RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummer: C/03/347838 / BZ RK 25/2499
Beslissing over een verzoek tot schadevergoeding
op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang
Beschikking van 13 januari 2026 van de rechtbank Limburg op het ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
wonend en verblijvend bij Stichting Cicero Zorggroep, [locatie zorggroep 1] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. K.D. Regter, kantoorhoudend in Heerlen,
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door
Stichting Cicero Zorggroep,
gevestigd te Brunssum
hierna te noemen: verweerster,
advocaat: mr. R.A.G. Smeets, kantoorhoudend in Maastricht,
1. Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op
10 december 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 december 2025. Daarbij zijn gehoord:
verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam zorgmanager] , zorgmanager bij verweerster, locatie [locatie zorggroep 1] ;
[naam] namens de Raad van Bestuur van verweerster;
[naam specialist 1] , specialist ouderengeneeskunde,
de advocaat van verweerster.
Bij de zitting was ook aanwezig C. Weijermans, zorgmanager in opleiding.
2. De feiten
Verzoeker is op 26 juni 2025 met een spoedopname opgenomen bij verweerster, locatie [locatie zorggroep 2] in [woonplaats] .
Door het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna te noemen: CIZ) is op 25 juli 2025 voor verzoeker een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wet zorg en dwang (hierna te noemen: Wzd), genomen.
Verzoeker is op 2 september 2025 overgeplaatst naar de locatie [locatie zorggroep 1] van verweerster in [woonplaats] .
Op 10 november 2025 heeft verweerster een aanvraag voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie op grond van artikel 24 Wzd (hierna te noemen: rechterlijke machtiging) ingediend bij het CIZ.
Op 14 november 2025 heeft het CIZ een verzoekschrift voor een rechterlijke machtiging ingediend bij de rechtbank Limburg.
Op 28 november 2025 heeft de rechtbank voor verzoeker een rechterlijke machtiging verleend tot en met 28 mei 2026.
3. Het verzoek
Verzoeker verzoekt om een bedrag van € 7.300,- ter zake immateriële schade vast te stellen en verweerster te veroordelen tot betaling van dit bedrag ter zake van immateriële schadevergoeding, met veroordeling van verweerster in de kosten van deze procedure.
Namens verzoeker wordt gesteld dat uit de medische verklaring van de onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde [naam specialist 2] van 7 november 2025 volgt, dat verzoeker vanaf circa veertien dagen na zijn opname in de [locatie zorggroep 1] structureel verzet heeft getoond tegen zijn verblijf aldaar. Verzoeker gaf herhaaldelijk aan niet in de [locatie zorggroep 1] te willen verblijven, terug naar huis te willen en heeft het zorgcentrum ook daadwerkelijk verlaten. Hiermee was naar het oordeel van verzoeker vanaf dat moment geen sprake meer van vrijwillige zorg. Volgens verzoeker had de zorgaanbieder moeten erkennen dat een vrijwillig verblijf op grond van artikel 21 Wzd niet langer mogelijk was en onverwijld een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging moeten initiëren. De zorgaanbieder heeft dit nagelaten.
Pas op 10 november 2025 is door de zorgaanbieder een aanvraag ingediend bij het CIZ, waarna het CIZ op 14 november 2025 een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank Limburg heeft op 28 november 2025 een rechterlijke machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Vanaf die datum was het verblijf van verzoeker gelegitimeerd.
Verzoeker stelt dat in de periode van 16 september 2025 tot en met 28 november 2025 sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu hij tegen zijn wil in de instelling verbleef zonder geldige titel. Deze onrechtmatige situatie heeft volgens verzoeker 73 dagen geduurd. Verzoeker voert aan dat hij hierdoor ernstig immaterieel nadeel heeft geleden, bestaande uit langdurige onzekerheid, stress, spanning en frustratie. Zijn vragen
– evenals die van zijn advocaat – bleven onbeantwoord, waardoor hij niet begreep waarom hij de instelling niet mocht verlaten of werd teruggebracht terwijl hij daar niet wilde zijn en verweerster niet bevoegd was hem binnen te houden.
Ter onderbouwing van de hoogte van de schade verwijst verzoeker naar de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken, waarin een vergoeding van € 100,- per dag passend wordt geacht bij onrechtmatige vrijheidsbeneming. Op basis hiervan verzoekt hij vaststelling van een schadevergoeding van € 7.300 (73 dagen x € 100). Daarbij wijst verzoeker op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het verlies van regie over zijn leven. Hij voelt zich aan zijn lot overgelaten door zijn kinderen die zonder zijn instemming de huur van zijn huis hebben opgezegd en zijn inboedel deels hebben opgeslagen en deels vernietigd. Verzoeker ervaart dat hij door anderen over belangrijke beslissingen over zijn leven wordt buitengesloten. Dit heeft zijn stress en gevoel van machteloosheid vergroot.
