenomen in de ter zitting overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen, integrale vrijspraak bepleit. Concluderend is aangevoerd dat - op basis van het dossier - niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest, als pleger of medepleger, bij het tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Op 4 maart 2023 is op de oprit van [adres 2] , gemeente Leudal, geprobeerd om een auto in brand te steken.

Hoewel de poging tot brandstichting aan een auto die blijkens de aangifte op 4 maart 2023 rond 03:33 uur plaatsvond op het adres [adres 2] past binnen de bredere context van dit dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen bevat om tot een veroordeling van de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voor deze poging tot brandstichting te komen.

Daarbij stelt de rechtbank ten eerste vast er dat geen gegevens zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 4 maart 2023 masten in de directe omgeving van de plaats delict hebben aangestraald; ten tweede bieden de telecomgegevens van de bewuste nacht of de voorafgaande dag geen aanknopingspunten die duiden op de voorbereiding van een brandstichting. Het feit dat er na het incident een video van de woning [adres 2] tussen de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is verzonden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrokkenheid bij het delict zelf aan te tonen.

De rechtbank merkt op dat de bewegingen van [verdachte] — die tussen 2.11 uur en 3.16 uur van Best naar Limburg reed, en wiens telefoon rondom het tijdstip van de poging tot brandstichting een zendmast in de omgeving van de plaats delict aanstraalde en die telefonisch contact zocht met zijn zoon (medeverdachte) [medeverdachte 3] — weliswaar uiterst opmerkelijk zijn, maar onvoldoende basis bieden om het daderschap van de verdachte, [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] voor dit feit onomstotelijk vast te stellen.

Tot slot is de signalering van een voertuig (mogelijk een Ford Focus) dat vijftien minuten voorafgaand aan de poging langs de plaats delict reed, onvoldoende. Hoewel dit voertuig gelijkenissen vertoont met de auto die drie dagen later op het woonwagenkamp van [medeverdachte 3] werd aangetroffen, ontbreken in het dossier specifieke identificerende gegevens om te kunnen vaststellen dat het om exact hetzelfde voertuig gaat. Ook dit biedt aldus onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank zal de verdachte dan ook in zijn geheel vrijspreken van de aan hem tenlastegelegde poging tot brandstichting.

4. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] vorderen schadevergoeding tot een bedrag van 9.565,00 euro.

Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelden niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

5. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 17 juni 2022 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

- verklaart de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding;

- bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 februari 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een (personen)auto Jaguar, S-type, met dat opzet met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen

- een fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, over voornoemde personenauto heeft gegoten en/of

- een/deze fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, naast het achterwiel van voornoemde (personen)auto heeft geplaatst en/of

- een of meerdere lucifers heeft aangestoken en/of - (herhaaldelijk) een of meerdere lucifers in de richting van de fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft gegooid/geworpen, in elk geval met dat opzet heeft getracht om open vuur in aanraking te brengen met een benzine, althans een brandbare vloeistof,

en daarvan gemeen gevaar voor in die (personen)auto gelegen goederen en/of nabijgelegen woning(en , in elk geval gemeen gevaar voor goederen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?