RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/348785 / HA RK 26-7
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. M. van der Salm, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1. De procedure
Op 19 januari 2026 is ter griffie van de wrakingskamer een bericht ontvangen van verzoeker inhoudende een verzoek tot wraking in de zaak met nummer C/03/345897/ JE RK 25-1678 over een ondertoezichtstelling van verzoekers dochter.
De rechter heeft de wrakingskamer op 19 januari 2026 bericht dat er op 14 januari 2026 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en dat er aansluitend mondeling uitspraak is gedaan.
2. De beoordeling
Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter op de zitting van 14 januari 2026 mondeling uitspraak in de zaak heeft gedaan en dat het verzoek tot wraking op 19 januari 2026 is ingediend. Wraking is echter niet meer mogelijk nadat een zaak is geëindigd. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek om die reden niet ontvankelijk is. Dat verzoeker stelt dat zijn grondslag voor het verzoek pas na de zitting van 14 januari 2026 bekend is geworden, doet hier niets aan af.
Mede gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg zal de wrakingskamer zonder behandeling ter zitting beslissen.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.M. Beije, mr. R.H.J. Otto en mr. H.M.J. Quaedvlieg, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.