De advocaat van verzoeker heeft tijdens de zitting aanvullend gesteld dat de bejegening door de locatiemanager van Cicero, locatie [locatie zorggroep 1] , bits en bozig was toen hij voor zijn kwetsbare cliënt informeerde naar de titel op grond waarvan verzoeker op de [locatie zorggroep 1] verbleef. Zowel de zorgaanbieder als de familie van verzoeker hebben geweigerd om informatie te verstrekken. Pas toen de advocaat betrokken is geraakt, op
28 oktober 2025, is het balletje gaan rollen en is de procedure voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging in gang gezet. Verzoeker is ontredderd over de gang van zaken. Hij heeft het gevoel dat alles wat hij had hem ontnomen is. Zijn huis is leeggehaald, waardoor een terugkeer naar huis onmogelijk is gemaakt. Verzoeker slaapt slecht en voelt zich niet thuis in de accommodatie. Bovendien heeft verzoeker er veel moeite mee dat constant óver hem en niet mét hem wordt gesproken over belangrijke beslissingen. Ondanks zijn frustraties en zijn wens om weg te willen uit de accommodatie, stelt verzoeker zich conflict vermijdend op en maakt daarom niet meteen duidelijk wat hij zelf wil. Innerlijk is hij echter een boos mens dat zich probeert in te houden. Verzoeker ondervindt veel steun van vriendinnen die hem met regelmaat bezoeken in de accommodatie en hem in contact hebben gebracht met zijn advocaat.
4. Het verweer
Verweerster betwist het gestelde in het verzoekschrift en voert daartoe het volgende aan.
Verzoeker is op 26 juni 2025 wegens een spoedopname opgenomen op locatie
[locatie zorggroep 2] van verweerster, op basis van het indicatiebesluit op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), afgegeven door het CIZ op 28 december 2023. Verweerster stelt dat bij verzoeker sprake was van een onhoudbare thuissituatie door meerdere valincidenten en het afhouden van zorg. Bij verzoeker is sprake van fronto-temporale dementie, gekenmerkt door veranderingen in emoties, gedrag, persoonlijkheid en in het beoordelen van situaties. Verzoeker heeft geen ziekte-inzicht.
Het CIZ heeft op 25 juli 2025 op aanvraag van verweerster een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd afgegeven voor verzoeker, omdat zijn gedrag als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening leidde tot ernstig nadeel of een aanzienlijk risico daarop en een verblijf in een Wzd-geregistreerde accommodatie noodzakelijk en geschikt was om dit ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden en minder ingrijpende mogelijkheden niet aan de orde waren. Verzoeker gaf geen blijk van bereidheid tot de opname en verblijf, maar verzette zich er ook niet tegen.
Op 2 september 2025 is verzoeker overgeplaatst en op dezelfde grond (art. 21 Wzd) opgenomen op locatie [locatie zorggroep 1] omdat dit zijn voorkeurslocatie was en hier eerder geen plaats was.
Verweerster heeft aangevoerd dat verzoeker in die periode geen tekenen van verzet in de zin van de Wzd heeft vertoond. Integendeel, hij was coöperatief en vriendelijk in de omgang.
Verzoeker vertoonde geen gedragingen waaruit kon worden opgemaakt dat hij het niet eens was met de opname en het verblijf en weg wilde uit de accommodatie.
Verweerster stelt zich op het standpunt dat eerst eind oktober 2025 tekenen van verzet in de zin van de Wzd zijn ontstaan bij verzoeker. Vriendinnen van verzoeker hebben hem tijdens bezoekjes laten weten dat zij vonden dat hij niet thuishoorde in de accommodatie, maar dat hij naar zijn eigen huis terug zou moeten gaan. Vervolgens is verzoeker door deze vriendinnen in contact gebracht met zijn advocaat en is de advocaat ook meermaals op de [locatie zorggroep 1] geweest. Vanaf die tijd verkondigde verzoeker bij herhaling dat hij naar huis wilde. Verweerster heeft dat gezien als een eerste teken van (mogelijk) verzet door verzoeker en heeft vervolgens de procedure voor een aanvraag van een rechterlijke machtiging in gang gezet.
