RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Kerkrade, verzoeker,
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/168
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder,
(gemachtigde: G. Ćurćić).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het verzoek van verzoeker om een voorschot op een bijstandsuitkering. Verzoeker heeft betalingsproblemen en vindt dat verweerder een voorschot moet verlenen. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit omdat verweerder op zitting alsnog een voorschot aan verzoeker heeft toegekend. Verweerder is hiermee tegemoetgekomen aan wat verzoeker met zijn verzoek om voorlopige voorziening wilde bereiken. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 12 september 2025 heeft verzoeker zich bij de gemeente Kerkrade gemeld, omdat hij gebruik wenst te maken van de dienstverlening van de gemeente in het kader van werk, inkomen, ondersteuning en/of zorg.
Op 9 oktober 2025 heeft verzoeker bij de gemeente Kerkrade een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend met als gewenste ingangsdatum 9 april 2025.
Bij besluit van 12 november 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat verweerder van mening is dat verzoeker aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening in de vorm van een uitkering via het UWV.
Op 5 december 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 8 december 2025 heeft verzoeker zich opnieuw bij de gemeente Kerkrade gemeld, omdat hij gebruik wenst te maken van de dienstverlening van de gemeente in het kader van werk, inkomen, ondersteuning en/of zorg.
Bij brief van 17 december 2025 heeft verweerder hem uitgenodigd voor een fysieke inleverafspraak op maandag 29 december 2025.
Bij e-mail van 23 december 2025 heeft verzoeker gevraagd om een schriftelijke afhandeling van zijn dossier in verband met zijn gezondheidsproblemen (psychisch).
Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft verzoeker verweerder gevraagd om een voorschot op zijn bijstandsuitkering, omdat hij vijf maanden achter is met de betaling van zijn huur en omdat hij zijn water en elektriciteit leveranciers niet meer kan betalen.
Bij e-mail van 19 januari 2026 heeft verzoeker bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Hij verzoekt om een voorschot op een bijstandsuitkering dan wel dat verweerder een besluit moet nemen op zijn verzoek om een voorschot.
Bij brief van 21 januari 2026 heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld om tijdens een gesprek op 28 januari 2026 zijn gegevens in te leveren. Het is ook mogelijk om deze gegevens op te sturen vóór 29 januari 2026. Verweerder heeft deze termijn op verzoek van verzoeker verlengd tot 4 februari 2026.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via Teams), de gemachtigde van verweerder, vergezeld van K. Janssen.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker op de zitting wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verzoeker met zijn e-mail van 13 januari 2026 aan verweerder een voorschot heeft gevraagd in het kader van zijn melding van 8 december 2025 en dat het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening daarop ziet. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bevoegdheid van verweerder om een dergelijk voorschot te verstrekken is geregeld in artikel 52 van de Participatiewet (PW). In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld tegen welke besluiten wel en niet bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Een besluit van verweerder op grond van artikel 52 van de PW is uitgesloten van beroep en bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank een beroep tegen een besluit op basis van artikel 52 van de PW niet inhoudelijk kan en mag beoordelen. Hetzelfde geldt voor de weigering van verweerder om een besluit op grond van artikel 52 van de PW te nemen. Daarom kan de voorzieningenrechter dat nu, in het geval van verzoeker, ook niet. Indien en voor zover verzoeker van mening is dat verweerder hem ten onrechte geen voorschot heeft toegekend naar aanleiding van zijn melding van 8 december 2025 kan hij om een besluit van de voorzitter van Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 81 van de PW verzoeken. In deze zaak blijft onbevoegd-verklaring van de voorzieningenrechter echter achterwege.
4. De voorzieningenrechter heeft met partijen ter zitting besproken dat het verzoek om deze voorlopige voorziening ook connex kan zijn aan het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2025, waarin verweerder de eerste aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering heeft afgewezen, omdat er sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de PW. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat daarmee is bedoeld dat verzoeker aanspraak zou kunnen maken op een Ziektewetuitkering (van 1 augustus 2025 tot en met 17 september 2025) en daarna op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nu op die eerste aanvraag van verzoeker reeds is beslist, is artikel 52 van de PW niet van toepassing. De voorzieningenrechter is daarom bevoegd van het verzoek kennis te nemen en aan het connexiteitsvereiste is voldaan.
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek echter afwijzen gelet op het volgende. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de melding van 8 december 2025 van verzoeker niet in een aanvraag kon worden omgezet, omdat verweerder zijn identiteit niet kon vaststellen. Nu er geen sprake was van een aanvraag, heeft verweerder ook geen voorschot verstrekt op grond van artikel 52 PW. Verweerder heeft verzoeker op de zitting van de voorzieningenrechter voor het eerst in persoon (via Teams) gezien. Verzoeker heeft toen ook op verzoek zijn identiteitskaart laten zien. Vervolgens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegezegd de melding van 8 december 2025 om te zetten in een aanvraag om een bijstandsuitkering en verzoeker gedurende de beoordeling van deze aanvraag een voorschot te verlenen als bedoeld in artikel 52 van de PW.
6. Nu verweerder verzoeker ter zitting alsnog een voorschot op een bijstandsuitkering heeft toegekend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen (proces)belang meer heeft. Verweerder is op de zitting namelijk tegemoetgekomen aan wat verzoeker met het verzoek om voorlopige voorziening wilde bereiken.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026. .
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 februari 2026