Verweerster is van mening dat verzet in de zin van de Wzd in ieder geval moet worden gesignaleerd bij gedrag dat duidelijk afwijkt van het bekende gedragsrepertoire en het bij de dementie passende gedrag. Dat betekent niet dat alle momenten waarop het gedrag (even) afwijkt, onmiddellijk dienen te worden aangemerkt als zorg waartegen de cliënt zich verzet. Verweerster heeft in een multidisciplinair overleg op 30 oktober 2025, nadat verzoeker de advocaat had benaderd, vastgesteld dat verzoeker tekenen van verzet in de zin van de Wzd vertoonde en dat dit verzet de voorwaarde voor opname op grond van artikel 21 Wzd doorbrak. Vanaf dat moment begon verzoeker, in tegenstelling tot voorheen, bij herhaling te verkondigen dat hij naar huis wilde. Zowel verzoeker als diens zoon, als vertegenwoordiger in de zin van artikel 7:465 lid 3 Burgerlijk Wetboek, zijn door verweerster bij het multidisciplinaire overleg betrokken. Vervolgens is verzoeker op 7 november 2025 door een onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde, [naam specialist 2] , gezien ten behoeve van de medische verklaring die nodig is voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging. Op
10 november 2025 is vervolgens de aanvraag voor een rechterlijke machtiging ingediend bij het CIZ.
Gelet op het voorgaande is verweerster van mening dat alle formaliteiten en de wet in acht zijn genomen en het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 44 lid 2 Wzd moet worden afgewezen. Subsidiair stelt verweerster zich op het standpunt dat verzoeker feitelijk geen schade heeft geleden. Meer subsidiair stelt verweerster zich op het standpunt dat, indien wordt geoordeeld dat er wel reden is om een schadevergoeding toe te kennen aan verzoeker, deze moet worden gematigd. Verzoeker heeft passende zorg ontvangen en verkeert in exact dezelfde positie als wanneer de rechterlijke machtiging op een eerder moment zou zijn aangevraagd en verleend. Het was voor verzoeker ook helemaal niet duidelijk dat hij mogelijk niet gelegitimeerd op [locatie zorggroep 1] zat en kennelijk was een rechterlijke machtiging ook noodzakelijk, nu verzoeker bij de zitting over de rechterlijke machtiging geen verweer heeft gevoerd. Verweerster meent dat de schadevergoeding gematigd dient te worden tot maximaal € 10,- per dag en enkel over de periode vanaf het inschakelen van de advocaat (eind oktober 2025) tot het moment van aanvraag van de rechterlijke machtiging, aldus tot 10 november 2025. Tenslotte stelt verweerster zich op het standpunt dat een proceskostenveroordeling niet op zijn plaats is, omdat deze procedure wellicht voorkomen had kunnen worden als verzoeker eerst contact had opgenomen met verweerster.
Aanvullend is tijdens de zitting door verweerster naar voren gebracht dat verzoeker in relatief korte tijd twee keer van woonomgeving is veranderd, wat veel stress met zich meebracht voor verzoeker. Daarom moet door zorgverleners ook een gewenningsperiode in acht worden genomen, alvorens eventueel verzet gekaderd dient te worden met een rechterlijke machtiging. Het verzet zoals omschreven in de medische verklaring van
7 november 2025 is volgens verweerster geen verzet in de zin van de Wzd. Het incident dat is beschreven in deze medische verklaring heeft overigens betrekking op een uitstapje door betrokkene in de zomer toen hij nog verbleef bij de locatie [locatie zorggroep 2] . Verzoeker heeft daarover verklaard dat hij zelf teruggekeerd is na het eten van een ijsje bij de friture. Over de keer dat hij teruggehaald werd door drie zorgverleners, geeft verzoeker aan dat hij zich erg overdonderd voelde, omdat hij in zijn ogen niets verkeerd deed en van plan was geweest om op eigen initiatief terug te keren naar, destijds, de [locatie zorggroep 2] . Tijdens zijn verblijf bij de [locatie zorggroep 1] is verzoeker niet weggelopen. Verweerster leidt ook hieruit af dat bij verzoeker tot eind oktober 2025 géén sprake is geweest van verzet in de zin van de Wzd. Verzoeker heeft zich nooit tegen de zorg verzet en doet dat nog steeds niet. Hij uit alleen verbaal dat hij naar huis wil.
5. Beoordeling
Uit artikel 44 lid 2 Wzd volgt dat indien de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de Wzd-functionaris of de zorgverantwoordelijke, de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter kan verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder, de Wzd-functionaris of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent in dat geval een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
De rechtbank dient te beoordelen of verweerster als zorgaanbieder in dit geval de wet niet in acht heeft genomen, omdat verzoeker van 16 september 2025 tot 28 november 2025 zonder recht of titel in de zorginstelling heeft verbleven waardoor volgens verzoeker sprake was van onrechtmatige vrijheidsbeneming.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker bij verweerster verbleef op grond van artikel 21 Wzd. Vervolgens is een rechterlijke machtiging in de zin van artikel 24 lid 1 Wzd aangevraagd. Artikel 24 lid 1 Wzd bepaalt, voor zover hier van belang, dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een cliënt in een geregistreerde accommodatie alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Uit lid 2 sub a van voornoemd artikel volgt dat de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig is indien de betreffende persoon van twaalf jaar en ouder zich verzet tegen de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf. Vast staat dat verzoeker in de periode van 16 september 2025 tot 28 november 2025 verbaal heeft geuit dat hij naar huis wilde. De vraag is echter of deze uitingen reeds vanaf 16 september 2025 moeten worden aangemerkt als verzet in de zin van de Wzd.
De rechtbank overweegt dat verzet in de zin van de Wzd moet worden aangenomen als het gedrag van de cliënt duidelijk afwijkt van het bekende gedragspatroon en het bij de stoornis passende gedrag. Daaruit volgt dat de momenten van afwijzing binnen een grillig gedragspatroon, zoals bijvoorbeeld bij dementie het geval kan zijn, niet onmiddellijk hoeven te worden aangemerkt als zorg waartegen de cliënt zich verzet. Wordt het verzet echter met een zekere consistentie geuit, dan zal de zorgverlener het verzet serieus moeten nemen.
Vast staat dat verzoeker in 2023 is gediagnosticeerd met fronto-temporale dementie. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat deze vorm van dementie wordt gekenmerkt door veranderingen in emoties, gedrag, persoonlijkheid en in het beoordelen van situaties. Daarbij heeft verweerster ook onweersproken gesteld dat bij verzoeker ziekte-inzicht ontbreekt.
Uit de medische verklaring van 7 november 2025 volgt dat verzoeker na de eerste twee weken op de [locatie zorggroep 1] bij herhaling aangeeft dat hij niet wenst te blijven en weg wil. Onduidelijk is echter hoe vaak dit door verzoeker is benoemd en om welke reden. In de medische verklaring staat immers ook benoemd dat er sprake is van een duidelijke toename van de verbale uitingen in de tijd. Onweersproken heeft verweerster gesteld dat de verbale uitingen van verzoeker tot eind oktober 2025 niet consistent waren en dat verzoeker tijdens zijn verblijf bij de [locatie zorggroep 1] niet is weggelopen, ondanks dat de deuren voor hem niet waren gesloten. Verzoeker wilde na uitjes met familie of vrienden zelfs tijdig worden teruggebracht naar de [locatie zorggroep 1] .
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerster, onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat bij verzoeker al vanaf 16 september 2025 sprake was van verzet in de zin van de Wzd. Er is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het gedrag van verzoeker in de periode van 16 september 2025 tot eind oktober 2025 duidelijk afweek van het bekende gedragspatroon en het bij de stoornis van verzoeker passende gedrag. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat verzoeker in korte tijd twee keer is moeten verhuizen. De praktijk leert immers dat eventueel verzet dat na opname wordt geuit tegen een verandering in de zorgverlening door cliënten met een ziektebeeld zoals dat van verzoeker vaak tijdelijk is. Het is dan ook gebruikelijk dat de zorgaanbieder eerst kijkt of het verzet na een wenperiode verdwijnt.
De rechtbank overweegt tevens dat het haar duidelijk is geworden dat verzoeker zeer ontdaan is over de omstandigheid dat zijn kinderen de huur van zijn woning hebben opgezegd en de woning hebben leeggehaald zonder dat hij daarin is gekend. Het verlies van de regie over zijn leven veroorzaakt bij verzoeker veel onrust en frustratie en dit kan ook tot een toename van het verzet tegen het verblijf bij de [locatie zorggroep 1] hebben geleid.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerster de procedure tot aanvraag van de rechterlijke machtiging onverwijld in gang heeft gezet toen bleek dat het verzet van verzoeker tegen zijn verblijf op de [locatie zorggroep 1] toenam. Na de bezoekjes van de vriendinnen van verzoeker die hem er op wezen terug naar huis te moeten gaan en het contact met de advocaat op 28 oktober 2025, uitte verzoeker bij herhaling dat hij naar huis wilde. Vervolgens is op het multidisciplinair overleg van 30 oktober 2025 besloten over te gaan tot het aanvragen van een rechterlijke machtiging, is de aanvraagprocedure ook in gang gezet en is deze procedure binnen de daartoe gestelde termijnen afgewikkeld.
Naar het oordeel van de rechtbank, is gelet op het voorgaande, de wet in acht genomen door verweerster, waardoor verzoeker niet onrechtmatig in de accommodatie heeft verbleven. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.
Ten aanzien van het verzoek tot veroordeling van verweerster in de proceskosten oordeelt de rechtbank dat de aard van de procedure rechtvaardigt dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
6. Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding af;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C.M. Minkenberg, rechter, bijgestaan door
S.F.C. Egbers-Hoebe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
[zie HR: HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590]